OPERA GAZET
![]()
“The Legend of the Ancient Mariner” van Marco
Sofianopulo, “A Hand of Bridge” van
Samuel Barber, “Hin und zurück” van
Paul
Hindemith, “L’Abandon d’Ariane”, “La Délivrance de Thesée” en “L’Enlèvement
d’Europe” van
Darius Milhaud en “La Voyante” van
Henri Sauguet. Première
door Greek National Opera in het Olympia Theater te Athene op 21 februari
2010. Bijgewoonde voorstelling op 23 februari 2010.







Korte opera’s zijn nooit erg in trek geweest en vooral de laatste decennia worden zij nog amper opgevoerd. Wij waren dan ook meer dan verwonderd dat de Griekse Nationale Opera niet minder dan zeven miniatuuropera’s op één avond presenteerde: voor ons een absoluut record. Bovendien waren vijf van deze zeven werkjes een eerste kennismaking. Ondanks de onrustige politieke, sociale en financiële toestand van Griekenland, trokken wij naar Athene om er een voorstelling van bij te wonen.
De avond startte met “The Legend of the Ancient Mariner” van de in 1953 geboren componist Marco Sofianopulo op een libretto van Paolo Magris. De opera is gebaseerd op “The rime op the Ancient Marriner” van Samuel Taylor Coleridge. Het was meteen het langste werk van de avond. Het duurde ruim een half uur en slorpte meteen een kwart van de tijd op die alle opera’s samen in beslag namen.
“A hand of bridge” van Samuel Barber op een libretto van Gian Carlo Menotti dateert van 1959. Wij zagen deze kleine Amerikaanse opera al in 1970, in de toenmalige Nederlandse Kameropera te Antwerpen. Het beroemde kaartspel is hier slechts een voorwendsel en heeft er verder helemaal niets mee te maken. Tijdens het dagelijks partijtje bridge, dat een sleur geworden is, laat elk van de spelers zijn of haar gedachten de vrije loop. Afwisselend oppervlakkig, sentimenteel, dramatisch en erotisch worden de karakters van de verschillende personages belicht.
“Hin und Zurück” van Paul Hindemith op een libretto van Marcellus Schiffer
was voor ons ook niet nieuw. Tony van der Heyden koos het werkje uit om in
1958, samen met "Der Schauspieldirektor", de Nederlandse Kameropera boven de
doopvont te houden. Ook de Vlaamse Opera te Antwerpen voerde het ooit op, in
1965, samen met “Das lange Weihnachtsmahl”, eveneens van Hindemith.
De componist omschreef dit zeer eigenaardige, uiterst korte operaatje als
een “Sketch mit Musik”. De klassieke driehoeksverhouding
“vrouw-minnaar-jaloerse echtgenoot” zorgen voor een voorbeeldig stukje
boulevardtoneel, zo vaak het onderwerp van groots gemonteerde films. De
helft van de speeltijd wordt gebruikt om de feiten logisch op elkaar te
laten volgen. De echtgenoot onderschept een liefdesbrief van de minnaar van
zijn vrouw, hij schiet haar dood en het stuk is uit. Maar dan verschijnt
plots een wijze figuur die in een paar woorden de logica van dit zinloos
besluit verwerpt. Op zijn bevel wordt alles nu terug van het einde naar het
begin gespeeld en alles komt in orde, of beter gezegd er is niets gebeurd.
“L’Abandon d’Ariane”, “La Délivrance de Thesée” en “L’Enlèvement d’Europe” van Darius Milhaud vormen een trilogie van “opéras-minute”. Zij werden gecomponeerd in 1927 en 1928 op libretto’s van Henri Hoppenot en zijn gebaseerd op de oude Griekse mythologie. De creaties van deze uitgesproken Franse werken vonden plaats in Wiesbaden en Baden-Baden.
De avond besloot met “La Voyante” van Henri Sauguet, in feite een monoloog van een helderziende, geïnspireerd op Madame Blavatzky, over de vragen die bezoekers haar stellen.
Wij hadden verwacht dat deze zeven werkjes als een doorlopend geheel zouden
gepresenteerd worden, maar de Griekse Nationale Opera gooide het over een
totaal andere boeg. Elke opera kreeg zijn eigen specifieke enscenering,
zoals op de zeven foto’s hiernaast duidelijk te zien is. Bovendien viel na
elk opus het doek en was er een korte pauze voor de nieuwe decorbouw. Dat
gaf aan ieder werk zijn juiste sfeer en stijl, maar was door de vele
“schuifkes” wat sfeerbrekend. Ion Kessoulis tekende voor “L’Enlèvement
d’Europe”, “La Délivrance de Thesée”, L’Abandon d’Ariane”, Katerina
Petsatodi voor “A Hand of Bridge”,“Hin und zurück”, “The Legend of the
Ancient Mariner” en Angela Saroglou voor “La Voyante”. Bij deze
ensceneringen waren geen zinloze experimenten en elk werk werd in smaakvolle
decors en kostuume gepresenteerd.
