OPERA GAZET
![]()
Opera van
Camille Saint-Saëns
(muziek) en Ferdinand Lemaire (libretto), gecreëerd in het Duits in het
Hoftheater te Weimar op 2 december 1877. De opera werd pas later in Frankrijk
opgevoerd: op 3 maart
Er zijn dit jaar van “Samson
et Dalila” enkele fel omstreden producties geweest. Voor de Opera van Keulen
bedacht regisseur Tilman Knabe een wrede regie. De opera speelt zich niet in het
bijbelse Palestina af, maar in het huidige Midden-Oosten. Onderdeel van de
productie zijn een slachtpartij met machinegeweren en een massaverkrachting. Dat
zorgde voor wat oproer. Verschillende koorleden en ook enkele solisten stapten
op omdat de productie volgens hen te wreed was.
De Vlaamse Opera liet de Israëlische Omri Nitzan en de Palestijnse Amir Nizar
Zuabi samen de regie doen, wat een controversieel resultaat opleverde. Ook hier
werd de actie naar onze tijd in het Midden-Oosten verplaatst. De Israëlieten
werden de onderdrukkers en de Palestijnen de slaven (on connaît la chanson). De
gezongen teksten werden daardoor
bijzonder absurd : Israëlieten die zweren bij
de god Dagon en zingen: “Maudite à jamais soit la race des enfants d’Israël”
terwijl de Palestijnen klagen met “Israël, romps ta chaîne”. Kan het nog gekker?
De Opéra Royal de Wallonie gooide het over een volkomen andere boeg, in plaats
van geld te verkwisten aan een zinloze enscenering werd een eersteklas tenor
geëngageerd voor de rol van Samson: José Cura. De regie van Michal Znaniecki
verliep traditioneel en was een echte verpozing na de experimenten
die wij de laatste tijd meemaakten. De personenregie was spontaan en kwam niet
gekunsteld over. Bovendien konden wij genieten van mooie, kleurrijke kostuums.
Een gouden regel: hoe minder er over een enscenering te vertellen valt, hoe
beter zij is! Een regie is pas volmaakt als de actie zo vloeiend en natuurlijk
verloopt dat je niet beseft dat er ooit een regisseur aan te pas kwam.
Nochtans was deze première van het speeljaar 2009/10 niet écht een succes.
Wegens de verbouwingswerken aan het Théâtre Royal aan de Place Grétry, werd de
opera opgevoerd in de Country Hall Ethias. Zoals de naam “country” laat
vermoeden, ligt het gebouw ergens “ten velde”, ongeveer vijftien kilometers
buiten het centrum van Luik. Het is een zaal die bedoeld is voor
sportmanifestaties: totaal sfeerloos, met een vreselijk slechte akoestiek,
oncomfortabele stoelen en zo ruim dat de actie op de geïmproviseerde scène amper
te volgen is.
Jammer, want de prestatie van José Cura kwam hierdoor slechts gedeeltelijk tot
haar recht. Je hoort natuurlijk dat de stem optimaal is voor deze rol, al vonden
wij zijn Franse dictie niet écht om over naar huis te schrijven. Maar hij heeft
het juiste stemtype, een ongeforceerde hoogte en hij weet aan de rol de juiste
dosis dramatiek mee te geven. Bovendien heeft hij de fysiek voor Samson en als
hij in de eerste akte met ontblote borst en ezelskaakbeen in de hand de scène
opschreed, dachten wij meteen aan Victor Mature in de film van Cecil B. DeMille
uit 1949.
Ook Julia Gertseva had de geschikte figuur voor Dalila en zij zong haar mooie
aria’s met een vleiende, warme stem. Haar dictie was ook beter dan die van Cura.
Er waren ook enkele mooie baritons en bassen in de bezetting, zoals de sonore
Mark Rucker als de Hogepriester van Dagon, Luciano Montanaro als Abimélech en
vooral Patrick Bolleire als de oude Hebreeuwer. De kleine rollen werden waardig
gezongen door Louis Marie Gillis (un massager), Xavier Rouillon (premier
philistin) en Arnaud Rouillon (deuxième philistin).
