OPERA GAZET
“ROSSINI
OPERA FESTIVAL
Deze zomer werd in
Pesaro, een stadje aan de Adriatische kust, een jubileum
gevierd: het
Rossini Opera Festival
(ROF), gewijd aan Pesaro’s bekendste telg, kende er van 9 tot en met 20 augustus
zijn dertigste editie. Dit jubileum werd enkel gevierd met een fraai fotoalbum
dat de voorbije 29 seizoenen illustreert, maar aan de programmering viel niet te
merken dat het Festival aan de vooravond van zijn vierde decennium staat.
Vooreerst had het programma van dit jaar duidelijk te lijden van de politiek die
in Italië ten opzichte van culturele manifestaties gevoerd wordt. En dan mag het
“Rossini Opera Festival” zich nog gelukkig prijzen, want het krijgt nog
overheidsgeld, een gunst die lang niet elk festival meer te beurt valt. Hoe dan
ook, de oorspronkelijk geplande productie van “Sigismondo”, een première voor
Pesaro, werd afgevoerd, evenals de geplande concertante uitvoeringen van “Tancredi”,
al is dit laatste volgens insiders te wijten aan het gebrek aan een vertolkster
voor de titelrol. In de plaats van deze twee interessante evenementen kwam dan
een nieuwe enscenering van “La Scala di Seta”. Bovendien werd elke opera slechts
vier keer uitgevoerd in plaats van de gebruikelijke vijf keer.
Constante in het dertigste “Rossini Opera Festival” waren de talrijk aanwezige
spiegels, die in alle producties en met wisselend succes het toneelbeeld
domineerden. Zelf hebben we een wat persoonlijke interpretatie van deze
spiegels: we hopen dat ze de festivalleiding zullen aanzetten om zichzelf eens
in de spiegel te bekijken en een keer na te denken over waar ze met het festival
naartoe willen. Immers, de jaarlijks terugkerende toeschouwer zal moeten beamen
dat het vuur dat altijd zo kenmerkend was voor het ROF de laatste jaren een
steeds kleiner vlammetje geworden is. Zeker, de verminderde financiële middelen
hebben ervoor gezorgd dat de artistieke keuzes beperkt werden. Maar naar onze
smaak geeft de festivalleiding toch weinig blijk van initiatieven om de
programmering boeiend te houden. Waar zijn de cantates die vroeger opgevoerd
werden? Waarom is de reeks “Il mondo delle Farse” geschrapt? We kunnen ons
moeilijk inbeelden dat deze kleine werkjes, meestal coproducties en opgevoerd
door jong talent, stukken van mensen gekost hebben. Deze extraatjes die voorbije
edities van het ROF kruidden, konden steeds weer op veel bijval rekenen en
lokten de nieuwsgierige melomaan naar Pesaro.
Nog meer verontrustend dan het voorgaande vonden we de artistieke kwaliteit van
het dertigste ROF, die we helaas slechts als middelmatig kunnen bestempelen.
Akkoord, de trouwe festivalganger heeft de laatste jaren geleerd dat de gouden
jaren tachtig en negentig ondertussen al een tijdje achter ons liggen, maar het
moet toch de ambitie van een operafestival, en bij uitbreiding van elke
culturele manifestatie zijn, om zijn publiek een aanvaardbare kwaliteit te
bieden. Dat veel waarnemers een concert met muziek van Haydn (met de alt
Ewa
Podles als solist), dat Uw dienaar helaas niet bijwoonde, als hét
evenement van een Rossini-festival bestempelen, zet ons toch aan het denken. De
reputatie van het festival, evenals de niet onaardige toegangsprijzen geven het
publiek volgens ons in elk geval recht op méér. Desondanks werden ook dit jaar
de drie opera’s gefilmd, wat een geplande release op DVD doet vermoeden.
Laten we toch besluiten met een positieve noot: in het verleden kende het ROF
ook af en toe een dipje, wist echter steeds weer uit het dal te klimmen en te
verrassen. Wat dat laatste betreft, ziet de eenendertigste editie er in elk
geval veelbelovend uit: naast een herneming van “La Cenerentola” in een
enscenering uit 1998, zijn er nieuwe producties voorzien van “Sigismondo” en “Demetrio
e Polibio”, twee opera’s die in Pesaro nog nooit eerder vertoond werden. Nu nog
hopen dat een zekere Silvio Berlusconi de geldkraan niet helemaal dicht draait…
H.D. (Gepubliceerd op
23/8/2009)
Foto's van boven naar onder:
1) Gioacchino Rossini.
![]()
Farse
comica in één bedrijf van
Gioacchino Rossini op een tekst van Giuseppe Foppa.
