OPERA GAZET
![]()
Comédie
lyrique van
Jean-Philippe Rameau op een libretto van Jacques Autreau & Adrien-Joseph
Le Valois d'Orville. Gecreëerd in de Grande Ecurie te Versailles op 31 maart
1745. Bijgewoonde concertante uitvoering in het Paleis voor Schone Kunsten
te Brussel op 1 april 2010.
Jean-Philippe
Rameau was aanvankelijk meer theoreticus dan componist en kwam pas tot de
opera na zijn veertigste. Vier grote werken over harmonieleer en een reeks
kleinere geschriften getuigen van Rameau’s ontzagwekkende theoretische
kennis. Het is een merkwaardig paradox, dat het juist Rameau’s reputatie van
muziektheoreticus is geweest die hem bij de erkenning van zijn werk als
componist in de weg heeft gestaan. “Ce distillateur d’accords baroques” werd
hij door zijn tegenstanders genoemd.
Hij schreef een indrukwekkende hoeveelheid kamermuziek, waaronder zijn
bekende “pièces de clavecin en concerts”. Van 1723 tot 1763 vloeiden er
zestien opera’s uit zijn pen. Ondanks zijn groot vermogen leefde Rameau zeer
eenvoudig. Zijn uitlatingen waren vaak sarcastisch en arrogant. Op zijn
sterfbed zou hij de priester verweten hebben vals te psalmodiëren, terwijl
deze zijn gebeden voordroeg.
Camille Saint-Saëns noemde hem “le plus grand génie musical que la France
ait produit”.
“Platée”
werd geschreven in 1745, ter gelegenheid van het huwelijk van de Dauphin met
de Spaanse Infante. Bij de eerste voorstelling in Versailles ontketende de
opera een ware revolutie. Want, afgezien van het feit dat erin gespot werd
met een oude nimf die gespeeld werd door een man, en dit voor de ogen van
een bruid die niet bijzonder gul bedeeld was door de natuur, was dit het
allereerste louter burleske stuk dat men ooit te zien kreeg. De “tragédie
lyrique” stond toen als enig model voor het muziektheater in Frankrijk.
Daarin mocht men af en toe eens glimlachen, maar daar moest het dan ook bij
blijven. Bovendien was het werk één grote “pastiche” van de traditionele
Franse opera die hier grotesk en spottend behandeld werd.
Ook op muzikaal vlak werden de toeschouwers verrast. De onhandige,
belachelijke, maar uiteindelijk ook trieste heldin, werd met ongewone
dissonanten en een mank lopende prosodie getypeerd.
Nu,
meer dan 250 jaar later, klonk deze opera ons nog steeds modern in het oor!
Wij werden bij deze concertante uitvoering bijzonder verwend. In de eerste
plaats door het koor en het orkest “Les
Talens Lyriques”, met veel pit gedirigeerd door
Christophe Rousset. Er werd met virtuositeit en vooral met veel plezier
gemusiceerd. Deze productie ging vorige maand scenisch in première bij de
Opéra National du Rhin te Straatsburg. De solisten hadden hier dan ook geen
partituur nodig om hun partij te zingen. Zij bleken bovendien uitstekend op
elkaar ingespeeld, zongen en acteerden met veel spontaneïteit.
Emiliano Gonzalez
Toro acteerde de rol van Platée met veel zwier en humor, maar het
schertsende was in zijn vocale interpretatie amper waarneembaar. De man
heeft een solide, egale tenorstem, die ook buiten het barokrepertoire goed
moet klinken. Wij hoorden de rol al door tenors met minder stem, maar met
meer differentiatiekunst, zoals Michel Sénéchal en Jean-Paul Fouchécourt. De
tweede tenor was Cyril Auvity die de partijen van Thespis en Mercure voor
zijn rekening nam. Hij heeft niet veel vocale mogelijkheden, een genepen
hoogte en een nogal bleek timbre, maar hij maakte er het beste van door zijn
speelsheid en zijn uitstekend tekstbesef.
De sopranen die hun van repliek dienden, klonken voortreffelijk, vooral
Salomé Haller als Thalie en La Folie. De kristalheldere stem van Céline
Scheen was juist geschikt voor L’Amour en Clarine, terwijl Judith Van
Wanroij haar beste beentje voorzette als Junon.
Wij hoorden ook enkele mooie bassen: de onstuimige Evgueniy Alexiev als
Momus en Cithéron, een nogal bombastische en luide François Lis als Jupiter
en een goed klinkende Christophe Gay als een sater.
Het publiek was bijzonder opgetogen. Terecht, want ondanks de concertante
vorm, beleefden wij een bijzonder boeiende en opgewekte opera-avond.
G.M. (Gepubliceerd op 4/4/2010)
Foto's van boven naar onder:
1) Christophe Rousset.
