OPERA GAZET
![]()
Lyrische
tragedie van
André Ernest Modeste Grétry op een libretto van Louis-Guillaume Pitra,
gebaseerd op de gelijknamige tragedie van Racine uit 1667. Gecreëerd in de
Academie Royale de Musique te Parijs op 6 juni 1780. Bijgewoonde concertante
uitvoering in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel op 19 oktober 2009.
Met
deze vergeten partituur uit het Belgische patrimonium werd de tachtigste
verjaardag gevierd van de grote concertzaal van het Paleis voor Schone Kunsten.
Inderdaad, op 19 oktober 1929 werd deze zaal ingehuldigd en de muziekcritici
waren unaniem lovend omwille van de esthetische schoonheid en de kwaliteit van
de akoestiek. Dankzij de programmering behoorde ze onmiddellijk tot het circuit
van de grote internationale instellingen. De beste pianisten, dirigenten,
componisten en zangers stonden op de affiche. Vanaf 1951 zorgde de
internationale muziekwedstrijd Koningin Elisabeth voor glorierijke momenten. Ook
de grote namen uit de jazz en de wereldmuziek lieten zich horen in deze zaal. In
2000 werd de Henry Le Boeufzaal volledig gerenoveerd. Haar schoonheid en
akoestiek worden gewaardeerd door alle artiesten ter wereld.
In het programmaboekje kregen we informatie over de uitgevoerde werken op 19
oktober 1929: “Psyché” van César Franck, “La légende de la patrie” van Peter
Benoit en de “Brabançonne”. De dirigenten waren Flor Alpaerts en Frans Ruhlmann.
Allemaal Belgen!
Ook voor deze tachtigjarige viering werd een Belgische componist in de
schijnwerper gezet: Grétry. Hij werd geboren te Luik in 1741. Na zijn Italiaanse
vormingjaren ging hij definitief in Parijs wonen. Zij loopbaan liep gelijkmatig
met de geschiedenis van Frankrijk: van Lodewijk XV tot het Eerste Keizerrijk.
Hij maakte de opkomst van de opéra comique mee en droeg zijn steentje bij om
hiervan het genre bij uitstek te maken op het einde van de achttiende eeuw. Hij
paste zich goed aan toen de politieke veranderingen kwamen. De nieuwe stijl vol
heroïek en verscheurende gevoelens verwerkte hij in zijn opera’s en zonder het
te beseffen opende hij de weg naar de romantiek. Hij overleed in 1830.
Iedereen
heeft waarschijnlijk in het middelbaar onderwijs gezwoegd op de teksten van
Racine. Wij zullen even het geheugen van de lezers opfrissen. Hermione houdt van
Pyrrhus. Oreste, de afgewezen geliefde van Hermione, samen met het Griekse volk
vragen om de uitlevering van Astyanax, de zoon van Hector en Andromaque. Zo
kunnen zij hem laten boeten voor de moorden van zijn vader. Maar Pyrrhus is
verliefd op Andromaque en wil moeder en zoon beschermen. Voor wat hoort wat,
maar hij heeft pech want zij blijft trouw aan haar overleden echtgenoot. In de
volgende twee akten wordt een spel van verdeel en heers gespeeld. Tot Hermione
de ware gevoelens ontdekt van Pyrrhus. Dan roept zij de hulp in van Oreste. Zij
zal met hem trouwen als hij Pyrrhus vermoordt. Tijdens een gevecht tussen de
twee kemphanen wordt Pyrrhus gedood. Dan wordt Hemione zich bewust van de gruwel
van haar eis. Maar het is te laat en zij steekt zichzelf dood. Oreste blijft
alleen achter en psychisch kapot bezwijkt hij in de armen van de Grieken.
