OPERA GAZET
![]()
In
de Oper Frankfurt woonden we op 31 oktober 2009 een opvoering bij van deze twee
minder bekende en daarom ook minder beminde werken. We vonden de voorstelling
vooral muzikaal erg interessant en hopen dat er nog vaker dergelijke originele
combinaties van eenakters gespeeld zullen worden. Het hoeft wat ons betreft niet
altijd “Pagliacci” en “Cavalleria Rusticana” te zijn.
Regisseur Sandra Leupold heeft getracht in haar enscenering een visie te
ontwikkelen die op beide werken toegepast kan worden zodat in hetzelfde decor
gespeeld kan worden. In haar interpretatie zijn de twee opera’s een soort van “reality”
televisie, waarbij personen in een specifieke situatie gezet worden en hun
emotionele reactie op de gebeurtenissen uitvergroot worden voor het grote
publiek (het koor). Het regieteam is er bovendien niet vies van om af en toe een
handje (of een rekwisiet) toe te steken om de boel te manipuleren. De
“verliezer” wordt dan aan het einde aan een soort moderne schandpaal
vastgemaakt, of in het geval van “Le Villi”, gelyncht door het publiek dat alle
zin voor relativeren verloren heeft. We konden Leupolds visie, hoewel niet echt
origineel, tot op zekere hoogte waarderen. Helaas vonden we de manier waarop één
en ander uitgewerkt werd op het toneel een stuk minder geslaagd: tribunes die in
stukken breken en op een draaiplatform ronddraaien of idioot dansende koristen
zijn maar een paar elementen die een gebrek aan goede ideeën verraadden.
“L’Oracolo” is een compositie van
Franco Leoni
op een tekst van Camillo Zanoni naar een verhaal van Chester Bailey Fernald en
werd voor het eerst opgevoerd in Covent Garden op 28 juni 1905. Het werk is
zowel thematisch als muzikaal typisch veristisch. De opera kende een tijdje
succes met de bariton Antonio Scotti in de hoofdrol en werd vervolgens vergeten.
Halfweg de jaren zeventig werd het werk door Decca op plaat vastgelegd met Joan Sutherland en Tito Gobbi in de belangrijkste partijen. Het verhaal
speelt zich af in Chinatown, Chicago, omstreeks 1900.
De opiumhandelaar Cim-Fen
wil zich graag opwerken in de maatschappij, maar wordt niet aanvaard door het
“establishment”. Wanneer hem de hand geweigerd wordt van Ah-Joe, het nichtje van
de rijke koopman Hu-Tsin, ontvoert hij Hu-Tsins zoontje. San-Lui, de geliefde
van Ah-Joe ontdekt het kind bij Cim-Fen en wordt door deze laatste vermoord.
San-Lui’s vader Uin-Sci wreekt zijn zoon en doet zo de voorspelling van het
orakel in vervulling gaan dat twee mannen zouden sterven en dat één ziel naar de
hemel zou gaan en de andere naar de hel.
“Le Villi” is de eerste opera van
Giacomo Puccini en werd gecreëerd op 31 mei
Het orkest van de Frankfurtse Opera kon zich onder leiding van Stefan Solyom
uitleven in muziek die blijkbaar beter aansluit bij de esthetiek van een Duits
orkest dan de partituren van sommige andere Italiaanse componisten die we nog
recentelijk op teleurstellende wijze hoorden vertolken. We genoten ook van de
prestaties van de solisten, waarvan de belangrijksten in beide opera’s zongen.
Zo was
Annalisa Raspagliosi
een erg mooie Ah-Joe, en een gepast dramatische Anna met een wel erg aangenaam
timbre. De Uruguayaanse tenor Carlo Ventre kon zijn bronzen stem de vrije loop
laten in de rollen van San-Lui en, meer nog, Roberto. Peter Sidhom was vocaal
perfect als de slechterik Cim-Fen, maar de lyriek van Puccini ligt hem duidelijk
minder wat in zijn aria in “Le Villi” duidelijk werd. De overige kleinere rollen
in “L’Oracolo” werden goed bezet met leden van het ensemble van de Frankfurtse
Opera, met vooral een uitmuntende Katharina Magiera als Hua-Qui en een imposante
Ashley Holland als Uin-Sci.
Hoewel geen van beide opera’s meesterwerken genoemd kunnen worden, kunnen ze een
publiek toch boeien, getuige de ovatie van een enthousiast publiek.
Er zijn nog
voorstellingen op 5, 8, 13 november 2009, 3, 8 en 17 april 2010.
De Vlaamse
Opera voert “Le Villi” trouwens concertant op in Gent op 20 november 2009 en te Antwerpen
op 22 november 2009.