2) Emiliano Golzalez Toro.
![]()
Opera
van
Charles Gounod op een libretto van Jules Barbier en Michel Carré,
gebaseerd op het gelijknamige toneelstuk van William Shakespeare. Gecreëerd
in het Théâtre-Lyrique du Châtelet op 27 april 1867. Bijgewoonde uitvoering
van uittreksels in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel op 8 juni 2010.
Dit was wel een zeer bijzonder concert. Wat
aanvankelijk aangekondigd werd als een recital van
Roberto Alagna, bleek een concertante uitvoering te zijn van de
orkestrale fragmenten en alle aria’s en duo’s van Roméo en Juliette,
gebracht in de juiste chronologische volgorde. De benaming “concertant” is
in feite niet helemaal juist, want de solisten zongen zonder partituur,
evolueerden naargelang de situatie rondom het orkest, acteerden zelfs zeer
realistisch en bij het slot stierven ze zelfs in elkaars armen, uitgestrekt
op de grond aan de voeten van de dirigent.
Roberto
Alagna moeten wij niet meer voorstellen. Onze eerste kennismaking met deze
Franse tenor van Siciliaanse afkomst was in 1995. Het was een TV uitzending
van precies dezelfde opera: “Roméo
et Juliette”, uitgezonden vanuit het Royal Opera House Covent Garden
waar de toen nog voor ons onbekende Roberto Alagna de rol van Roméo zong
naast een al even onbekende Leontina Vaduva. Het was een regelrechte
revelatie: een stralende tenorstem, perfect geschikt voor de rol met
bovendien een al even perfecte Franse dictie. Wij hadden het nog nooit zo
mooi gehoord… De opname is gelukkig vereeuwigd op een
DVD opname en het was misschien niet een zodanig goed idee om deze te
beluisteren alvorens wij het concert in Brussel bijwoonden.
Vijftien jaar later is Alagna niet meer dezelfde jonge, spontane en frisse
Roméo. De stem is uiteraard zwaarder geworden, de gouden glans is
gedeeltelijk vervangen door een minder edel metaal en wij bespeurden zelfs
een licht korrelig legato. De hoge noten staan er nog steeds vlekkeloos,
maar er moet kracht voor gezet worden, terwijl die er vroeger als vanzelf
uitvloeiden. Dat is natuurlijk de vereiste tol die betaald wordt voor het
zingen van rollen als Manrico, Radames, Cavaradossi, Don José en binnenkort
Otello. Anderzijds heeft de stem gewonnen aan dramatische uitstraling en dat
was hier vooral in de laatste scène goed merkbaar.
Zijn
Juliette was
Nathalie Manfrino, de lyrische sopraan die naast Alagna de rol van
Roxanne zong in “Cyrano de Bergerac” van Franco Alfano in Montpellier, juli
2003. Ook daar is een uitstekende
DVD-opname van. Zij zong als eerste na de ouverture de opgewekte aria
“Ah! Je veux vivre”. Voor deze aria verkiezen wij een meer slanke, minder
wollige stem. Maar toch wist zij te bekoren en de slotnoot stond er
feilloos, in één adem en zonder de gebruikelijke korte rustpauze. Nadien
bleek zij een voortreffelijke Juliette, nooit schril in de forse passages en
met hemelse, tedere piano’s. Gepaard aan een al even mooi uiterlijk en als
extra een prominent decolleté, was het geen wonder dat onze onstuimige
Siciliaan haar bij elke passende gelegenheid in de armen sloot.
Het Nationaal Orkest van België onder leiding van de Catalaanse dirigent
David Giménez Carreras zorgde voor een accurate begeleiding.
De bijval was enorm, iets te veel van het goede zelfs, want er werd vaak te
onpas geapplaudisseerd tussen de verschillende aria’s en duo’s. Het was ook
storend dat toeschouwers van op de balkons aanhoudend foto’s namen, zonder
het verstand te hebben de flash van hun toestel uit te schakelen.
Al bij al toch wel een bijzonder memorabel concert.
G.M. (Gepubliceerd op 10/6/2010)
Foto's van boven naar onder:
1) Roberto Alagna.
2) Nathalie Manfrino.
Copyright foto's
© Claude Gassion (1) en DR (2)
![]()
“DON CHISCIOTTE IN SIERRA MORENA”
Tragicommedia
van
Francesco Bartolomeo Conti op een libretto van Apostolo Zeno & Pietro
Pariati. Gecreëerd te Wenen op 6 februari 1719. Bijgewoonde concertante
uitvoering in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel op 29 juni 2010.
Productie De Munt.
