OPERA GAZET
![]()
“RITA OU LE MARI BATTU” & “IL CAMPANELLA DI NOTTE”.
We
zagen deze twee eenakters van
Gaetano Donizetti op 13 mei 2010 uitgevoerd door de Opéra Royal de
Wallonie in het Palais Opéra de Liège. Het gaat om twee kleinere en weinig
bekende werkjes van de componist die een mooi contrast vormen: waar “Il
campanello” sterk verwant is aan de Napolitaanse traditie van de “farsa”,
probeert Donizetti zich met “Rita” te introduceren als schrijver van een
“opéra-comique”. Desondanks werden de operaatjes gecomponeerd binnen een
tijdspanne van vijf jaar. Het komische is trouwens een aspect van
Donizetti’s werk dat wat onderschat wordt. Vandaag kennen we deze componist
vooral van een aantal serieuze werken zoals “Lucia di Lammermoor” of de
“Tudor-trilogie”, maar in werkelijkheid hebben 30 van de in totaal 72 werken
die hij schreef een komische inslag. Beste voorbeelden zijn “Don Pasquale”
en “La fille du régiment”.
Hoewel
“Rita ou
le mari battu”, het eerste werk van deze “double bill”, reeds in 1841
gecomponeerd werd op een libretto van Gustave Vaës, duurde het tot 1860, dus
jaren na Donizetti’s overlijden vooraleer het werk op 7 mei in première ging
in de Opéra-Comique te Parijs. Waarschijnlijk heeft dit te maken met de
houding van Donizetti zelf, die zich in 1841 volledig concentreerde op de
opera “Maria Padilla” en “Rita” eigenlijk op acht dagen tussen de
spreekwoordelijke soep en patatjes afwerkte. Nochtans is het werk erg
evenwichtig: drie personages die elk een aria hebben, iedereen zingt met
iedereen een duet en de opera eindigt met een terzet. De partituur is fris
en luchtig, maar mist wat ons betreft toch wat de inspiratie van andere
werken van Donizetti, “Don Pasuale” op kop. Eén aria van Beppe klinkt
misschien bekend in de oren omdat o.a. Juan Diego Florez het zingt (in de
Italiaanse vertaling): “Je suis joyeux”. Uiteraard koos de ORW voor een
uitvoering van de Franse versie van “Rita”, maar af en toe vonden we de
muziek zo typisch Italiaans dat het gebruik van het Frans ons een beetje
onecht over kwam.
Rita en Gasparo waren ooit man en vrouw maar denken van elkaar dat de ander
dood is. Rita is hertrouwd met Beppe, die door haar niet te best behandeld
wordt. Op een dag komt Gasparo toevallig in de herberg die Rita en Beppe
uitbaten. Beppe ziet zijn kans en eist van Gasparo dat hij zijn vrouw Rita
meeneemt. Er ontstaat een discussie en de heren besluiten om het lot te
laten beslissen wie met Rita opgescheept blijft. Het lot wijst Beppe aan,
die van Gasparo nog een paar tips meekrijgt hoe hij in de toekomst beter
zijn mannetje zal kunnen staan.
We vonden het artistieke niveau van deze uitvoering van “Rita” toch wel een
beetje beneden onze verwachtingen. De rol van Beppe ligt vrij hoog, zeker in
voornoemde aria. Het is ons dan ook onduidelijk waarom de ORW voor deze
partij een “toploze” tenor engageerde in de persoon van Aldo Caputo. Zeker,
hij is een goed acteur en ook op zijn zangstijl valt niets aan te merken,
maar bij de minste hoogte komt de stem onder druk te staan en dit gaat ten
koste van de intonatie. En wat te zeggen van de veteraan Alberto Rinaldi?
Met het beetje stem dat hem nog rest, lukt het nog juist om zich door deze
korte rol te werken, maar op geen moment is hij vocaal overtuigend. Kleine
anekdote: Rinaldi nam deze rol op voor de plaat in… 1965 ! Erg bescheiden
was ook de bijdrage van Priscille Laplace als een speelse Rita.
Gelukkig
werd één en ander rechtgezet in het tweede deel. “Il
campanello di notte”, op een libretto van Donizetti zelf, werd gecreëerd
op 1 juni 1836 in het Teatro Nuovo te Napels. Het is een echte farsa zoals
eigenlijk vooral Rossini ze kon schrijven: compact, spannend van het begin
tot het einde, met een tegelijk eenvoudige en hemelse muzikale begeleiding.
Vooral de twee baspartijen van Don Annibale en Enrico doen ons denken aan de
vroege werken van deze componist. Bovendien zitten er in de partituur een
paar knipoogjes naar Rossini: niet allen debiteert Enrico een stuk uit het
Wilgenlied uit het laatste bedrijf van “Otello”, wanneer hij kort voor het
slot de ingrediënten aframmelt die hij nodig heeft voor het recept van zijn
vrouw, lijkt dit verdacht veel op “Medaglie incomparabili” uit “Il viaggio a
Reims”. In elk geval hebben we tijdens deze opera goed gelachen, terwijl we
tijdens “Rita” geen spier konden vertrekken.