Het werk kende zijn première op 9 mei
Zoals gezegd in de
inleiding, kwam deze “La Scala di Seta” in de plaats van de oorspronkelijk
geplande “Sigismondo” en “Tancredi”. Het ontgaat ons een beetje waarom: een
enscenering van “Sigismondo” hoeft toch niet noodzakelijk duurder te zijn dan
een nieuwe “Scala di Seta”? We zouden de keuze beter kunnen begrijpen wanneer
men de interessante productie van de jaren negentig opnieuw van onder het stof
gehaald had.
Ondanks het voorgaande moeten we toch toegeven dat we de enscenering van Damiano
Michieletto, die enkele jaren geleden in Pesaro al “La
Gazza Ladra” regisseerde, erg geslaagd vonden. Op de grond van de
bühne was de plattegrond getekend van een appartement. Door een grote, schuin
opgestelde spiegel was deze plattegrond ook voor het parterrepubliek zichtbaar.
We vonden deze uitbeelding zeer goed: op die manier werd het toneel voor de
personages ingedeeld in verschillende ruimten en waren ze voor elkaar, ondanks
de afwezigheid van muren, toch onzichtbaar. Het enige dat door overmatig gebruik
wat stoorde, was het voortdurend openen en sluiten van fictieve deuren. De
plattegrond werd dan aangevuld met moderne meubels. De sterke personenregie werd
erg traditioneel gevoerd en de aanwezige gags werden met mate en meestal met
goede smaak gebracht.
Helaas was het muzikale deel van de avond een pak minder geslaagd - als U ons
dit understatement wil vergeven. Grote boosdoener hierbij was dirigent Claudio
Scimone. Hoewel deze man heel wat betekend heeft voor de muziek, lijkt hij
vandaag niet meer in staat om een operavoorstelling te leiden. Niet alleen houdt
hij ondraaglijk trage tempi aan - dodelijk voor elke farse - hij beperkt zich
tot het slaan van de maat, wat hij dan nog doet op een manier dat de solisten de
dirigeerstok niet kunnen zien. Resultaat is niet alleen een voorstelling zonder
vuur, maar ook een vaak chaotisch verloop van de ensembles die vaak de mooiste
delen van de partituur uitmaken. Het was bij momenten pijnlijk om te zien hoe de
solisten elkaar probeerden te helpen door zelf de maat aan te geven of hoe de
pianist, die de recitatieven moest begeleiden, tevergeefs mee dirigeerde om te
trachten de schade te beperken.
Wij hebben veel respect voor wat de heer Scimone
in het verleden presteerde, maar hopen dat hij uit deze “La Scala di Seta” de
nodige lessen zal trekken. Al durven we dat betwijfelen, want zelfs bij deze
voorstelling waren er nog toeschouwers die de dirigent toejuichten.
Het lijkt ons niet helemaal eerlijk om de solisten, meestal jonge mensen, te
beoordelen op hun prestatie op deze 16e augustus. De bassen Carlo Lepore (Blansac)
en vooral
Paolo Bordogna (Germano)
wisten zich het beste recht te houden.
Olga Peretyatko kon, mede
omdat ze last had van de erg droge lucht in het Teatro Rossini, vocaal niet echt
overtuigen als Giulia. Redelijk ook waren Anna Malavasi als Lucilla en Daniele
Zanfardino als Dormont. De wanprestatie van
Jose Manuel Zapata als
Dorvil kan echter niet toegeschreven worden aan de dirigent. Zijn stem lijkt
geen basis te hebben, zwalpt naar alle richtingen en helaas slechts af en toe
naar de juiste richting. Hij zingt alleen hoge noten wanneer hij ze écht niet
kan mijden en balanceert daarbij steeds op het randje van de afgrond. We hopen
dat het om een tijdelijke slechte vorm gaat, al vrezen we het ergste.
Het Orchestra Haydn di Bolzano e Trento is sinds enige jaren een vaste waarde op
het Rossini Opera Festival en doet zijn werk steeds op een professionele manier.
H.D. (Gepubliceerd op
23/8/2009)
Foto's van boven naar onder:
1) Carlo Lepore, Daniele Zanfardino, Paolo Bordogna, Anna Malavasi en Olga
Peretyatko.
2) Olga Peretyatko, Carlo Lepore en Paolo Bordogna.