H.D. (Gepubliceerd op
4/11/2009)
Foto's van boven naar onder:
1) L'Oracolo -
Marcus Hosch, Ingrid El Sigai, Chor, Kinderchor und Statisterie der Oper
Frankfurt
2)
L'Oracolo - Peter Sidhom (Cim-Fen), Katharina Magiera (Hua-Quî), Statisterie der
Oper Frankfurt.
3)
Le Villi - Annalisa Raspagliosi (Anna), Carlo Ventre (Roberto)
Copyright foto's
©
Wolfgang Runkel.
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()
Opera
in drie bedrijven van
Erich Wolfgang Korngold
op een tekst van Paul Schott, vrij gebaseerd op “Bruges-la-morte” van
Georges Rodenbach. De
opera werd voor het eerst uitgevoerd op 4 december 1920 gelijktijdig in het
Stadttheater te Hamburg en de Oper Köln. We waren op 10 december 2009
aanwezig bij een voorstelling in de Oper Frankfurt.
Het
leven van Korngold kent een aantal parallellen met dat van Mozart: ook hij
werd bestempeld als wonderkind en reisde samen met zijn vader, de gevreesde
muziekcriticus Julius Korngold, de Europese concertpodia af. Daar eindigt
helaas de gelijkenis: waar Mozart een aanzienlijk oeuvre van overwegend
grote kwaliteit heeft achtergelaten, heeft Korngold de verwachtingen nooit
echt waar kunnen maken. Wat de opera betreft componeerde hij slechts een
viertal werken waarvan er slechts twee, “Violanta” en “Die tote Stadt”,
succesvol waren. Het tweede deel van zijn carrière bracht Korngold door in
Hollywood, waar hij een zekere reputatie verwierf met het schrijven van
filmmuziek.
De muziek van Korngold is modern maar tegelijk wijkt de componist niet af
van de tonaliteit, zodat zijn werk vaak dichter aanleunt bij Richard Strauss
of zelfs Giacomo Puccini dan bij bvb Franz Schreker. Wel heeft Korngold wat
neiging naar het bombastische, wat tot uiting komt in de, hoewel meesterlijk
uitgevoerde, soms wat zware orkestratie. Bij een opera als “Die tote Stadt”
zorgt dit enerzijds voor een spannende partituur, maar anderzijds krijgen de
zangers het moeilijk om zich vocaal boven deze sterke orkestklanken te
verheffen.
Het succes van “Die tote Stadt” is ongetwijfeld niet alleen te danken aan de
schitterende muziek van Korngold, maar ook aan het onderwerp: 1920 is kort
na de eerste wereldoorlog en in die periode moesten velen het verlies van
een geliefde en andere trauma’s verwerken. Dat het werk vanaf de jaren ’30
van de affiche verdween heeft een andere reden: na de opkomst van het
nationaalsocialisme in Europa werd de muziek van een componist met Joodse
“roots” moeilijk uitvoerbaar.
Het verhaal beschrijft eigenlijk het verwerkingsproces van Paul bij het
overlijden van zijn vrouw Marie, bij het begin van de opera toch al enkele
jaren geleden. Desondanks heeft Paul nog steeds een mausoleum met een
portret en een haartres van Marie. Paul vertelt zijn vriend Frank dat hij
een vrouw gezien heeft die als twee druppels water lijkt op Marie en dat hij
deze dubbelgangster bij hem heeft uitgenodigd. Frank raadt zijn vriend aan
het verleden te vergeten en opnieuw te beginnen leven. De vrouw, die een
rondreizende danseres met de naam Mariette blijkt te zijn, komt inderdaad op
bezoek en nodigt Paul uit op een voorstelling van haar toneelgezelschap.
Wanneer ze vertrekt vergeet ze haar paraplu. Paul valt in slaap en heeft
twee dromen: eerst van de toneelgroep van Mariette die een passage uit
“Robert le Diable” van Meyerbeer uitvoeren en waarbij dode nonnen opnieuw
tot leven gewekt worden. Vervolgens is hij, nog steeds in een droom, getuige
van een poging van Mariette om alle sporen van Marie uit te wissen. Dit
maakt hem zo woedend dat hij Mariette wurgt met Marie’s haarlok. Wanneer
Frank opnieuw op bezoek komt zegt Paul dat hij het verleden achter zich laat
en Brugge verlaat. Wanneer Mariette haar paraplu komt halen stuurt Paul haar
weg.