Don Annibale is zopas getrouwd met de véél jongere Serafina. Dit is niet
naar de zin van haar leeftijdsgenoot Enrico die haar voor zichzelf wilde.
Don Annibale moet de volgende ochtend zeer vroeg vertrekken, dus wil hij
tijdig aan zijn eerste huwelijksnacht beginnen. Hij heeft echter één
probleem: als apotheker is hij verplicht om zieken die bij hem aanbellen te
helpen. Enrico weet dit, en zal drie keer, telkens in een andere vermomming,
om hulp komen vragen zodat het uiteindelijk ochtend wordt zonder dat het
huwelijk geconsumeerd is.
Eigenlijk zijn in deze opera alleen de baspartijen van belang en daar heeft
de ORW het getroffen. Om te beginnen vonden we de bariton Massimiliano
Gagliardo onweerstaanbaar als Enrico. Hij wist tijdens de verkleedpartij
zowel scenisch als vocaal probleemloos drie duidelijk van elkaar
verschillende personages neer te zetten. Zijn spel was werkelijk hilarisch,
zoals het hoort in dit soort werken. De stem is niet uitzonderlijk (wel een
paar mooie topnoten) maar wordt verstandig aangewend. Enkel bij de snelste
coloraturen waren er een paar schoonheidsfoutjes, maar die deden niets af
aan de globale prestatie. Ook Domenico Colaianni als Don Annibale zorgde
voor mooie momenten, vooral in zijn aria aan het begin van de opera. Verder
waren zijn tussenkomsten eerder beperkt, we willen hem graag nog eens horen
in een rol waarin hij meer te zingen heeft. Priscille Laplace als Serafina
en Aldo Caputo als Spiridione, twee rollen van minder vocaal gewicht, waren
hier duidelijk veel beter op hun plaats dan in “Rita”.
Stefano
Mazzonis di Pralafera heeft de opera’s in licht gemoderniseerde vorm
geënsceneerd: zijn regie volgt trouw de libretti, maar hij situeert de
verhalen in de jaren ’50 van de vorige eeuw. Dit werkte wonderwel, hoewel we
graag gezien hadden dat de figuranten zich iets meer op de achtergrond
hielden zodat de aandacht van de toeschouwer minder afgeleid zou worden.
Leuk was ook dat het huwelijksfeest van Don Annibale en Serafina plaats vond
in het café van Rita…
Claudio Scimone is een naam die bij elke liefhebber van klassieke muziek een
belletje doet rinkelen. Als leider van “I Solisti Veneti” oogstte hij in het
verleden grote successen, vooral in het barokrepertoire. Helaas werden onze
indrukken die we formuleerden naar aanleiding van “La scala di seta” in
Pesaro vorige zomer alleen maar bevestigd. Scimone’s inbreng tijdens de
voorstelling beperkt zich tot het slaan van de maat. Bovendien zijn de tempi
die hij kiest of zo snel of zo langzaam dat hij het zijn zangers alles
behalve gemakkelijk maakt. We hadden hem liever af en toe het (mooi spelend,
maar wat te grote) orkest wat meer in toom zien houden zodat de zangers niet
overstemd zouden worden.
We kunnen het niet laten aan het einde van deze recensie even de advocaat
van de duivel te spelen. Was het voor “Rita” écht nodig om (waarschijnlijk
dure) buitenlandse gasten aan te trekken, die duidelijk niets toevoegden aan
de kwaliteit van de voorstelling? Zou Marc Laho geen mooie Beppe geweest
zijn? Zou iemand als Lionel Lhote geen schitterende Gasparo neerzetten? En
waarom iemand als Hendrickje Van Kerckhove of Ilse Eerens geen kans geven
als Rita?
Hoe dan ook een productie die getuigt van moed, maar helaas artistiek wat
tekort komt om werkelijk te overtuigen.
H.D. (Gepubliceerd op 17/5/2010)
Foto's van boven naar onder:
1) Rita ou le mari battu - Alberto Rinaldi als Gaspar, Aldo Caputo als Beppe en
Priscille Laplace als Rita.
2) Il campanella di notte - Domenico Colaianni als Don Annibale, Massimiliano
Gagliardo als Enrico en (boven op het bed) Priscille Laplace als Serafina.
3) Il campanella di notte -
Massimiliano Gagliardo als Enrico en Priscille Laplace als Serafina.
Copyright foto's
©
Jacques Croisier.
![]()
Opera
in een proloog en drie bedrijven van
Modest
Moussorgsky op een libretto van de componist zelf, naar een verhaal van
Pushkin. Het werk werd voor het eerst gespeeld op 21 januari 1874 in het
Mariinsky-Theater te Sint-Petersburg. We zagen op 20 juni 2010 een
uitvoering in de Opéra Royal de Wallonie.