Copyright foto's
©
ROF
![]()
Komische
opera in twee bedrijven op muziek van Gioacchino Rossini en op een tekst van
Eugène Scribe en Charles-Gaspard Delestre-Poirson. De opera werd gecreëerd in de
Parijse Opéra op 20 juli 1828. We zagen het werk op 17 augustus
We zijn al jaren een
regelmatige bezoeker van het Rossini Opera Festival en als er in die tijd één
enscenering was die we liefst nooit meer zouden terugzien, is het die van “Le
Comte Ory” uit 2003. Helaas vraagt de festivalleiding nooit onze opinie (hoewel
ik denk dat we in deze niet alleen staan) en is het net deze productie die dit
jaar opnieuw van onder het stof gehaald werd.
De graaf Ory is erg gesteld op de vrouwtjes en heeft nu zijn zinnen gezet op het
kasteel van Formoutiers, waar een hele groep jonge vrouwen zit te wachten tot
hun mannen terugkeren van de kruisvaarten. In het eerste bedrijf heeft de graaf
zich vermomd als heremiet die doorgaat als een soort huwelijksconsulent. Voor
hij in het kasteel geraakt wordt hij echter ontmaskerd. In het tweede bedrijf
vermomt hij zich als non en weet hij toch binnen te dringen bij de vrouwen. Maar
voor enig kwaad kan geschieden, blijken de kruisvaarders te zijn wedergekeerd en
moet de graaf opnieuw vluchten.
Het voorgaande heeft weinig invloed gehad op regisseur Lluis Pasqual, die het
verhaal laat spelen in een Frans salon waar het aanwezige publiek uit verveling
een toneelstukje gaat opvoeren op tafels en een biljart. Het decor doet dan ook
meer denken aan “La Traviata” dan aan de opera die we bijwoonden. Voordeel voor
een regisseur is natuurlijk dat hij zich bij dergelijke “toneel-in-toneel”
versie kan laten gaan, er is immers geen referentiekader meer wat betreft tijd
en plaats. Maar ook daarmee gaat Pasqual ongeïnspireerd om, waardoor er
eigenlijk visueel niets meer te genieten overblijft.
Paolo Carignani moet zowat de tegenpool zijn van
Claudio Scimone in “La Scala di Seta”. Zijn Rossini bruist,
soms zelfs zo veel dat hij het Orchestra del Teatro Comunale di Bologna nogal
luid laat spelen en met zijn supersonische tempi de solisten wel eens in de
problemen brengt. Maar we prefereren zijn aanpak duizend maal boven die van
Scimone en konden met onze ogen af en toe gesloten genieten van de prachtige
muziek die voor het grootste deel voortkomt uit een ander werk van Rossini, “Il
Viaggio a Reims”, en die Rossini hier opnieuw gebuikt heeft.
In 2003 had deze “Le Comte Ory” één groot pluspunt: de titelrol werd vertolkt
door Juan Diego Florez, waarschijnlijk de beste titularis in jaren van deze rol.
Wie dit jaar de rol ook zou zingen, was dan ook gedoemd om de vergelijking met
Florez te moeten ondergaan - een vergelijking die zonder twijfel in het voordeel
van Florez zou uitvallen. We vinden in het licht van het voorgaande de keuze
voor een jonge tenor die vorig jaar optrad met de Accademia Rossiniana dan ook
moeilijk verdedigbaar. Niet dat deze Yijie Shi slecht zong - in tegendeel, we
vonden hem stilistisch zeker goed, en hij had ook de benodigde hoogte voor de
rol. Maar helaas is het timbre eerder lelijk te noemen en heeft de man een wat
ongelukkige fysieke verschijning en weinig charisma.
Maria José Moreno, gecast
in plaats van de oorspronkelijk aangekondigde Annick Massis, wist nauwelijks te
overtuigen als gravin Adèle, vooral door haar onzuivere hoogte en de
vermoeidheidsverschijnselen die al halfweg de opera de kop opstaken. Veel beter,
ook in vergelijking met 2003, was de rest van de solisten. Zo heeft Lorenzo
Regazzo als sonore Gouverneur geen moeite om de saaie Alastair Miles te laten
vergeten en bewijst
Laura Polverelli, volgens
ons het beste element in de cast, als Isolier dat ze meer Rossini-kaas gegeten
heeft dan Marie-Ange Todorovich in 2003. Verder niets dan lof voor een
afgeslankte Roberto de Candia als Raimbaud en Natalia Gavrilan.
Al bij al een voorstelling die muzikaal genietbaar was, maar helaas te lijden
had onder een totaal ongeschikte enscenering.
H.D. (Gepubliceerd op
23/8/2009)
Foto's van boven naar onder:
1)
Lorenzo Regazzo en
ensemble.
2) Yijie Shi en Maria José Moreno.
3) Le Comte Ory - Maria José Moreno, Laura Polvereli en Yijie Shi.
Copyright foto's
© ROF
![]()