Wij hoorden enkele mooie sopranen zoals Anna Alexopoulou, Miranda Makrynioti, Flora Gjini en
Varvara Tsambali en ook de tenor Nikos Stefanou klonk aangenaam. Maar verder werden wij vocaal niet erg verwend door de
vele solisten die verschillende rollen voor hun rekening namen en ook te
horen waren in de kleine koorensembles. Wat opviel, was dat het ensemblewerk
juist heel gedoseerd en stijlvol klonk. Verder vermelden wij Konstantinos
Klironomos, een tenor met een genepen hoogte, Costas Mavrogenis een nogal
luide, ongenuanceerde bariton en Michalis Katsoulis een versleten bas.
Nikos Vassiliou dirigeerde deze zeven opera’s met sterk uiteenlopende
orkestbezettingen en liet de gevarieerde begeleidingen fraai tot hun recht
komen.
Alle opera's werden in de originele taal gezongen met Griekse boventiteling. Het programmaboekje was enkel in het Grieks, zowel de bezetting als de korte inhoud van de werken. Dat bezorgde ons wel enkele problemen.
Ondanks de vocale tekortkomingen, toch wel een bijzonder interessante avond!
G.M. (Gepubliceerd op 25/2/2010)
Foto's van boven naar onder:
1) The Legend of the Ancient Mariner. Anna Alexopoulou (Sposa), Nikos Stefanou
(Sposo), Costas Mavrogenis (Convitato), Michalis Katsoulis (Marinaio) en Miranda
Makrynioti (Spirito)
2) A Hand of Bridge. Nikos Stefanou (Bill), Flora Gjini (Geraldine), Elena
Marangou (Sally) en George Matheakakis (David)
3) Hin und Zurück. Sofia Michailidou
(Helene), Aris Prospathopoulos (Robert), Costas Mavrogenis (The doctor), Angelos
Hondrogiannis (The orderly) en Nikos Stefanou (A bearded sage)
4) L'Abandon d'Ariane. Flora Gjini (Ariane), Sofia Michailidou (Phèdre), Costas
Mavrogenis (Dionysos) en Konstantinos Klironomos (Thesée)
5) La Délivrance de Thesée. George Matheakakis (Hippolyte), Michalis Katsoulis
(Théramene), Miranda Makrynioti (Aricie ), Varvara Tsambali ( Phédre) en Aris
Prospathopoulos (Thesée)
6) L'Enlèvement d'Europe. George Matheakakis (Pergamon ), Michalis Katsoulis
(Agenor), Konstantinos Klironomos (Jupiter en Taurin ) en Sofia Michailidou
(Europe)
7) La Voyante.Varvara Tsambali (La Voyante) omringd door haar klanten.
Copyright foto's
© Stefanos.
TERUG NAAR KEUZELIJST GRIEKENLAND
![]()
Opera
van
Giacomo Puccini en Luigi Illica & Giuseppe Giacosa (libretto). Gecreëerd
in het Teatro alla Scala te Milaan op 17 februari 1904. Bijgewoonde première
door Greek National Opera in de Alexandra Trianti Hall van de Megaron
Concertzaal te Athene op 26 februari 2010.
Het
was een goed idee om na de zeven korte, onbekende werkjes, “Madama
Butterfly”, een door en door repertoirewerk op het programma te zetten.
De zaal was zo goed als uitverkocht.
Naast het Olympia Theater speelt de Greek National Opera jaarlijks enkele
voorstellingen in het Megaron Complex. Sinds enkele jaren in de luxueuze
Alexandra Trianti Hall.
De producties die daar plaats vinden zijn bedoeld om een ruimere weerklank
te vinden. Wij kregen dan ook een programma met Engelse informatie over de
zangers, de dirigent en de regisseur. De inhoud in het Grieks was geen
handicap, want welke operaliefhebber kent de geschiedenis niet van het
mannetjesbeest Pinkerton dat de jonge Butterfly in zijn bed krijgt en dan
terug naar de VSA vertrekt. Als Sharpless, de consul, hem schrijft over zijn
zoontje komt hij terug met zijn Amerikaanse echtgenote. Hij eist zijn
zoontje op en voor Butterfly blijft niets anders over dan harakiri te
plegen. Misschien was Pinkerton een wereldreis aan het maken om al zijn
kinderen op te halen…
Het orkest en het koor stonden onder leiding van de dirigent Lukas
Karyntinos. Vol vuur en vlam zette hij orkest, koor en solisten aan tot een
intense verklanking. De regisseur Niklos S. Petropoulos koos voor een sobere
regie, maar decors en kostuums getuigden van een gedegen kennis van deze
opera. Gelukkig gebeurden er geen experimenten. De personenregie van deze
herneming was toevertrouwd aan Fausta Mazzucchelli die van weinig
inventiviteit getuigde.
