OPERA GAZET
![]()
Opera
van
Gaetano Donizetti op een libretto van
Salvatore Cammarano naar
Walter Scott’s “Bride
of the Lammemoor”. Het werk kende zijn creatie op 26 september
Van de
zowat zeventig opera’s die Donizetti schreef is “Lucia di Lammermoor” het enige
serieuze werk dat ook vandaag nog redelijk vaak opgevoerd wordt. De opera is een
schoolvoorbeeld van het belcantogenre: schitterende melodieën, prachtige aria’s
en ensembles en een virtuositeit die uiteindelijk culmineert in de gekende
waanzinsscène. Dit soort muziek is zo geënt op de Italiaanse ziel dat
opvoeringen in Duitstalige theaters ons een beetje afschrikken omdat onze
oosterburen er zelden in slagen om de juiste sfeer en klankkleur, die het werk
nodig hebben, op te roepen. We waren dan ook blij verrast dat de voorstelling
die we in Stuttgart bijwoonden op dit punt verrassend sterk bleek te presteren.
Doorslaggevend voor het welslagen van de hele onderneming was ongetwijfeld de
aanwezigheid van de Franse dirigent
Patrick Fournillier in de orkestbak. De man, een specialist van het
genre, is er in geslaagd om het orkest van de Opera van Stuttgart de partituur
met voldoende warmte en “Italianità” te laten uitvoeren. Daarbij werden de
solisten nooit uit het oog verloren: hun stemmen werden nooit door de
orkestklank bedekt. Occasioneel was er een discrepantie tussen orkest en
solisten door de vaak wisselende tempi die Fournillier hanteerde. Puik werk!
Hoewel we het belang van het orkest niet willen onderschatten draait het bij een
belcanto-opera natuurlijk voornamelijk om de stemmen. Het gros van de zangers
voor deze “Lucia di Lammermoor” werd gerekruteerd uit het eigen gezelschap en
zoals we al bij eerdere bezoeken aan de Opera van Stuttgart opmerkten, is dit
ensemble van een werkelijk schitterend niveau. De meest interessante zanger was
voor ons de Chinese bas
Liang Li die een vocaal perfecte Raimondo neerzette. Wat heeft die
man een prachtig rond en over het gehele stembereik homogeen timbre en een
vocale autoriteit die zijns gelijke niet kent. De Koreaanse bariton
Tito You moest hiervoor niet ver onderdoen als Enrico Ashton, Lucia’s
broer. Zijn stem heeft de klank en het volume voor een Verdi-bariton, wat hem
uitstekend geschikt maakt voor deze rol, al mocht hij af en toe iets meer
subtiliteit in zijn zang brengen. Hetzelfde kan gezegd worden van de Oekraïense
tenor
Dmytro Popov, die een erg geëngageerde en gepassioneerde Edgardo di
Ravenswood neerzette, daarbij zijn best deed om zich wat in het houden (met als
resultaat een paar heerlijke voix-mixtes) maar wiens jeugdig enthousiasme af en
toe de bovenhand haalde. Ondanks deze detailkritiek was dit een prachtig trio
mannenstemmen die stuk voor stuk ideaal waren in de voor hen bestemde rollen.
Als we hier dan nog de namen van Joel Prieto (Arturo) en Hans Kittelmann
(Normanno) toevoegen, twee jonge tenoren die duidelijk veel in hun mars hebben,
zal de lezer begrijpen dat we mooie momenten beleefden in Stuttgart.
Maar “Lucia di Lammermoor” staat en valt natuurlijk met de vertolkster van de
titelrol en helaas heeft de Opera van Stuttgart het op dat punt heel wat minder
getroffen. In plaats van de oorspronkelijk voorziene
Simone Schneider, die eveneens deel uitmaakt van het ensemble van het
theater, werd de Macedonische sopraan
Ana Durlovski geëngageerd en dit bleek niet echt een gelukstreffer.
In de rol van Lucia worden immers alle foutjes en tekortkomingen erg
uitvergroot. Of het nu gaat om af en toe slordig uitgevoerde coloraturen,
intonatieproblemen in het hogere register of herhaaldelijke moeite om gelijke
tred te houden met het orkest, in een belcanto-opera kunnen deze onvolkomenheden
moeilijk met de mantel der liefde bedekt worden. Want het perfect uitvoeren van
de zangpartijen maken nu net de essentie van het genre uit. We hopen dat de
uitschuivers die we noteerden het gevolg waren van “première-stress” en dat de
volgende voorstellingen beterschap zullen brengen. In elk geval toonde het
publiek zich een pak meer vergevingsgezind dan wij, want Ana Durlovski oogstte
veel bijval na afloop van de voorstelling.