We zagen al eerder in Essen een productie van “Der Rosenkavalier” van de
hand van Anselm Weber en net als toen zijn we erg te spreken over het
resultaat. Het verhaal speelt zich af tussen hoge muren. Het enige decorstuk
is een kubus die langs de vier zijkanten open kan en waarin zich het schrijn
van Marie bevindt – in deze moderne visie bestaat dat vooral uit
beeldschermen die videofilms met Marie afspelen. Verder maakt Weber enkel
gebruik van wat luiken in de vloer tijdens het tafereel met de toneelspelers
en een aantal deuren in de muren waarin onder andere de verschijning van
Marie tijdens Paul’s droom te zien is. Deze relatief eenvoudige setting
focust de toeschouwer volledig op de personages. We vonden ook een aantal
invalshoeken van Weber interessant: zo wordt Marietta niet vermoord door
Paul zelf, maar door een tiental kopieën van Marie. Bepaalde taferelen
worden ook met een videocamera opgenomen en gelijktijding afgespeeld met
groot effect. Maar het belangrijkste pluspunt van deze regie is ongetwijfeld
de subtiele personenregie.
Bij de Duiste tenor
Klaus Florian Vogt is
Paul een fanatieke zonderling – je kunt je afvragen wat een mooie vrouw als
Marie in hem zag – die langzaam een metamorfose ondergaat, een evolutie die
hij op geloofwaardige manier weet te vertolken. Maar zijn scenische
prestatie wordt nog overtroffen door zijn muzikale bijdrage. De
aartsmoeilijke partij vraagt een tenor die niet alleen over een aanzienlijk
volume beschikt, maar ook een sterk hoog register heeft. Vogt benadert de
rol vanuit een belcantoperspectief: enerzijds zingt hij zonder zich te
forceren, zijn stem lijkt soms wel te “drijven” op de muziek. Anderzijds
weet hij de hogere passages te brengen met schitterende "messa-di-voce" en
falsetto-klanken. Een grootse vocale prestatie die door een dankbaar publiek
erg gewaardeerd werd, al hadden we de indruk dat deze rol voor Vogt, van
nature een lyrische tenor, toch wat op het randje van de mogelijkheden ligt.
Het contrast met de Marietta van de Russische sopraan
Tatiana Povlavskaya kon
dan ook moeilijk groter zijn. De dame beschikt over een klok van een stem
die ze echter volledig weet te beheersen, wat zeker nodig was in passages
met Paul. Deze ongelijkheid in vocale benadering van beide personages leidde
echter helemaal niet tot een onevenwicht in de opera – in tegendeel, het had
een positieve bijdrage aan de dramatische spanning binnen de opera. De
andere rollen zijn eerder kort, met een schitterend lyrische Michael Nagy
als Frank – zijn aria in het tweede bedrijf was één van de vele hoogtepunten
van de avond. Verder hoorden we onder andere Hedwig Fassbaender als Paul’s
huishoudster Brigitta en Hans-Jürgen Lazar als graaf Albert.
Uiteraard zou ons geluk niet compleet geweest zijn zonder de prachtige
prestatie van
Sebastian Weigle aan het
hoofd van het orkest van de Frankfurtse Opera. Hij laat de muziek ademen en
schitteren zonder enige brutaliteit, dit laatste in tegenstelling tot bepaalde van zijn collega’s.
Kortom, een onvergetelijke opera-avond die enkel nog overgedaan wordt op 17
en 20 december 2009.
H.D.
(Gepubliceerd op 13/12/2009)
Foto's van boven naar onder:
1) Tatiana Pavlovskaya (Marietta / Marie) en Klaus Florian Vogt (Paul).
2) Tatiana Pavlovskaya (Marietta / Marie) omgeven v.l.n.r. door Alan Barnes
(Gaston), Julian Prégardien (Victorin), Anna Ryberg (Juliette), Jenny
Carlstedt (Lucienne), Michael Nagy (Fritz) en Ensemble.
3) Klaus Florian Vogt (Paul), Michael Nagy (Frank) en Tatiana Pavlovskaya
(Marietta / Marie, op de schermen).
Copyright foto's
©
Barbara Aumüller
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()
Bucolische
tragedie in één bedrijf van
Richard Strauss op een libretto van Joseph Gregor naar o.a. Ovidius’
“Metamorfosen”. De creatie vond plaats in de Dresdener Semperoper op 15
oktober 1938. De muzikale leiding lag toen in de handen van Karl Böhm, aan
wie de componist het werk opdroeg. We woonden op 28 maart 2010 in de Oper
Frankfurt de première bij van een nieuwe productie.
Na
de dood van
Hugo von Hofmannsthal moest Strauss op zoek naar een nieuwe librettist.
Uiteindelijk kwam hij terecht bij de Oostenrijkse cultuurhistoricus Joseph
Gregor waarmee de componist samenwerkte voor zijn laatste drie werken.
Hoewel Gregor’s teksten zeker niet minderwaardig zijn, wekten ze bij Strauss
nooit dezelfde vorm van inspiratie op als de libretti van von Hofmannsthal.