Wat de zangers betrof, werden wij verwend door de Chinese sopraan Hui He in
de titelrol. Zij geeft de indruk over heel wat technische mogelijkheden te
beschikken. Zij heeft een stralende hoogte, mooie piano’s, maar een weinig
stabiele diepte die naar storende borsttonen gaat. Naar het einde van dit
werk werd ze moe, maar gedrild als ze waarschijnlijk is, vielen er geen
scherven te rapen. De Griekse tenor Angelo Simos (Pinkerton) is een oude rot
in het vak die zich toespitst op de hoge noten en daar waren de meesten in
de zaal tevreden mee. Persoonlijk vonden wij zijn optreden heel ouderwets en
beneden peil. De Amerikaanse consul in Nagasaki was in handen van de bariton
Dimitris Tilliakos. Deze zanger miste de nodige warmte en klonk mager in
zijn interventies. De mezzosopraan Marissia Papalexiou zong de rol van
Suzuki. Deze meid was niet écht overtuigend. Haar tussenkomsten brachten
weinig klankkleur in de ensembles. De kleine rollen werden allemaal
waargenomen door Griekse zangers, waarbij vooral de Goro van George
Samartzis en de bonze van Dimitris Kassioumis gunstig opvielen.
De laatste akte was wat uitgebreider dan we gewoon zijn en we vonden dit een
weinig geslaagde optie. Er waren vele stille momenten, wat de actie niet ten
goede kwam. De dramatische spanning van de derde akte was zo goed als nihil.
Alles
kwam wat koel over, zodat er niet veel tranen vloeiden op het einde van deze
“tearjerker” opera.
De opera werd in de originele Italiaanse taal gezongen en er waren een
boventiteling en twee ondertitelingen in het Grieks. Dat vonden wij een
uitstekende noviteit. Wij weten uit ondervinding dat je bij het einde van
een voorstelling niet naar huis gaat zonder een stijve nek, als je de
boventiteling geregeld wil volgen vanaf de parketrijen. Door de vertaling
ook links en rechts te projecteren op de onderste boord van het proscenium,
juist boven de orkestbak, vindt elke toeschouwer wel de voor hem meest
geschikte plaats om de teksten te volgen. Een voorbeeld voor de andere
operahuizen!
De uitvoerenden kregen een staande maar korte ovatie en dan trok iedereen
snel naar huis om een laat diner te verorberen.
Er zijn nog voorstellingen op 28 februari, 3, 5 en 7 maart 2010.
P.T. (Gepubliceerd op 1/3/2010)
Foto's van boven naar onder:
1) Angelo Simos als Pinkerton en Hui He als Cio-Cio-San.
2) Dimitris Tiliakos als Sharpless en Hui He als Cio-Cio-San.
Copyright foto's
© Stefanos.
GOOGLE VERTALING IN HET GRIEKS
TERUG NAAR KEUZELIJST GRIEKENLAND
![]()
“La
mort de Cléopâtre”: cantate van
Hector Berlioz op een libetto van
Pierre-Ange Vieillard. Gecreëerd in 1829.
Sinfonie Nr 1 "Titan" van
Gustav
Mahler. Gecreëerd te Budapest op 20 november 1889.
Bijgewoond concert door het Orchestre de Paris in de Megaron Concertzaal te Athene op 27 februari 2010.
Louis Hector Berlioz (La Côte-Saint-André, 11 december 1803 - Parijs, 8
maart 1869) was een Frans componist. Hij was een belangrijk en vernieuwend
vertegenwoordiger van de Franse romantiek. Daarnaast was hij ook actief als
muziekcriticus en dirigent. De belangrijkste kenmerken van zijn muziek zijn
de hartstochtelijke expressie, de innerlijke gloed en de ritmische kracht.
Berlioz was een zeer kundige orkestrator; hij gebruikte nieuwe
orkesteffecten en paste dikwijls nieuwe instrumenten toe in zijn
orkestbezetting. Hij permitteerde zich een grote vormvrijheid en
introduceerde het leidmotief (bij hem: idée fixe) in de muziek. Berlioz
geldt als de vader van de programmamuziek: muziek die een buitenmuzikaal
onderwerp uitbeeldt. Al deze aspecten komen tot uitdrukking in zijn
beroemdste compositie, de"Symphonie fantastique" (Épisode de la vie d'un
artiste) uit 1830.
