OPERA GAZET
![]()
Opera
in vier bedrijven van
Giuseppe Verdi
op een libretto van Antonio Somma, gebaseerd op een tekst die
Eugène Scribe schreef voor Auber. De première vond plaats in het
Teatro Apollo te Rome op 17 februari 1859. We woonden op 30 oktober 2009 een
voorstelling bij in de Deutsche Oper
te Berlijn.
Ze
boffen toch maar, die Berlijners. Op de avond dat wij deze met sterren bezette
voorstelling van “Un ballo in maschera” bijwoonden in de Deutsche Oper, speelde
in de Staatsoper unter den Linden een andere opera van Verdi, “Simon Boccanegra”
met in de titelrol een zekere Placido Domingo. Om maar te zeggen voor welke
verscheurende keuzes een recensent kan komen te staan. Dat we uiteindelijk
opteerden voor de Deutsche Oper is vooral een kwestie van smaak. Al zal een
groot deel van de lezers het hier niet mee eens zijn, we houden persoonlijk meer
van de muziek die Verdi voor “Un ballo in Maschera” schreef. Bovendien maken we
wat voorbehoud bij de bezetting van een baritonrol door een “tenor-op-jaren”.
Het libretto van Scribe gaat over de waargebeurde moord op koning Gustav III van
Zweden tijdens een gemaskerd bal. Het motief voor de moord, dat van politieke
aard was, werd omgewerkt tot een liefdesgeschiedenis. Het gegeven zorgde echter
voor problemen met de censuur: het was ondenkbaar een moord op een lid van een
bestaand koningshuis op het toneel te brengen. Verdi en Somma beslisten daarom
de handeling te verplaatsen naar Boston in de nieuwe wereld. Tegenwoordig is het
meer en meer de gewoonte om het verhaal toch in een Zweedse versie te spelen.
Veel rol speelt dit eigenlijk niet: enkele de namen van de personages en enkele
woorden in de gezongen teksten moeten hiervoor aangepast worden.
De productie van
Götz
Friedrich die we in de Deutsche Oper zagen dateert al van 1993, maar
straalt nog steeds een zekere frisheid uit. Voor Friedrich is “Un ballo in
maschera” één grote verkleedpartij, die al begint tijdens het voorspel wanneer
Gustav/Riccardo en zijn page Oscar al een soort maskerade opvoeren. We kunnen de
gedachtegang van de regisseur moeiteloos volgen: eigenlijk draait alles in deze
opera om verkleden: uiteraard het bal aan het einde van de avond, maar ook het
bezoek aan Ulrika is een verkleedpartij, in het tweede bedrijf vermomt Amelia
zich om niet herkend te worden door Anckarström/Renato enzovoorts.
Op het einde
van de opera bereikt deze verkleedpartij zijn apotheose, wanneer Gustav/Riccardo
een pak draagt dat verwijst naar Canio uit “Pagliacci”. Deze visie, die ons een
ganse avond kon boeien, speelde zich af in een gevarieerd maar van alle
overbodige franje ontdaan decor van Gottfried Pilz en Isabel Ines Glathar, dat
voor elk tafereel de juiste sfeer wist op te roepen. Vooral de balscène maakte
op dat punt indruk.
Een boeiende enscenering is natuurlijk meegenomen, maar wat ons betreft draait
het bij een operavoorstelling toch vooral om de zangers en op dat punt was onze
voldoening zo mogelijk nog groter. Om te beginnen was er de Argentijnse tenor
Marcelo Alvarez
als een buitengewoon mooie en poëtische Gustav/Riccardo. De vocale verfijning
van deze schitterende zanger kan moeilijk met woorden omschreven worden, zoiets
moet je zelf horen. Zijn interpretatie is gevarieerd en subtiel en zijn
vertolking van “Di tu se fedele” is zonder meer de mooiste vertolking die we
ooit van die aria hoorden. Misschien mist zijn stem wat metaal in de iets
dramatischer momenten, maar dat maakt zijn prestatie niet minder gedenkwaardig.
De Russische bariton
Dmitry Hvorostovsky,
die door het publiek al toegejuicht werd bij zijn eerste verschijning, leverde
als Anckerström/Renato ook een topprestatie, zij het op een andere manier: hij
beschikt over een genereus, mooi getimbreerd stemgeluid dat hij graag aanwendt
om indruk te maken op zijn publiek. Helaas vertrouwt hij iets te veel op de
schoonheid van zijn stem, waardoor hij het nalaat een personage te vertolken.