Al deze mooie prestaties werden echter fel belemmerd door de slechte akoestiek.
Een juiste versterking van de stemmen had soelaas kunnen brengen, maar is dat
wel verantwoord voor een operavoorstelling?
Ik feite klonken enkel het koor en het orkest bevredigend. Vooral de donkere
klanken in het orkest kwamen goed tot uiting. Patrick Davin liet de muziek
vloeiend, én waar het moest, heroïsch klinken, maar gaf haar geen overdreven
pathetiek of grootsprakerigheid.
Laat ons hopen dat de verbouwingswerken aan het Théâtre Royal volgend speeljaar
voltooid zijn, want de “Country Hall Ethias” is letterlijk een noodoplossing!
De reeks voorstellingen
gaat in samenwerking met Musique 3 en Arte, wat ons laat vermoeden dat er een
tv-uitzending mag verwacht worden. Hopelijk zal deze captatie de artistieke
prestaties beter tot hun recht laten komen.
Er zijn nog voorstellingen
op 20, 25 en 27 september 2009.
G.M. (Gepubliceerd op
20/9/2009)
Foto's van boven naar onder:
1) José Cura als Samson en koor van Israëlieten.
2) José Cura als Samson en Julia Gertseva als Dalila.
3) Julia Gertseva als Dalila en José
Cura als Samson met koor van Filistijnen.
Copyright foto's
©
Jacques Croisier.
![]()
“CEPHALE ET PROCRIS ou L’AMOUR CONJUGAL”
“Ballet
héroique” in drie bedrijven van
André-Ernest-Modeste Grétry op een libretto van
Jean-François Marmontel naar
Ovidius’
“Metamorfosen”. De creatie vond plaats op 30 december
Het
Théatre Royal wordt gerenoveerd, wat betekent dat de voorstellingen van de ORW
zich
enkele seizoenen “extra
muros” afspelen. Na het prachtige “Forum de Liège” en de minder geslaagde
“Country Hall” was nu de “Salle Philharmonique” in het Luikse conservatorium aan
de beurt. We waren betoverd, niet alleen door de schoonheid en de goede staat
van de zaal, maar vooral door de prachtige akoestiek die ervoor zorgt dat elk
detail in de muziek en de zang tot zijn recht kan komen. Helaas is ook deze
zaal, net al het “Forum”, niet geschikt om geënsceneerde opera’s op te voeren.
Grétry werd in 1741 geboren te Luik, maar verwierf zijn faam aan het Franse hof
waar hij na omzwervingen doorheen Europa op advies van Voltaire naartoe ging.
Maar ook na de Franse revolutie wist hij in de gratie te blijven. In het totaal
schreef Grétry zowat 66 opera’s, waarvan de meeste succesvol waren. In moderne
tijden wordt zijn muziek echter zelden uitgevoerd, al zijn er dit seizoen
wereldwijd opvallend veel opera’s van Grétry gepland. Zo bracht het PSK te
Brussel onlangs “Andromaque”
en worden in Frankrijk nog “La fausse magie” (Metz), “L’amant jaloux” en “Zémire
et Azor” (beide Parijs) verwacht.
“Céphale
et Procris ou
l’amour conjugal” werd voor het eerst opgevoerd ter ere van het huwelijk
van de graaf van Artois, de derde kleinzoon van Louis XV. Bij zijn creatie kende
de opera weinig succes. Voor het Franse publiek was het niet helemaal duidelijk
tot welke esthetiek het werk behoorde: enerzijds zijn er de elementen die passen
in de Franse traditie: een mythologisch onderwerp, allegorische figuren,
typische taferelen en, niet te vergeten, het invoegen van balletscènes. Aan de
andere kant is er een duidelijke Italiaanse invloed in de vorm (geen proloog en
drie bedrijven) en de virtuoze en symmetrische muziek, alsook de recitatieven
die als een “recitativo secco” georkestreerd zijn.