Francesco
Bartolomeo Conti werd geboren te Florence in 1681 of 1682. Hij maakte al
vroeg naam als teorbespeler in adellijke kringen te Milaan. Zijn faam voerde
hem naar het hof van keizer Leopold I in Wenen en naar dat van Queen Anne in
London. Overal werd hij als virtuoos gevierd. Hij werd ook bekend als
componist en werd in 1713 zelfs aangesteld als hofcomponist van keizer Karel
VI, een functie die hij tot zijn dood in 1732 zou blijven bekleden. Hij
schreef niet minder dan 16 opera’s en vergaarde in de loop der jaren een
aanzienlijk fortuin. Ook zijn echtgenotes hadden aan zijn familievermogen
bijgedragen. De eerste stierf vroeg, maar kort na haar dood huwde hij Maria
Landini, een vermogende prima donna van de hofopera. Tussen 1715 en 1722,
het jaar van haar dood, hield zij alle vrouwelijke hoofdrollen in Conti’s
opera’s ten doop. Ook zijn derde vrouw, Anna Maria Lorenzani, was in 1724
als prima donna aan het Weense hof verbonden. Conti en zijn prima donna’s
behoorden tot de Weense hofmusici die het meeste verdienden. Door zijn
dubbelfunctie als teorbist en componist verdiende hij zelfs meer dan de
hofkapelmeester.
“Don Chisciotte in San Morena” dateert uit deze welvarende periode. De
strenge regels die de “opera seria” de volgende decennia aan componisten zou
opleggen en die o.a. alle komische scènes uit de actie zouden verbannen,
waren in 1719 nog niet van kracht. Deze “Don Quichotte” is dan ook een
mengelmoes van serieuze en komische situaties.
Bij het beluisteren van dit werk, kwam duidelijk aan het licht dat Conti een
echte theaterman was, die zijn muziek niet in de eerste plaats vanuit de
compositieregels creëerde, maar vanuit zijn voorstelling van de scenische
situatie. Het slot van de tweede akte, waarbij Sancio Pansa en de kroegmeid
Maritorno ruzie maken, is daar een goed voorbeeld van. Door gebruik te maken
van een Spaanse couleur locale, o.a. met castagnetten en door een steeds
feller ritme te hanteren, kregen de toeschouwers een eersteklas staaltje
onderhoudende muziek te horen.
René
Jacobs, die het werk na een rustperiode van verschillende eeuwen vanonder
het stof haalde, en zijn Akademie für Alte Musik uit Berlijn zijn natuurlijk
het aangewezen ensemble om dit soort muziek te verklanken. Het zal Jacobs
ook duidelijk geweest zijn, dat een opera met zoveel theatrale kwaliteiten,
geen ideale vorm kon krijgen in een strenge concertante uitvoering. Er werd
dan ook geopteerd voor een opvoering waarbij alle solisten zonder partituur
zongen en waarvan de kledij aangepast was aan hun personage. Er werd
geacteerd zoals bij een scenische opvoering en er kwamen zelfs enkele
rekwisieten bij te pas.
Met zijn slanke gestalte en sonore baritonstem was Stéphane Degout een
ideale Don Chisciotte. In zijn tred volgde steeds Markos Fink als Sancio
Pansa, een wat pappige basbariton die ons scenisch meer bekoorde dan vocaal.
Het serieuze element van de opera werd waargenomen door twee sopranen en
twee countertenors, die voor elkaars liefde rivaliseren. Inga Kalna had als
Dorotea niet het gestroomlijnde koetswerk van Gillian Keith (Lucinda), maar
leverde wel het mooiste vocale werk. Met zijn honingzoete, nooit schrille
countertenor, was Bejun Mehta een uitstekende Cardenio die wij veruit
verkozen boven zijn rivaal Christophe Dumaux (Fernando), die blijkbaar een
slechts dag had en bij momenten een onaangenaam, dun geluid produceerde. Er
was nog een derde countertenor: Dominique Visse als de barbier Rigo, getooid
met een motorhelm, die de legendarische helm/scheerpan moest voorstellen.
Hij zorgde met veel schwung voor enkele hilarische momenten.
De sopraan Judith van Wanroij was de aantrekkelijke meid Maritorne, getooid
in een traditionele Spaanse zwarte jurk met rode bloem in het haar. Zij was
bijzonder goed op dreef in haar duo’s met Sansjo Pansa. Johannette Zomer als
de page Ordogno en Geoffrey Dolton als de waard Mendo waren voortreffelijk
in hun kleinere rollen.
Inclusief twee korte pauzes, duurde de opera meer van vier uur. Er was een
duidelijke boventiteling in het Nederlands en het Frans.
Er zijn geen verdere uitvoeringen van deze opera gepland, maar hopelijk wordt deze uitvoering op CD vastgelegd.
G.M. (Gepubliceerd op 1/7/2010)
Foto's van boven naar onder:
1) René Jacobs.
2) Stéphane Degout (foto ©
www.celebrissimes.com)
![]()