Met deze productie van “Boris
Godounov” sluit de ORW haar eerste seizoen “extra muros”
af. Tijd dus
voor een kleine balans. Na een muzikaal hoogstaande “Samson et Dalila” die
ongelukkigerwijs doorging in een sporthal die op geen enkele manier kon
doorgaan voor een operazaal, werd voor de overige voorstellingen uitgeweken
naar het “Palais Opéra de Liège”. Deze tentconstructie, oorspronkelijk
ontworpen voor de opera van Venetië bleek met zijn redelijke akoestiek en
zijn gezellige aankleding een valabel alternatief voor een theater. Enkel de
vele geluiden van buitenaf (regen, ziekenwagens van het nabijgelegen
ziekenhuis, verkeer, …) bleken tijdens sommige voorstellingen een storende
factor. Voor het overige kregen we voorstellingen van een degelijke tot
goede kwaliteit in eerder traditionele ensceneringen zoals we dat de laatste
jaren gewoon zijn bij de ORW.
Voor de meeste opera’s van Moussorgsky is er een uitgebreide keuze aan
versies en orkestraties en bij “Boris Godounov”, de enige opera die hij
volledig afwerkte, is dit niet anders. Behalve twee versies die de componist
zelf samenstelde, is ook
Nikolai Rimski-Korsakov verantwoordelijk voor twee bewerkingen die tot
niet zo lang geleden zelfs de voorkeur genoten. De ORW koos voor zijn
productie de tweede versie van Moussorgsky zelf, die hij schreef omdat de
oorspronkelijke partituur geweigerd werd door de leiding van het keizerlijke
theater. Overigens is deze tweede versie niet zomaar een bewerking van het
origineel: door de ingrijpende wijzigingen kwam de klemtoon te verschuiven
van het personage van Boris naar het Russische volk. Bovendien werd met
Marina Mnishek in het derde bedrijf een vrouwelijk hoofdpersonage
geïntroduceerd wat de mogelijkheid bood voor een liefdesduet, maar wat de
opera ook meer deed afwijken van het originele verhaal van Pushkin. Helaas
werd dit derde bedrijf, de zogenaamde “Poolse akte”, in Luik geschrapt.
Regisseur Petrika Ionesco heeft een voorliefde voor spektakel en dat past
natuurlijk goed bij deze opera. Bij hem speelt het verhaal zich af tegen
modern vormgegeven muren die in pasteltinten beschilderd zijn met taferelen
uit iconen. Voordurend is er leven op de scène, waarbij de goede
personenregie (ook voor het koor) opvalt. Enkel het tafereel waar Boris de
geest van de vermoorde Dmitri ziet, vonden we een beetje overdreven: in de
kamer van Boris staat een graftombe die open valt en waaruit plotseling rook
ontsnapt. Wat kitscherig naar onze smaak.
Muziekdirecteur Paolo Arrivabeni heeft al vaker bewezen dat de ORW met hem
een goudhaantje binnenhaalde en ook in deze “Boris Godounov” bewijst hij het
orkest goed in de hand te hebben. Nochtans hebben we de indruk dat zijn
affiniteit met het Italiaanse repertoire groter is. Zo vonden we in het
orkestspel af en toe wat gebrek aan details en vooral in het eerste deel was
de balans tussen orkest en koor/solisten wat zoek.
Ruggero Raimondi die aangekondigd was voor de titelrol, moest voor de
voorstelling die wij zagen om gezondheidsredenen afzeggen zodat we een
volledig Russische cast kregen - wat zeker geen nadeel is. De meeste zangers
die naar Luik afzakten zijn gerelateerd aan het “Galina
Vishnevskaya Opera Centre” in Moskou en waren dus nog vrij jeugdig.
Nochtans waren de meeste prestaties naar onze smaak erg goed. Vooral
Alexey
Tikhomirov zette een overtuigende Boris neer. De stem is misschien iets
meer bas dan je voor die rol zou verwachten, maar heeft een groot pallet aan
kleuren en ondanks zijn jonge leeftijd weet Tikhomirov het personage
ongelooflijk gedetailleerd en genuanceerd uit te beelden. Enkel op de meer
dramatische momenten bleek de stem wat volume tekort te komen.
We konden ook
de tenor Sergey Drobichevski waarderen als Chouisky, de bojaar die er
eigenlijk op uit is om Boris te gronde te richten. De talrijke andere
solisten vonden we bevredigend zonder uitschieters, wat maakte dat de
voorstelling vooral een prima staaltje was van teamwork. Over het koor waren
we wat minder enthousiast: daarvoor waren toch wel wat veel ongelijke
inzetten.
We vonden deze “Boris Godounov” een niet onaardige voorstelling van een
groots repertoirewerk, een goede keuze als afsluiter van het eerste seizoen
op verplaatsing. We hebben bovendien grote waardering voor intendant Stefano
Mazzonis dat hij een jonge generatie beloftevolle zangers een kans geeft.
Laten we tenslotte hopen dat de ORW snel kan terugkeren naar het eigen
theater - opera in een tent blijft toch een noodoplossing…
Er zijn nog voorstellingen op 23 en 26 juni 2010, in principe met Ruggero Raimondi in de titelrol.
H.D. (Gepubliceerd op 23/6/2010)
Copyright foto's © Jacques Croisier.
![]()