De uitvoering in Brussel was in handen van dirigent Hervé Niquet en het orkest
en koor du Concert Spirituel. Het orkest telde 37 leden en het koor bestond uit
32 mannen en vrouwen. Vanaf de eerste noot ontdekten wij een opera die ons qua
stijlelementen vreemd was. De verhouding muziek en woord klonk Frans, maar de
muziek was niet Frans en ook niet Italiaans. De dirigent liet koor en orkest
heel dynamisch musiceren met de nodige nuances. Er waren vier solisten. De
sopraanrol van Andromaque was in handen van de lichte mezzosopraan Karine
Deshayes. Zij moest zich forceren in de hoge regionen en zij wist hierdoor haar
stem niet steeds in toom te houden. Waarschijnlijk was zij ook te hevig in de
uitdrukking van haar moedergevoelens. Dat waren weinig genietbare momenten.
De
tenor Sébastien Guèze zong vol brio de rol van Pyrrhus. Ook hier wisten wij ons
geen raad met de onstuimigheid van deze zanger. Maria Riccarda Wesseling zong de
rol van Hermione. Deze mezzosopraan zong gedoseerd en bracht een stijlvolle
verklanking van een vrouw balancerend tussen haat en liefde. De rol van Oreste
werd gebracht door de bariton Tassis Christoyannis. Vol vuur spuwde hij zijn
emoties en hij deed dat op een muzikaal verantwoorde manier. Het Franse idioom
werd honderd procent gerespecteerd door de vier solisten. Er werd ook een beetje
geacteerd, wat het beluisteren van deze opera nog meer genietbaar maakte.
De vele aanwezige microfoons op de scène doet ons vermoeden dat in de nabije
toekomst een opname van dit werk op de markt zal komen. Toen in 1780 deze opera
werd opgevoerd waren de toeschouwers niet enthousiast. De ontknoping was te
tragisch. In 1781 componeerde Grétry een “happy-end” en dan kende de opera wel
succes. Enkele weken later brandde de opera af en een deel van de decors en de
kostuums verdween in de vlammen. Het werk stond nooit meer op de affiche tot
deze 19 oktober 2009. Het publiek uit de 21e eeuw heeft geen probleem met het
oorspronkelijke einde van deze opera.
De dirigent, de solisten, het koor en het orkest kregen welverdiend een staande
ovatie.
Deze productie zal nog
te horen en te zien zijn bij de Schwetzinger Festspiele op 23, 25, 27 en 28
april
P.T. (Gepubliceerd op
21/10/2009)
Foto's van boven naar
onder:
1) Karine Deshayes
2) Hervé Niquet
3) Maria-Riccarda Wesseling
![]()
Opera in één bedrijf
van
Richard Strauss
op een tekst van
Hugo von Hofmannsthal,
gebaseerd op zijn eigen toneelstuk naar Sophokles gelijknamige drama. Het
werk werd voor het eerst uitgevoerd op 27 januari
Toen
“Elektra” in première ging waren de meningen na afloop erg verdeeld.
Sommigen beweerden geen muziek maar lawaai gehoord te hebben, terwijl
anderen onder de indruk waren van de dramatische kracht van Strauss’ werk.
De geschiedenis heeft aangetoond dat de laatste groep het bij het laatste
eind had. Strauss heeft met zijn opera een bijzonder krachtige compositie
gemaakt met een expressionistische inslag die de muziek niet zelden tot aan
de grenzen van de tonaliteit brengt, echter zonder deze te overschrijden.
Het orkest wordt als het ware een personage in het verhaal, zoals het koor
in een Griekse tragedie.
Strauss creëert in “Elektra” een moeilijk doordringbare muur van muziek, wat
het voor de zangers erg moeilijk maakt om zich hoorbaar te maken. De
titelrol mag dan ook tot één van de zwaarste partijen uit het repertoire
gerekend worden, ook al omdat Elektra zowat 90% van de duur van de opera op
de scène staat.
De Belgische regisseur Guy Joosten is een graag geziene gast in de grote
operahuizen in binnen- en buitenland. Deze productie van “Elektra” is de
start van een heuse Richard Strauss cyclus die de Muntschouwburg plant in
coproductie met het
Gran Teatre del Liceu
in Barcelona. We vonden zijn regie van “Elektra” in elk geval geslaagd, zij
het vrij traditioneel. Natuurlijk speelde het verhaal zich af in een modern
decor: zo dient de binnenplaats van het verloederde kasteel van Klytämnestra
als gevangenis voor Elektra en zijn de dienstmaagden een soort bewakers.