Mooie prestatie ook van de sopraan Angela Marambio, nochtans niet erg
geflatteerd door de kostuums die ze diende te dragen, als Amelia. Met haar
stemomvang en zekere hoogte is ze één van de weinige echte Verdi-sopranen bij de
jongere generatie zangers en we verwachten dan ook dat we in de toekomst nog van
deze Chileense zullen horen.
Ewa Wolak was een Ulrika met een indrukwekkende laagte.
De rest van
de solisten waren leden van het gezelschap van de Deutsche Oper. We onthouden
daarvan vooral de mooie prestatie van Heidi Stober als een levendige en vocaal
zekere page Oscar. Beide bassen, Ante Jerkunica als Ribbing/Sam en Lucas Harbour
als Horn bleven een beetje op de achtergrond bij de sterke vocale prestaties van
hun collega’s, net als Nathan Meyers in de rol van Christian/Silvano.
We hadden onze tekst hier graag beëindigd, maar helaas moeten we ook nog het
orkest van de Deutsche Oper vermelden. De aanwezigheid van de Italiaanse
dirigent Marco Armiliatio had onze verwachtingen hoog gesteld, maar helaas:
zelden hoorden we een orkest een partituur zo on-Verdiaans en on-Italiaans
vertolken.
Ondanks de mindere prestatie van het orkest was dit een voorstelling die ons nog
lang zal heugen en die nog enkel overgedaan wordt op 5 november 2009.
H.D
(Gepubliceerd op 3/11/2009)
Foto's van boven naar onder:
1) Ewa Wolak als Ulrike.
2)
Marcelo Alvarez als Gustav en Hedi Stober als Oscar.
3)
Marcelo Alvarez als Gustav en Hedi Stober als Oscar.
Copyright foto's ©
Bettina Stöß
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()
Opera
van Hermann Wolfgang von Waltershausen (muziek en libretto) naar Honoré de
Balzac's “Comtesse à deux maris”. Wereldcreatie te Frankfurt am Main op 18
januari 1912. Première in de Deutsche Oper Berlin op 26 maart 2010 in half
concertante vorm. Bezochte voorstelling op 28 maart 2010.
Rekening houdend met de uiterst interessante
kwaliteit van dit werk van H. W. von Waltershausens (1882-1954) begrijpen
wij niet dat deze opera sinds vele jaren niet meer op de planken verschenen
is. Nochtans kende het werk kort na zijn première heel wat opvoeringen.
Zelfs in Antwerpen werd deze opera gespeeld (in het Nederlands) in januari
1914.
Chabert die met zijn regiment een veldslag won in Pruisen werd zwaar
gekwetst en zijn naam werd vermeld op de lijst van overleden slachtoffers.
Zijn echtgenote Rosine huwde dan graaf Farraud. Chabert is echter niet dood
en kan zich redden uit een massagraf. Dan wordt hij opgenomen in een
krankzinnigengesticht. Wij willen het vervolg en het slot niet kenbaar maken
om bezoekers van eventuele latere voorstellingen langer in spanning te
houden.
In deze half concertante uitvoering hadden de zangers de partituur in de
hand. Een vijftal stoelen stonden op de scène. Op een groot scherm kon men
de zangers sterk uitvergroot zien evolueren. Het Orchester der Deutschen
Oper Berlin onder de leiding van Jacques Lacombe zorgde naar onze bescheiden
mening wel voor te veel decibels. De summiere scenische inrichting was
verzorgd door Bernd Damovsky.
Uitstekend
waren de zangsolisten die allen over prachtige stemmen beschikten. De
bariton Bo Skovhus schitterde in de titelrol. Dit was eveneens het geval
voor de tenor Raymond Very als graaf Farraud en de sopraan Manuela Uhl die
wij vaak aan het·werk zagen te Kiel en die hier de rol van Chabert's
echtgenote Rosine vertolkte. De bariton Simon Pauly nam de rol van de
advocaat voor zijn rekening en de kernachtige bas Stephen Bronk zong de rol
van Godeschal, een vroegere korporaal in het leger van Napoleon. Tenslotte
was er nog de tenor Paul Kaufmann als een bediende bij Dervilles.