Regisseur
Olga Motta behandelt het onderwerp niet als een romantisch verhaal,
maar wil de psychoanalytische toer opgaan met haar enscenering. Ze heeft ervoor
gekozen om niet het Schotse landschap uit te beelden, maar het publiek een
inkijk te geven in de ziel van de protagonisten. In die interpretatie is de dood
van Lucia een ontsnapping uit het leven dat haar enkel kommer en kwel bezorgde.
Geen bijster originele visie, die bovendien de deur opent naar alle mogelijke
vormen van onverklaarbare gebeurtenissen op de bühne. Bij Motta blijft alles
echter erg braaf. Het resultaat is een voorstelling die op het punt van
personenregie uiterst traditioneel is, maar zich afspeelt binnen een decor dat
vol voor ons onbegrijpelijke symboliek zit, en geen meerwaarde biedt voor de
opera.
Al bij al beleefden we in de Opera van Stuttgart een erg mooie muzikale avond,
waarvan ons vooral de mannenstemmen zullen bijblijven.
Er zijn
nog voostellingen op 6, 10 oktober, 3, 19, 23 november, 31 december 2009, 4, 9
en 15 januari 2010.
H.D.
(Gepubliceerd op 6/10/2009)
Foto's van boven naar onder:
1) Dmytro Popov (Edgardo), Alisa (Pia Liebhäuser), Joel Prieto (Arturo), Tito
You (Enrico), Ana Durlovski (Lucia) en Staatsopernchor Stuttgart.
2) Alisa (Pia Liebhäuser), Tito You (Enrico), Ana Durlovski (Lucia),
Joel Prieto (Arturo), Liang Li (Raimondo) en Staatsopernchor Stuttgart.
3) Ana Durlovski (Lucia).
Copyright foto's
©
Thilo Nass.
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()
Bühnenweihfestspiel
in drie bedrijven van
Richard Wagner op een tekst van de componist zelf, gebaseerd op het
gelijknamige verhaal van
Wolfram von Eschenbach. Het werk werd voor het eerst uitgevoerd op 26
juli 1882 in het Festspielhaus te Bayreuth. We zagen op 11 april 2010 een
voorstelling in de Staatsoper Stuttgart.
Voor deze nieuwe productie van “Parsifal”
heeft het Staatstheater Stuttgart een beroep gedaan op de controversiële
Catalaanse regisseur
Calixto Bieito, zodat vooraf al op een boel publiciteit gerekend kon
worden. Zoals te verwachten viel, gaf Bieito een erg persoonlijke
interpretatie van Wagner’s opera. Bij hem speelt het verhaal van Parsifal
zich af in een postapocalyptische omgeving op een onbepaald moment in de
toekomst. De mens is op zoek naar nieuwe spirituele waarden en leiderschap
in een wereld die schijnbaar geen toekomst meer heeft. God wordt
vanzelfsprekend in vraag gesteld, hoe kon Hij, als Hij echt zou bestaan,
dergelijke verwoesting van het leven toestaan? Tegelijk hebben de
overlevenden nood aan houvast. Zo wil Gurnemanz als ex-priester het
instituut “kerk” in ere herstellen omdat hij daarin een gevestigde rol
speelde. Titurel en de Graalridders zijn op zoek naar een spirituele leider
die de overlevenden kan doen geloven in een toekomst. Uiteindelijk zal de
“verlossing” niet enkel van Parsifal zelf komen, maar ook van Kundry die aan
het einde van de opera zwanger is en eigenlijk op die manier het
voortbestaan van de mens garandeert. We kunnen leven met dit regieconcept
dat misschien niet helemaal overeenkomt met de intenties van de componist,
maar toch een plausibele hedendaagse interpretatie geeft aan het verhaal.