Kortom,
wat we nu als de sterke punten van de partituur beschouwen werden bij de creatie
als gebreken aanzien. Overigens heeft ook het libretto bijgedragen tot de koele
ontvangst door het publiek: Céphale wordt in het verhaal weinig geprofileerd als
een klassieke held, en is eigenlijk al een voorloper van de romantische held.
We waren aangenaam verrast door de opvoering in Luik. Enerzijds door de mooie,
afwisselende en melodieuze partituur van Grétry die onze aandacht voortdurend
wist vast te houden - wat lang niet elke componist uit de achttiende eeuw lukt.
Anderzijds was de kwaliteit van de uitvoerders van een hoog niveau. Bij de
solisten waren we vooral onder de indruk van Pierre-Yves Pruvot als een
autoritaire en vocaal sterke Céphale, die vooral in het derde bedrijf een
geëngageerde vertolking gaf. De rol van Procris, die in tegenstelling tot wat de
titel van de opera laat vermoeden eerder episodisch is, stelde geen problemen
voor Katia Vellétaz, al projecteert de stem niet erg goed. Schitterend waren
Bénédicte Tauran als Aurore en Isabelle Cals als La Jalousie. Mooie prestaties
ook van Aurélie Franck (Flore) en Caroline Weynants (L’Amour), al had de laatste
het bij momenten wat moeilijk met de virtuoze aria aan het einde van de opera,
die misschien wel het mooiste stukje van de partituur uitmaakt.
Het orkest “Les Agrémens” is gespecialiseerd in muziek uit de achttiende eeuw en
speelt op authentieke instrumenten. Onder de enthousiaste leiding van Guy Van
Waas brachten zij een vurige en meeslepende vertolking van Grétry’s opera,
daarin gesteund door het uitstekende “Choeur de Chambre de Namur”, eveneens
specialisten in het genre.
Een
concert dat ons doet uitkijken naar een nadere kennismaking met de componist
André-Ernest-Modeste Grétry.
H.D.
(Gepubliceerd op 23/11/2009)
1) Pierre-Yves Pruvot.
2) Katia Vellétaz.
![]()
Opera
in drie bedrijven van
Giuseppe Verdi op een tekst van Francesco Maria Piave naar “Le roi
s’amuse” van Victor Hugo. Het werk werd voor het eerst uitgevoerd op 11
maart 1851 in het Teatro La Fenice te Venetië. We waren op 21 maart 2010
aanwezig bij een voorstelling in de Opéra Royal de Wallonie te Luik.
De
Luikse opera wordt gerenoveerd en dus speelt het lopende seizoen zich af
“extra muros”. De meeste voorstellingen gaan door in het “Palais Opéra de
Liège”, een soort circustent opgesteld niet ver van het centrum van de stad.
Hoewel een operavoorstelling in een tent op het eerste zicht wat vreemd
overkomt, waren we aangenaam verrast door de kwaliteit van het geboden
comfort, maar ook van de akoestiek die opmerkelijk goed was. Overigens werd
deze constructie niet voor het eerst ingezet: toen enkele jaren geleden het
Venetiaanse “Teatro La Fenice” heropgebouwd werd na een zware brand, gingen
de operavoorstellingen gedurende meerdere seizoenen in dezelfde ruimte door.
Verdi beschreef de eerste tien jaar van zijn carrière als “gallei-jaren”
waarmee hij doelde op het helse tempo waaraan hij nieuwe werken componeerde:
vaak twee per jaar, met een uitschieter van drie nieuwe opera’s in 1847. Aan
deze “slavenarbeid” komt vanaf 1850 snel verandering, wanneer hij op twee
jaar tijd drie van wat later zijn populairste werken zullen blijken
componeert: “Rigoletto”
(1851), “Il Trovatore” en “La Traviata” (beide in 1853). Deze drie opera’s
vestigen Verdi’s naam definitief als grootste Italiaanse componist van zijn
tijd en stellen hem in staat om in de toekomst nog kieskeuriger te zijn bij
het aannemen van nieuwe opdrachten. De zestien opera’s die Verdi vóór 1850
componeerde worden op een drietal na vandaag nog zelden uitgevoerd.