Berlioz voltooide drie opera's. Zijn eerste opera was “Benvenuto Cellini”
uit 1838, die vanwege het onconventionele karakter een groot fiasco was. Hij
schreef ook een opera comique “Béatrice et Bénédict”. De belangrijkste opera
is het omvangrijke werk “Les Troyens”, geschreven in 1856-1858 en gebaseerd
op de Aeneis van Vergilius. Uit praktische overwegingen was Berlioz
gedwongen het werk in tweeën te splitsen, waarna alleen het tweede gedeelte,
"Les Troyens à Carthage", in 1863 uiteindelijk opgevoerd werd. Pas laat in de
twintigste eeuw zijn de operahuizen de volledige opera gaan waarderen als
een hoogtepunt in het genre.
De cantate “La mort de Cleopatra” is geschreven voor orkest en sopraan. Het
was de bijdrage van Berlioz voor de "Prix de Rome" in 1928. Hiervoor kreeg
hij echter geen prijs. Bij het horen van dit werk, waren wij akkoord met de
beslissing van de toenmalige jury. Hoe goed het Orchestre de Paris onder
leiding van Christoph Eschenbach het Franse idioom ook in de vingers heeft,
het werk bekoorde weinig. Daarbovenop kwam de vertolking van de mezzosopraan
Waltraud Meier. Zij is lichamelijk niet alleen erg mager geworden, ook haar
stem is herleid tot een ijzerdraad. Zij zong van de partituur, terwijl deze
amper vijfentwintig minuten durende cantate toch “peanuts” moet zijn om van
buiten te leren. Zij zingt de beestenrollen uit de werken van Richard Wagner
toch ook zonder partituur. En dan hebben we het nog niet over de dictie van
haar Frans. Christoph Eschenbach en het Orchestre de Paris
stonden volledig ten dienste van de diva, die een financieel vluggertje
presenteerde. Na de pauze hoorden wij de eerste symfonie van Gustav Mahler.
Gustav Mahler (Kališt, 7 juli 1860 - Wenen, 18 mei 1911) was
een in Bohemen geboren en opgegroeide Oostenrijkse componist en dirigent van
Joodse afkomst. Hij gold als één van de belangrijkste dirigenten van zijn
tijd, maar wordt tegenwoordig vooral gezien als de componist die de late
romantiek verbonden heeft met de moderne periode van de klassieke muziek.
Als dirigent was hij onder andere actief aan de operahuizen van Boedapest en
Hamburg en aan de Hofopera te Wenen. hier was hij ook dirigent van de
Wiener Philharmoniker. Verder maakte hij het aspect klankkleur steeds
belangrijker door het tot onderdeel van de muzikale structuur te maken.
Mahler onderzocht de symfonische vorm en instrumentatie tot het uiterste;
hij schuwde er niet voor zeer persoonlijke elementen in zijn muziek te
verwerken. Een symfonie zou een 'hele wereld' moeten omvatten, zoals hij het
zelf aangaf. Deze doelstellingen stuitten echter op veel weerstand en
onbegrip, niet alleen van het publiek, maar ook van vakgenoten. Mahler
noemde zijn eerste symfonie de “Titan” naar de roman van Jean Paul. Het werk heeft
twee thema’s van de liedcyclus "Lieder eines fahrenden Gesellen". Ook is een
variatie op het kinderliedje “Frère Jacques” te horen.
Christoph Eschenbach had onafgebroken oogcontact met elke groep muzikanten
of solisten tijdens deze uitvoering. Een symfonie van Mahler is zo complex
dat een ijzeren hand en -blik onontbeerlijk zijn. Wij hoorden een bijna
foutloos parcours van de blazerssectie. De strijkers klonken warm waar nodig
en schril indien de partituur dit vroeg. De dirigent liet ons een elegante
Franse Mahler horen. Deze andere benadering vonden wij wel prettig, maar in
feite zijn heel wat delen op de Boheemse boerse muziek geënt. En dat lompe
misten wij wel. Na een overdonderend slot volgde een overweldigend applaus.
Vol Mahlerklanken in ons hoofd stonden we gereed om de zaal te verlaten.
Toen begon de dirigent met een bisnummertje. Het is natuurlijk prettig om
als publiek een extraatje te krijgen, maar na de muziek van Mahler gaat dit
volgens ons niet. Nu was Eschenbach consequent want hij bisseerde met het
virtuoze “Le Carnaval Romain” van Berlioz. Zo bewees hij wederom dat het
Franse idioom hem honderd procent in de vingers zit.
P.T. (Gepubliceerd op 1/3/2010)
Foto's van boven naar onder:
1) Walraut Meijer.
2) Christoph Eschenbach.
GOOGLE VERTALING IN HET GRIEKS
TERUG NAAR KEUZELIJST GRIEKENLAND
![]()