Wij hopen ooit een scenische versie te zien van dit muzikaal prachtig werk.
W.V. (Gepubliceerd op 3/4/2010)
Foto's van boven naar onder:
1) Bo Skovhus als Chabert, Paul Kaufmann als Boucard en Stephen Bronk als
Godeschal.
2) Bo Skovhus als Chabert, Paul Kaufmann als Boucard en Stephen Bronk als
Godeschal.
Copyright foto's ©
Marcus Lieberenz.
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()
Opera van Christoph Graupner (muziek) en
Hinrich Hinsch (libretto). Wereldcreatie in de Gänsemarkt Oper te Hamburg in
1707. Bezochte semiscenische uitvoering in het Konzerthaus te Berlijn op 15
april 2010.
De thans bijna onbekende componist
Christoph
Graupner werd in 1683 geboren te Kirchberg en overleed in 1760 te Darmstadt.
Onder de leiding van Reinhard Keiser was hij vaak aan de slag te Hamburg. De
werken van Keiser verschijnen in Duitsland nog geregeld op de planken iets
wat men niet kan zeggen van de opera's van Graupner, terecht trouwens, want
de uitvoering die wij bijwoonden was ver van boeiend.
Het verhaal kennen wij van verschillende andere opera’s, waarvan “Les
Troyens” van Berlioz en “Dido and Aeneas” van Purcell de meest bekende zijn.
Wij zijn de mening toegedaan dat in plaats van deze summiere semiscenische
uitvoering van Kristine Gerhard, een volledige concertante uitvoering de
opera meer tot zijn recht had laten komen.
Het orkest dat de partituur van dit weinig revelerende werk verklankte in de
prachtige zaal van het Konzerthaus te Berlijn, was het Elbipolis
Barockorchester Hamburg dat onder de leiding stond van onze landgenoot
Florian Heyerick. De rolbezetting was van wisselvallige kwaliteit en bestond
uit vier sopranen: Salomé HalIer als Dido, Jutta Böhnert als Anna, Dido’s
zuster, Anna Prohaska als Juno, Venus en Iras en Doerthe Maria Sandmann als
Menalippe.
De mannelijke zangsolisten waren de tenors Colin Balzer als Aeneas en Thomas
Volle als Achates; de bariton Holger Falk als Juba en de basbariton Nils
Cooper als Hiarbas.
W.V. (Gepubliceerd op 22/4/2010
Foto: Florian Heyerick.
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()
Opéra
bouffe in drie bedrijven van
Emmanuel Chabrier op een libretto van Eugène Leterrier en Albert Vanloo.
Het werk kende zijn eerste uitvoering op 28 november 1877 in
Théâtre des Bouffes-Parisiens te Parijs. We waren op 30 mei 2010
aanwezig bij een voorstelling in de Deutsche Staatsoper te Berlijn.
Chabrier
was in zijn tijd een gevestigde waarde, getuige ook het feit dat hij
vereeuwigd werd door impressionisten als Degas (“L’Orchestre”) en Latour
(“Autour du piano”). Verder genoot hij aanzien bij vele collega’s zoals
Francis Poulenc, Vincent d’Indy en Claude Debussy. Behalve “Gwendoline”, een
opera in de stijl van Wagner, schreef Chabrier twee komische werken, een
genre dat hem duidelijk lag. Zijn totale output is overigens erg beperkt,
omdat componeren voor Chabrier geen hoofdbezigheid was. Helaas is de
componist vandaag nagenoeg vergeten. Enkel “L’étoile” lijkt de laatste jaren
opnieuw af en toe opgevoerd te worden, met recente producties in o.a. de
Opéra-Comique te Parijs en in het Grand Théâtre de Genève. We hebben
waardering voor de Berlijnse Staatsoper dat zo’n typisch Frans werk op het
repertoire genomen werd.
“L’étoile”
was bij de première niet meteen een groot succes. Het werk werd geschreven
voor het boulevardtheater dat voor en door Offenbach opgericht werd en
waarvan het orkest niet vertrouwd was met ingewikkelde partituren zoals die
van Chabrier. Bovendien was de smaak van het publiek ondertussen geëvolueerd
en lag de bijtende humor die zo typisch was bij Offenbach en even sterk
aanwezig is bij Chabrier, niet meer zo goed in de markt. In elk geval is
“L’étoile” een erg goed in het oor liggend, melodieus werk vol mooie aria’s
en ensembles en hilarische situaties. Offenbach zelf zou het niet beter
gekund hebben.