De
compositie van “Rigoletto” verliep niet zonder slag of stoot. Na tussenkomst
van de censuur diende Verdi de oorspronkelijke plaats van de handeling en de
namen van de personages te wijzigen, en werd hij genoodzaakt zijn partituur
dienovereenkomstig aan te passen. Maar uiteindelijk kon hij door zijn
volharding en zijn geloof in de kwaliteit van zijn partituur de Oostenrijkse
censor overtuigen. De geschiedenis bewijst dat Verdi gelijk had: de première
van “Rigoletto” in Venetië kende een eclatant succes, en de aria “La donna è
mobile”, waarvan de muziek doelbewust slechts enkele dagen op voorhand aan
de tenor uitgereikt werd, werd al snel in alle straten van de stad gezongen.
“Rigoletto” op het speelplan zetten garandeert ook vandaag nog volle zalen
en in de ORW is dit niet anders. Een groot deel van het succes van deze
productie is volgens ons te danken aan muziekdirecteur Paolo Arrivabeni. Het
orkest van de ORW heeft ons in het verleden niet steeds kunnen overtuigen,
maar onder de leiding van Arrivabeni overtreffen de muzikanten zichzelf.
Reken daarbij dan nog dat de dirigent er in slaagt dankzij onverwachte
accenten en perfect gekozen tempi een interpretatie geeft van Verdi’s muziek
die ook voor iemand die de opera al vaker zag, verfrissend overkomt.
Regisseur Philippe Sireuil laat het verhaal spelen in een soort
eenheidsdecor, bestaande uit twee schuin lopende muren die in beperkte mate
verschoven kunnen worden. Het verschil tussen de verschillende locaties
wordt weergegeven door enkele subtiele details en rekwisieten, zoals een
lamp of enkele stoelen. Het toneel is ook gehuld in het halfduister, wat de
voorstelling meteen de juiste sfeer geeft, mede door een mooi gebruik van
schaduwen. Helaas kwam de personenregie wat te kort - het leek dat de
zangers op dat punt wat aan hun lot overgelaten werden. En niet elke
operazanger is een geboren acteur…
De
belangrijkste rollen waren vrijwel ideaal bezet. Om te beginnen waren we
onder de indruk van de prestatie van de jonge Mexicaanse tenor Arturo
Chacon-Cruz. Hij heeft een grote, lyrische stem met een mooi timbre en de
juiste fysiek voor de rol. Zijn zang klinkt soms wat onstuimig - met de
jaren zal hij op dat punt wel wat evolueren - maar net deze onstuimigheid
past perfect bij het personage van de Hertog. Cinzia Forte is een mooie,
jeugdige en frêle Gilda. We hoorden de Amerikaanse bariton Mark Rucker al
een paar maal in Luik, als Nabucco en Macbeth. Waar we hem voor die rollen
eigenlijk wat licht vonden, lijkt Rigoletto hem op het lijf geschreven.
Rucker weet alle gevoelens van dit complexe personage perfect te vertalen in
zijn zang. Op een iets lager niveau stonden Riccardo Zanellato, die als de
huurmoordenaar Sparafucile wat te kort kwam in de onderste regionen en
vooral de mezzo Helen Lepalaan, die vocaal een maatje te klein blijkt om een
geloofwaardige Maddalena neer te zetten.
Hoe dan ook, een prachtige uitvoering van een werk dat nooit ontgoochelt en
dat te Luik, vooral dankzij een schitterende dirigent, op verfrissende wijze
gebracht wordt.
U kunt nog gaan kijken in Luik (dagelijks tot
en met 28 maart), Charleroi (3 april) en Heerlen (9 april 2010). De
belangrijkste rollen zijn dubbel bezet.
Discover Opera Live zendt een opvoering van "Rigoletto" uit op Internet op
23 maart 2010 te 20 uur:
http://www.operalive.org/en/
H.D. (Gepubliceerd op 23/3/2010)
Foto's van boven naar onder:
1) Marc Rucker als Rigoletto.
2) Ensemble.
3) Marc Rucker als Rigoleto en Cinzia Forte als Gilda.
Copyright foto's
©
Jacques Croisier.
![]()