In het geval van “Daphne” moest Gregor overigens twee keer opnieuw aan zijn
libretto werken alvorens Strauss tevreden was.
“Daphne”
is zeker niet Strauss’ beste werk, maar de partituur kent toch en aantal
momenten van intense schoonheid en Richard Strauss blijft natuurlijk een
fenomenaal orchestrator. Zo denken we aan de drie soloscènes van Daphne of
de transformatiemuziek die van een ongekende muzikale schoonheid zijn.
Ondanks de grote instrumentale bezetting blijft de muziek bovendien erg
transparant en de expressionistische uitbarstingen uit de vroegere werken
komen niet voor. Dit alles maakt dat het werk misschien wat minder diepgang
heeft dan andere opera’s van Strauss, maar een grotere melodieuze rijkdom
bevat. Het was overigens ook op dit punt dat de voorstelling in de Oper
Frankfurt de hoogste toppen bereikte: dirigent Sebastian Weigle creëerde met
zijn orkest werkelijk de prachtigste klankbogen. Het kleinste detail in de
muziek maakte hij hoorbaar. En de ganse voorstelling werd gedirigeerd met
een voorbeeldig respect voor de zangers die op geen enkel moment moeite
moesten doen om zich hoorbaar te maken. Werkelijk een glansprestatie die ons
deed denken aan de opvoering van “Die tote Stadt” die we enkele maanden
geleden in hetzelfde theater zagen en recenseerden.
Regisseur
Claus Guth koos voor een moderne maar sluitende enscenering. Hij vertelt het
verhaal vanuit het standpunt van een oudere vrouw die terugkeert naar een
oud, vervallen gebouw en zo aan haar jeugd herinnerd wordt. Guth ontdoet het
verhaal van alle symboliek. Daphne woont in een wereld waar zij misbruikt
wordt door haar vader en waar andere mannen als Leukippos enkel uit zijn op
haar lichaam. Wanneer ook Apollo, die ze eerst voor haar verlosser houdt,
via leugens in haar leven is binnengedrongen trekt ze zich terug in een
soort fantasiewereld.
Richard Strauss maakt het zijn zangers niet steeds gemakkelijk en dat geldt
dan zeker voor de twee tenoren die gestalte moeten geven aan Apollo en
Leukippos. Helaas was
Lance Ryan, die voorzien was de aartsmoeilijke partij van Apollo te
zingen, enkele uren voor de voorstelling ziek gevallen. Hij werd zo goed en
zo kwaad als dat ging opgelapt, maar het zou dan ook oneerlijk zijn hem op
zijn prestatie te beoordelen. Laat het volstaan te stellen dat we door
hetgeen we hoorden zin kregen om hem een keer terug te horen in volle
glorie. Daniel Behle was wel in topvorm als Leukippos, waarbij hij niet
alleen de moeilijkheden van zijn rol overwon, maar ook nog een geloofwaardig
personage neerzette. Misschien op een iets minder niveau dan de anderen was
de bas Matthew Best als Peneios. Zijn stem komt wat te diep uit de keel en
vertoont een eerder storend vibrato in de luidere passages. Perfect bezet
waren de kleinere rollen met vooral Tanja Ariane Baumgartner als Gaea,
Daphne’s moeder en Nina Tarandek als één van de maagden.
Grote
triomfator van de avond was zeker de jonge Zweedse sopraan Maria Bengtsson
die een werkelijk fenomenale titelrol neerzette. Haar inlevingsvermogen in
de rol, het gemak waarmee ze haar partij zong, de schoonheid van de stem, de
melancholie in haar vertolking, loepzuivere coloraturen en perfecte
registerovergangen, we kennen niet voldoende superlatieven om haar prestatie
te beschrijven. Enkel haar aanwezigheid is een trip naar Frankfurt waard!
Eens te meer moeten we vaststellen dat de Oper Frankfurt “the place to be” is voor muziek uit de eerste helft van de 20e eeuw. Voor "Daphne" kan je er nog terecht op 1, 4, 10, 18, 23, 25 april, 19 en 26 juni 2010. Let wel op: in juni wordt de titelrol vertolkt door Angelina Ruzzafante.
H.D. (Gepubliceerd op 31/3/2010)
Foto's van boven naar onder:
1) Maria Bengtsson als Daphne.
2) Daniel Behle als Leukippos en Maria Bengtsson als Daphne.
3) Corinna Schnabel (Die alte Daphne), Lance Ryan (Apollo in de hoek van de
kamer), Daniel Behle (Leukippos) en Maria Bengtsson (Daphne)
Copyright foto's
©
Barbara Aumüller
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()