Koning Ouf I laat traditioneel op zijn naamdag iemand executeren ter
verstrooiing van zijn onderdanen. Dit jaar is zijn oog gevallen op de jonge
man Lazuli, maar wanneer zijn astroloog Siroco meldt dat het lot van de
koning onlosmakelijk verbonden is met dat van Lazuli en dat beiden op
dezelfde dag zullen sterven, laat Ouf de executie afgelasten. Dit is niet
het enige probleem van de koning: Lazuli is verliefd geworden op Laoula, die
eigenlijk als bruid bestemd is voor Ouf zelf. Wanneer Lazuli dreigt om
zelfmoord te plegen als hij niet verenigd wordt met Laouli, zwicht koning
Ouf. Eind goed al goed. Uiteraard wordt deze plot nog gekruid met de nodige
persoonsverwisselingen en misverstanden.
Regisseur
Dale
Duesing, bij vele allicht bekend van de vele rollen die hij als bariton
zong in de Brusselse Munt, zorgde voor een spetterende enscenering.
Uiteraard is een “klassieke” enscenering uit den boze in een zichzelf
respecterend Duits theater, dus werd de actie verplaatst naar het
hedendaagse hotel “L’étoile”. Voor de rest bleef Duesing echter volledig
trouw aan het verhaal en zorgde hij voor een flitsende personenregie die de
voorstelling aan sneltreinvaart voortstuwde – net wat het werk nodig heeft.
Ook zie je aan de timing van bepaalde handelingen duidelijk dat Duesing zelf
zanger was en dus weet wat wel en wat niet kan voor een solist. In elk geval
beleefden we een boeiende, hilarische voorstelling die we niet vlug zullen
vergeten.
De grootste fout die een theater kan maken wanneer het een opera als
“L’étoile” wil opvoeren, is beknibbelen op de solisten. Dergelijk werk komt
alleen goed tot zijn recht wanneer alle rollen bezet zijn met volwaardige
operastemmen. En dit is het tweede punt waarop de Staatsoper Berlin sterk
scoorde. Om te beginnen was er
Magdalena Kozena als
Lazuli. Zelden zagen we een dame zo overtuigend een mannenrol spelen en ook
vocaal zat het allemaal snor: een genereus timbre, voldoende volume om het
grote theater te vullen en een perfecte techniek. Jean-Paul Fouchécourt
heeft niet dezelfde kwaliteiten, zijn stem is erg klein, maar hij is als
geen ander vertrouwd met dit soort rollen en weet met zijn slanke tenorstem
gecombineerd met een onfeilbaar gevoel voor humor op onvergetelijke wijze
gestalte te geven aan koning Ouf I. We konden ook genieten van de bariton
Giovanni Furlanetto die als de astroloog Siroco eerder weinig te zingen had.
Juanita Lascarro was een verdienstelijke Laoula, en Douglas Nasrawi acteerde
de pannen van het dak als Hérisson de Porc Epic.
De
Staatskapelle Berlin stond onder de leiding van Sir Simon Rattle, de
echtgenoot van Magdalena Kozena. Hij wist al de kwaliteiten van Chabrier’s
muziek uitvoerig in het voetlicht te plaatsen en stuwde zijn orkest voort
met dezelfde “schwung” die ook in de regie aanwezig was. Als toemaatje
speelde Rattle tussen het eerste en het tweede bedrijf “Souvenir de
Munich-Poule”, een kort orkestraal werk van Chabrier, dat ons eens te meer
overtuigde van de kwaliteiten van de componist.
We kunnen de opera “L’étoile”, en bij uitbreiding deze productie van de Berlijnse Staatsoper, warm aanbevelen aan eenieder die uit is op een avondje schitterende muziek en amusement van de bovenste plank.
H.D. (Gepubliceerd op 3/6/2010)
Foto's van bovan naar onder:
1) Magdalena Kozena als Lazuli.
2) Stella Doufexis als Aloès, Juanita Lascarro als Laoula en Magdalena
Kozena als Lazuli.
3) Jean-Paul Fouchécourt als Ouf I, Magdalena Kozena als Lazuli en Giovanni
Furlanetto als Siroco.
Copyright foto's ©
Monika Rittershaus.
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()