OPERA GAZET
![]()
Azione
tragico-sacra in drie bedrijven van
Gioacchino
Rossini op een tekst van
Leone Andrea
Tottola naar de tragedie
“L’Osiride” van Francesco Ringhieri. Het werk werd voor het eerst opgevoerd in
het Teatro San Carlo te Napels op 5 maart 1819 en in een herwerkte versie op 7
maart 1819. We zagen een voorstelling in de opera van Zürich op 18 oktober 2009.
Hoewel
de Opera van Zürich er zich om beroemt elk jaar een ongeëvenaard aantal
premières te brengen, is Rossini nooit erg goed vertegenwoordigd geweest.
Behalve de obligate komische opera’s waren in recente tijden enkel “Semiramide”
(met Edita Gruberova) en “Guillaume
Tell” te horen. Deze productie van “Mosè
in Egitto” kwam dan ook een beetje als een verrassing, ook al omdat
het om één van de minst gespeelde ernstige werken van de componist gaat. Wij
konden tijdens de voorstelling die we bijwoonden alvast geen reden bedenken
waarom de opera niet vaker gespeeld wordt.
“Mosè in Egitto” zou gecreëerd worden in de vastentijd, en dat had zo z’n
consequenties: volgens de kerkelijke autoriteiten mochten in die periode geen
opera’s met een wereldlijk onderwerp gespeeld worden. Rossini diende dus de
obligate liefdesgeschiedenis, het centrale thema in zowat al zijn opera’s, te laten
afspelen tegen een Bijbelse achtergrond. Bovendien moest de verhouding tussen de
twee thema’s erg uitgebalanceerd zijn. De componist had in dezelfde
omstandigheden “Ciro in Babilonia” gecomponeerd, maar die opera (eigenlijk een
oratorium) wordt ruimschoots overklast door deze Mosè. Omdat Rossini zoals
steeds in tijdsnood verkeerde, leende hij niet alleen muziek uit zijn voorgaande
werken, maar liet hij de meeste aria’s schrijven door zijn medewerker
Michele
Carafa. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat de grote muzikale en
dramatische kracht in de door de meester zelf gecomponeerde ensembles ligt.
Later zal Rossini “Mosè in Egitto” zeer grondig herwerken tot “Moïse et Pharaon”,
waarbij de liefdesgeschiedenis nog meer naar de achtergrond verschuift en
daardoor ook het subtiele evenwicht in de opera verdwijnt.
De opera is los gebaseerd op de Exodus uit Egypte door de Israëlieten onder
leiding van Moses. De zoon van de Egyptische farao, Osiride, zorgt er voor dat
zijn vader steeds weer terug komt op zijn beslissing om de joden te laten
vertrekken. Hier speelt slechts zijn eigen belang: Osiride heeft een relatie met
de joodse Elcia en dreigt zijn geliefde te verliezen wanneer de joden het land
verlaten. Na elke weigering van de farao om zijn volk de vrijheid te schenken
aanroept Moses Jahweh om een plaag te laten neerdalen over Egypte. Uiteindelijk
zullen de joden erin slagen te ontsnappen door de Rode Zee, waarbij de Egyptenaren de verdrinkingsdood sterven.
De
aandachtige lezer zal al opgemerkt hebben dat deze verhaallijn menig hedendaagse
regisseurs doet watertanden: de confrontatie van godsdienstfanaten die niet
terugdeinzen om een gans volk als speelbal te gebruiken is vandaag de dag
actueler dan ooit. En hoewel we niet echt voorstander zijn van het moderne
regietheater, waren we vol bewondering voor het werk dat het regisseursduo
Patrice Caurier en Moshe Leiser in Zürich leverden. Zij vertellen het verhaal
van twee godsdienstfanaten (Mosè is een soort Bin Laden en de farao
verpersoonlijkt de westerse materialist) die over lijken gaan om hun grote
gelijk te halen. De beelden die ze daar bij gebruiken zetten de toeschouwer aan
het denken. We geven een paar voorbeelden. Wanneer de duisternis over Egypte
neerdaalt (één van de plagen) beelden Caurier en Leiser dit uit als de
beurscrash in de herfst van 2008. Wanneer Moses, na de belofte van de farao om
de joden te laten vertrekken, God vraagt om de plaag op te heffen, kan de
beursgekte opnieuw aanvangen. Aan het einde van het eerste bedrijf staan de
joden klaar in een luchthaven om te vertrekken. Wanneer het bericht komt dat de
farao nogmaals op zijn belofte is teruggekomen, beelden bomaanslagen de nieuwe
plaag uit die Jahweh over Egypte uitroept. En we kunnen zo nog lang doorgaan met
voorbeelden van geniale regievondsten die steeds te rijmen vielen met Rossini’s
muziek.
Belangrijker dan de regie is natuurlijk de muziek en ook wat dat betreft werden
we in Zürich in de watten gelegd.
Paolo
Carignani is misschien niet de grootste Rossini-dirigent en af en toe
hadden we een beetje meer lichtvoetigheid in de muziek gewenst. Maar hij brengt
de muziek met de panache die nodig is om de voorstelling voort te stuwen, iets
wat onontbeerlijk is bij Rossini en bij sommige misschien technisch meer
onderlegde dirigenten wel eens ontbreekt. Bovendien kwam Carignani in de
ensembles tot een perfecte balans tussen solisten en koor wat in een opera als “Mosè
in Egitto” natuurlijk een noodzaak is.
Michele
Pertusi gaf als farao (een rol die in de Franse versie bijna volledig
weggeschreven is) een les in belcantozang. Zijn confrontaties met de bas
Erwin Schrott, vocaal sterk maar toneelmatig wat minder geëngageerd,
waren beklijvend.
Als
Osiride hoorden we de tenor
Javier Camarena die deze partij met een groot aantal topnoten
moeiteloos de baas kon en wiens stem mooi contrasteerde met die van de andere
tenor, een vocaal eveneens perfecte
Reinaldo Macias. Enige reserve toch bij de dames:
Eva Mei,
een elegante Norina en een verfijnde Amina, is toch echt niet op haar plaats in
een rol geschreven voor
Isabella
Colbran. Vooral de diepere passages (Colbran leunde dicht aan bij wat
we vandaag een mezzosopraan noemen) zorgen voor wat problemen. Topprestatie ook
van de koren van de Zürichse Opera, die door Rossini een echte hoofdrol
toebedeeld kregen in deze schitterende “azione tragico-sacra”.
Een aanrader voor iedereen die van belcantomuziek houdt en daarbij meer wenst te
ervaren dan een gekostumeerd concert.
Er zijn
nog voorstelling op 20 en 23 oktober 2009.
H.D.
(Gepubliceerd op 20/10/2009)
Foto's van boven naar onder:
1) Michele Pertusi, Chor der Oper Zürich, Figuranti speciali.
2) Javier Camarena, Michele Pertusi, Chor der Oper Zürich.
3)
Reinaldo Macias, Erwin Schrott, Chor der Oper Zürich.
Copyright foto's
© Opernhaus Zürich
TERUG NAAR KEUZELIJST ZWITSERLAND
![]()