Helaas is er een probleem: Bieito slaagt er slechts af en toe in om zijn
visie in begrijpelijke beeldtaal om te zetten. Zeker, er zijn een paar goede
vondsten, zoals de zwangerschap van Kundry of de verdeling van “gralen” aan
de graalridders op het einde van het eerste bedrijf om aan te tonen dat God
eigenlijk in elke mens gevonden moet worden. Ook het toneelbeeld dat
voornamelijk bestaat uit verkoolde bomen en de restanten van wat eens een
autosnelwegbrug was, kon onze goedkeuring wegdragen. Jammer genoeg bestaat
de enscenering van Bieito voor het grootste deel uit aparte taferelen die
onderling weinig verband houden en vaak choquerend zijn. Wat dat betreft
verdenken we de Catalaanse regisseur er van te kwader trouw te zijn: het
lijkt er op dat het choqueren in zijn regie geen deel uitmaakt van een
groter geheel, maar in tegendeel een doel op zich wordt. Zo wil Bieito in
het eerste bedrijf tijdens de monoloog van Gurnemanz iets meer vertellen
over diens persoonlijkheid en verleden. Een nobele gedachte, maar waar hij
het vandaan haalt Gurnemanz te typeren als een kindermolesteerder is ons
onduidelijk, evenals het feit dat Parsifal niet opkomt met een zwaan die hij
geschoten heeft, maar met een door Gurnemanz mishandelde koorknaap. Of de
bloemenmeisjes die gekleed zijn in een soort plastiek en hun lichaam
beginnen te beschilderen met lipstick. Dat Titurel opgeofferd wordt aan de
toekomst van de graalridders tot daar aan toe, maar dat hij poedelnaakt
wartaal uitslaand over de scène loopt om daarna als in een soort snuff-movie
afgemaakt te worden met de botte bijl zou ontsproten kunnen zijn uit een
zieke geest. In die zin lijkt de hele enscenering van Bieito eerder op een
afrekening met de eigen duivels van de regisseur zelf dan met een coherente
interpretatie van een meesterwerk.
Dat “Parsifal” wel degelijk een meesterwerk is werd in Stuttgart nochtans
uitbundig in de verf gezet door muziekdirecteur Manfred Honeck en het
Staatsorchester Stuttgart. Met een perfect uitgebalanceerde en dramatische
vertolking van hoog niveau en een orkest dat op alle lessenaars perfect
bezet lijkt, toont Honeck aan dat de kracht van “Parsifal” nog steeds in de
partituur ligt en dat deze muziek door geen enkele regie, hoe controversieel
ook, van het voorplan verdreven kan worden.
Alle respect ook voor de zangers die ondanks de hersenkronkels van de
regisseur stuk voor stuk tot een prachtvertolking kwamen. In de eerste
plaats denken we aan de Amerikaanse tenor Andrew Richards die met autoriteit
en een perfecte beheersing van de Duitse taal zowel vocaal als toneelmatig
een geloofwaardige “reine dwaas” neerzette. Ook Johann Tilli leek de rol van
Gurnemanz op het lijf geschreven. Met zijn indrukwekkende gestalte die
gepaard gaat met een even imponerende basstem weet hij de nodige autoriteit
aan zijn personage te geven. De wat rauwe bariton van de Oostenrijker
Claudio Otelli past perfect bij de slechterik Klingsor. Christiane Iven was
iets minder overtuigend dan haar collega’s. Hoewel haar vocaal niets te
verwijten viel in de moeilijke rol van Kundry, had ze het wat moeilijk om
zich voor te doen als verleidster – al speelt ook daar het regieconcept
mogelijk een rol. Verder niets dan lof voor de kleinere rollen die stuk voor
stuk sterk bezet zijn. Uitmuntend was ook het koor en het extrakoor van het
Staatstheater.
Samengevat een voorstelling die voor zijn muzikale kwaliteit een
verplaatsing naar Stuttgart waard is, maar helaas te lijden heeft van een
slecht uitgewerkt regieconcept.
Er is nog één voorstelling dit seizoen op 17 april 2010 en de productie wordt het volgende seizoen hernomen.
H.D. (Gepubliceerd op 13/4/2010)
Foto's van boven naar onder:
1) Andrew Richards als Parsifal.
2) Andrew Richards als Parsifal en Christiane Iven als Kundry.
3) Andrew Richards als
Parsifal en Stephen Milling als Gurnemanz.
Copyright foto's
©
Martin Sigmund.