Voor
het overige volgt Joosten volledig de lijn van het verhaal. Alleen in de
slotscène wijkt hij even af van de originele tragedie: Elektra danst zich
niet dood, maar wordt blijkbaar, net als alle andere bewoners van het
kasteel, omgebracht door Orest. Hier en daar probeert Joosten wat symbolen
te introduceren, zoals de voetwassing van Orest door Elektra, of de valies
van Chrysothemis die gevuld is met witte lakens als teken van de hoop,
terwijl de inhoud van Elektra’s valies zwart is als teken van haar haat.
De Muntschouwburg had voor deze productie een dubbele bezetting voorzien
voor de loodzware vrouwenrollen. Wij woonden een voorstelling bij met de
“tweede” cast, en het moet gezegd: we waren niet teleurgesteld. Het had
nochtans anders gekund: Nadine Secunde, voorzien voor de titelrol, moest
wegens ziekte afhaken en werd op het laatste moment vervangen door Barbara
Schneider-Hofstetter, die nog net genoeg tijd had om de regie een keer te
doorlopen, maar aan de voorstelling diende te beginnen zonder één repetitie
met haar collega’s of het orkest. We vonden haar prestatie dan ook
fenomenaal. Vocaal wist ze vooral te imponeren door haar schitterende
centrale register en een uithoudingsvermogen dat ervoor zorgde dat ze aan
het einde van de voorstelling nog over al haar vocale mogelijkheden
beschikte.Haar vrouwelijke partners dienden niet onder te doen voor deze
prestatie: vooral de Oostenrijkse mezzosopraan
Natascha Petrinsky
maakte met haar schitterend projecterende diepte indruk in de rol van
Klytämnestra, hoewel ze het scenisch wat moeilijk had om met haar jeugdige
leeftijd een oudere vrouw neer te zetten.
Annalena Persson
was als Chrysothemis zeker overtuigend, hoewel haar stem af en toe wat
volume te kort kwam om te wedijveren met het orkest.
Minder
indruk maakten de heren, met een vocaal correcte maar toch zo saaie Orest
van
Gerd Grochowski
en een vocaal wat op zijn retour zijnde Donald Kaasch als Aegisth. Correct
zonder positieve of negatieve uitschieters waren de kleinere rollen. Toch
één bedenking: de rol van de verzorger van Orest werd gezongen door de
85-jarige Franz Mazura. Zou het geen beter idee geweest zijn om een jong
talent van eigen bodem de kans te bieden om wat toneelervaring op te doen?
Lothar Königs
gaf een wat persoonlijke interpretatie van Strauss’ partituur die door hem
ontdaan werd van wat scherpe kantjes. Hij wist zijn orkest voldoende onder
controle te houden om de zangers niet meer dan nodig onder druk te zetten.
Met deze productie heeft de Munt hopelijk de standaard gezet voor haar ganse
Strauss-cyclus. In afwachting van het volgende luik kunnen we U deze
“Elektra” alvast warm aanbevelen!
H.D. (Gepubliceerd op
29/1/2010)
1) Natascha Petrinsky (Klytamnestra) en Nadine Secunde (Elektra)
2)
Natascha Petrinsky (Klytamnestra) en Nadine Secunde (Elektra)
3)
Gerd Grochowski (Orest) en Nadine Secunde (Elektra)
Copyright foto's ©
![]()
Opera
van
Manuel de Falla. Libretto van de componist, gebaseerd op een episode uit
“Don Quichote” van Cervantes. Gecreëerd in het Teatro San Fernando te
Sevilla op 23 maart 1923. Bijgewoonde voorstelling in het Paleis voor Schone
Kunsten te Brussel op 6 februari 2010.
“Het
poppenspel van Meester Pedro” is, zoals Britten’s “Let’s make an opera”
en Stravinski’s “Histoire du soldat”, één van die opera-eigenaardigheden die
niet de bekendheid genieten die zij verdienen. Bijzonder aan de opera van de
Falla is dat de actie in een op het podium gebouwde poppenkast plaatsvindt.
