OPERA GAZET
![]()
Opera
in vijf bedrijven van
Jacques Fromental Halévy op een libretto van Eugène Scribe. De
wereldpremière had plaats op 23 februari
De Franse
“Grand
opéra” zal altijd wel een beetje het zorgenkind van de
operaliteratuur blijven. Om te beginnen is er de tegenstelling dat deze
ambitieuze werken zich trachten los te werken van de bestaande conventies. Er is
de grootschaligheid, zwaardere orkestraties en dramatische zangpartijen. Aan de
andere kant blijven de werken wat betreft indeling trouw aan de oude
nummerstructuur. Bepaalde rollen, zoals Léopold en Euxodie, zijn duidelijk
afkomstig uit het belcantogenre. Ander probleem is de hoge kost om een grand
opéra op een waardige manier op te voeren, niet in het minst omdat zangers die
de vaak loodzware partijen aankunnen erg dun gezaaid zijn. Voornoemde factoren
zorgen er dan ook voor dat opvoeringen van “
Het zal zeker niet aan de muziek van Halévy liggen dat dit werk zo weinig in de
operahuizen gespeeld wordt. Zijn partituur blinkt uit in dramatische spankracht,
weet ook te boeien in de intiemere taferelen, maar kent zijn echte hoogtepunt in
de massascènes die het werk rijk is. Bij dat alles blijkt uit de muziek een
respect voor de stemmen die zelden of nooit afgedekt worden door het orkest. De
aandachtige luisteraar zal in deze opera trouwens muziek horen die andere
toekomstige grootheden als Berlioz, Gounod maar ook Verdi al aankondigen. Met
deze wetenschap vinden we het dan ook onbegrijpelijk dat in Amsterdam, net zoals
in de meeste andere theaters, de man met de schaar zijn lusten ongebreideld
heeft mogen botvieren op de partituur. De al vermelde
voorstellingen in Stuttgart waren 99% compleet, en hebben bewezen dat
de muziek van Halévy van de eerste tot de laatste minuut blijft boeien.
Bovendien wordt de dramatische samenhang ongunstig beïnvloed door het weglaten
van (delen van) bepaalde taferelen. We vragen ons af waaraan Halévy deze
behandeling verdiend heeft, temeer daar werken van andere componisten die
minstens even lang zijn als “
Regisseur Pierre Audi, een vaste waarde in Amsterdam, laat het grootste deel van
de opera spelen in een metalen constructie die het dakgebinte zou kunnen zijn
van een kerk en/of een synagoog. Deze spectaculaire constructie is zeer
aannemelijk in het eerste bedrijf dat zich afspeelt op een kerkplein, maar wordt
een pak minder efficiënt in de intiemere scènes. Zo kunnen we ons moeilijk
voorstellen dat Eléazar en zijn familie
Pesach
vieren onder het dak van de synagoge. Bovendien leed de ganse voorstelling aan
een gebrek aan geloofwaardige personenregie. Zo kwamen de personages, op Rachel
na, eerder slecht tot hun recht. Aan het einde van het vierde bedrijf hadden we
zelfs even de indruk een concertante uitvoering mee te maken, wanneer de zes
solisten vooraan op het podium mooi op een rijtje stonden, terwijl het koor zich
achteraan op een soort podium bevond. Ook de terechtstelling van Rachel en
Eléazar aan het einde van de opera vonden we weinig overtuigend, laat staan
dramatisch. Aan de andere kant zijn we de heer Audi dan weer dankbaar dat hij
het werk niet gebruikt/misbruikt heeft voor het brengen van een of andere
politieke boodschap.
Het zal de lezer ondertussen duidelijk zijn dat de grootste vreugde tijdens deze
voorstelling van de musici moest komen en het moet gezegd, we werden op dat vlak
niet teleurgesteld, wel in tegendeel. De eer daarvoor komt in de eerste plaats
toe aan dirigent Carlo Rizzi, die het Nederlands Philharmonisch Orkest op
meesterlijke wijze leidde, zijn muzikanten daarbij voldoende vrijheid liet,
echter zonder dat dit ten koste ging van de homogeniteit.
Dennis O’Neill is niet meer zo jong, en dat laat zich horen. De stem
is niet meer erg stabiel en wordt af en toe geplaagd door een traag vibrato. En
laten het nu juist deze eigenschappen zijn die haar perfect doet passen bij de
persoon Eléazar, een krenterige, kortzichtige en fanatieke joodse koopman naar
het beeld van
Shylock
uit Shakespeare’s “The merchant of Venice”. Helaas was O’Neill wat vermoeid
tegen het einde, waardoor zijn grote aria “Rachel, quand du Seigneur” (zonder
cabaletta) een beetje onder de verwachtingen bleef.