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()
Kameropera
van Chaya Czernowin, vrij gebaseerd op de roman “Stichwort: Liebe” van
David
Grossman. Gecreëerd op de Münchner Musiktheater-Biennale 2000. Première van
deze productie in het Staatstheater Stuttgart op 9 juli 2010. Bijgewoonde
voorstelling op 20 juli 2010.
De
romans van David Grossman zijn ons wel bekend en we waren benieuwd wat de
componiste Chaya Czernowin gemaakt had van de verklanking van de roman “Zie
onder: liefde”. Om goed voorbereid te zijn, hadden we wat informatie gezocht
op Internet. Samengevat gaat de inhoud - zowel van de roman als van de opera
- over een Israëlische jongen die het dagelijkse leven deelt met zijn
grootvader, een overlevende van de concentratiekampen. De grootvader leeft
verder in deze gruwelijke wereld en de jongen probeert ondanks alle
moeilijkheden contact te krijgen met deze getekende man.
Deze eerste opera van de componiste is autobiografisch. Haar ouders hadden
de Holocaust overleefd. Het trauma van haar ouders was onbespreekbaar en had
uiteraard zijn invloed op haarzelf. Ook David Grossman leefde in dezelfde
moeilijke situatie.
Chaya Czernowin, geboren te Haïfa in 1957, kreeg de nodige opleiding en haar
loopbaan als toondichter werd begeleid met talrijke studiebeurzen en
prijzen. Zij was professor in San Diego en Wenen. Sinds 2009 is zijn
professor te Harvard. Zij stelde zich verscheidene vragen bij de toonzetting
van dit muziektheater. Kan de Holocaust gereflecteerd worden in muziek? Kan
muziek dit onverstaanbare wel begrijpelijk maken. Moet muziek zulke
indringende vragen uit het verleden beantwoorden of zich houden aan
hedendaagse thema’s? In deze opera worden herinneringen en trauma’s
getransformeerd. Vermits de gruwelen niet te verwoorden zijn, worden er geen
woorden gebruikt maar alleen klanken. Enkel de orkestklanken zijn in staat
te spreken.
Door dit allemaal te lezen, waren onze verwachtingen hoog gesteld. Maar de
vertoning was amper enkele minuten bezig en we wisten al dat deze niet
ingelost zouden worden. Wat we hoorden was een opeenvolging van geluiden,
het woord “muziek” onwaardig.
De dirigent Johannes Kalitzke is wereldwijd bekend als interpreet van
hedendaagse muziek. Nauwgezet liet hij het orkest de partituur uitvoeren. We
zaten op de eerste rij en bijna mee in het orkest. Gedurende zeventig
minuten konden wij een contrabassist in het oog houden. Het was
onvoorstelbaar wat hij zijn instrument allemaal aandeed. Gelukkig was het op
het einde niet doorgezaagd en stuk getimmerd.
De
regisseur Yona Kim toonde met deze opera haar eerste arbeid in het operahuis
te Stuttgart. Zij moet het niet moeilijk gehad hebben: een aantal
overlevenden toonden hun fobieën en wisten door hun afwijkend gedrag zich te
handhaven. De decors van Herbert Murauer waren een mix van realisme en
surrealisme. En dan waren er nog de zangers, die maar klanken moesten
produceren. We hoorden Yuko Kakuta als een hoge vrouwenstem en Noa Frenkel
als een diepe vrouwenstem. Bij de mannen nam Daniel Gloger de hoge tessituur
voor zijn rekening, zijn collega Andreas Fischer liet de diepe tonen horen.
Honderd kinderen deden mee als figuranten. Natuurlijk ontbrak het nodige
naakt niet.
Wij vinden deze opera een belediging voor al de overlevenden van de
concentratiekampen die er ondanks hun gebroken psyche toch in geslaagd zijn
een aangepast sociaal leven te leiden.
Uiteraard was er veel applaus, want de Duitsers zitten nog altijd
opgescheept met een groot schuldgevoel. In hoeverre dit gevoel klopt met de
werkelijkheid laten we in het midden.
P.T. (Gepubliceerd op 25/7/2010)
Foto's van boven naar onder:
1) Daniel Gloger, Yuko Kakuta, Andreas Fischer, Statisten.
2) Noah Frenkel, Statistin.
Copyright foto's
©
Martin Sigmund.
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()