De zangsolisten zijn een jongen die commentaar geeft, de uitbater Pedro zelf
en Don Quichote die zich tussen het publiek bevindt.
Meester
Pedro nodigt de gasten van zijn taverne uit om een poppenspel bij te wonen
waarin Melisandra, de denkbeeldige dochter van Karel de Grote, gevangen zit
in de Moorse burcht van Saragossa en bevrijd wordt door haar man Gayferos.
Don Quichote, die zo dikwijls fictie en realiteit verwart, wordt zo fel door
het verhaal geënthousiasmeerd dat hij zich eens te meer met het verloop van
de actie wil moeien.
Om de 25e verjaardag van het Spaanse gezelschap Etcétera te vieren, besloten
dirigent Josep Vicent en regisseur Enrique Lanz deze kleine opera nieuw
leven in te blazen. Zij staken het werk in een actueel kleedje, aangepast
aan de moderne podia. Kenmerkend, zijn de gigantisch, bewegende marionetten,
geïnspireerd op de plafondschilderingen van “el Salon del Reyes” van het
Alhambra in Granada, die een deel van het publiek vormen. Opvallend was de
gelijkenis van het hoofd van Don Quichote met dat van Fidel Castro. Hoe het
een en ander in elkaar zit, kunt U zien in het filmpje
onder deze link.
Deze coproductie met De Munt en verschillende Spaanse operahuizen, werd
ingezet met het concerto voor klavecimbel en vijf instrumenten, eveneens van
de Falla. De eerste beweging van dit concerto fungeerde als ouverture voor
de opera. Vanaf de tweede beweging leidden chaotische projecties naar de
actie van de opera zelf. Muzikaal was de overgang van het concerto naar de
opera slechts merkbaar door de inzet van het volledige orkest.
Vocaal valt er in deze eenakter niet veel te beleven. De zangstijl is zuiver
declamatorisch, vooral de partij van het jongetje Trujaman klinkt als een
eentonig recitatief. Nochtans werd het voorbeeldig gezongen, met een vrije,
jeugdige sopraanstem door Olatz Saitua. Ook de kleine rol van Pedro werd
vrij mooi vertolkt door Mikeldi Atxalandabaso, een heldere tenor met een
voorbeeldige dictie.
De
meest bekoorlijke interpretatie kwam van de bariton Joan Martin-Royo in de
rol van Don Quichote. Zijn iets langere interventie aan het einde van de
opera vormde dan ook het meest luisterrijke vocale moment van de opera.
De mooiste momenten zitten echter in het orkest. Zoals Ravel, bekoort de
Falla vooral door de kleurrijke orkestraties. Josep Vicent dirigeerde deze
flamboyante, virtuoze partituur met een grote nauwkeurigheid en het geheel
klonk glashelder en energiek. Er was een Nederlandse en een Franse
boventiteling, waardoor de actie goed te volgen was.
Waarschijnlijk aangetrokken door de publiciteit rond de reuzenpoppen, hadden
veel toeschouwers hun kleine kinderen meegebracht. De kleintjes waren
blijkbaar wel wat teleurgesteld, want het spektakel was natuurlijk geen
“Muppet show”. Naar het einde toe werden ze dan ook wat onrustig. Nochtans
duurde de opvoering niet erg lang. De voorstelling begon met tien minuten
vertraging en was dan nog tien minuten vroeger gedaan dan in het
programmaboekje vermeld stond. Al bij al kregen wij amper veertig minuten
muziek. Toch wel wat weinig voor een avondvullende vertoning.
Gelukkig hadden wij onze verplaatsing naar Brussel gecombineerd met een
bezoek aan de tentoonstelling “Frida
Kahlo”. Zesentwintig schilderijen en tekeningen van deze Mexicaanse
schilderes zijn nog te bewonderen in het Paleis voor Schone Kunsten tot 18
april 2010.
G.M. (Gepubliceerd op
7/2/2010)
![]()