We waren erg onder de indruk
van de Amerikaanse tenor
John Osborn als Léopold, misschien wel de moeilijkst te bezetten rol.
Zijn aria “Loin de son amie”, gezongen in een prachtige afwisseling van falset
en voix-mixte was voor ons hét hoogtepunt van de voorstelling. Ook in de meer
dramatische passages kon hij zich laten gelden, maar zonder daarbij zijn
belcantoachtergrond te verloochenen. Grote klasse, die ons een paar minder
geslaagde hoge noten probleemloos doen vergeten. Geen reserves ook bij de
prestatie van de Franse coloratuursopraan
Annick Massis
die door de virtuoze passages in de rol van Eudoxie op geen enkel moment in
verlegenheid gebracht werd. Helaas werd haar bolero om onbegrijpelijke redenen
gecoupeerd. Prachtprestatie ook van
Angeles Blancas Gulin die in de rol van Rachel niet alleen liet horen
één van de betere dramatische sopranen van haar generatie te zijn, maar ook
toonde dat ze op een geloofwaardige manier een personage weet neer te zetten.
Iets minder indrukwekkend zonder daarom onverdienstelijk te zijn was de Engelse
bas
Alastair Miles,
die in onze oren wat vocale autoriteit miste in de rol van kardinaal Brogni.
Tenslotte kunnen we nog melden dat ook de kleinere rollen op een meer dan
bevredigende manier bezet werden, met een speciale vermelding voor André Heyboer
die in de rol van Ruggiero aantoonde klaar te zijn om heel wat belangrijkere
rollen aan zijn repertoire toe te voegen.
Al bij al een zeer goede voorstelling, die echter een beetje leed onder de
incapaciteit van de regisseur om de opera van Halévy op een interessante manier
te visualiseren.
Er is nog
een voorstelling op 30 september 2009.
H.D.
(Gepubliceerd op 29/9/2009)
Foto's van boven naar onder:
1) Dennis O'Neill (Le Juif Éléazar) en Angeles Blancas Gulín (Rachel)
2) Alastair Miles (Le Cardinal Jean-François de Brogni), Dennis O'Neill (Le Juif
Éléazar) en Angeles Blancas Gulín (Rachel)
3) Annick Massis (La Princesse
Eudoxie) en John Osborn (Léopold)
Copyright foto's
©
Foto: Ruth Walz.
TERUG NAAR KEUZELIJST NEDERLAND
![]()
Lyrische tragedie in een proloog twee bedrijven van Gaetano Donizetti op een tekst van Giacomo Sacchero. De opera werd voor het eerst uitgevoerd op 12 januari 1844 in het Teatro San Carlo te Napels. We waren op 20 maart 2010 aanwezig bij een concertante uitvoering in het Amsterdamse Concertgebouw.
Hoewel
Donizetti slechts 51 jaar oud werd, schreef hij het niet onaardige aantal
van 70 opera’s. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat niet al deze werken
hoogvliegers zijn. Bovendien leed de componist aan de gevolgen van syfilis,
een ziekte die uiteindelijk tot zijn dood zou leiden. Dit maakt dat veel van
zijn latere werken, geschreven toen zijn lichamelijke en geestelijke
vermogens achteruitgingen, zelden het niveau halen van de eerdere opera’s.
“Caterina Cornaro” is in dat opzicht geen uitzondering. De partituur is
weinig samenhangend en er zijn weinig memorabele momenten, misschien met
uitzondering van Caterina’s aria in de proloog.
Het verhaal speelt in Venetië (proloog) en Nicosia (de 2 bedrijven).
Caterina Cornaro staat op het punt te trouwen met haar geliefde, de Franse
edelman Gerardo. De Venetiaanse “raad van tien” eist echter dat ze Gerardo
afwijst en in het huwelijk treedt met de Cypriotische koning Lusignano.
Anders zal Gerardo moeten sterven. Gerardo voelt zich uiteraard beledigd,
maar later in de opera wordt hem alles verklaard door Lusignano, die beseft
dat hij getrouwd is met een vrouw die niet van hem houdt. Wanneer een
opstand uitbreekt schaart Gerardo zich bij Lusignano. Samen slagen ze er in
de opstand neer te slagen, maar Lusignano wordt dodelijk gewond. Op verzoek
van het volk regeert Caterina Cornaro vanaf dan alleen over Cyprus.
We nemen aan dat de organisatie van “De matinee op de vrije zaterdag” het
werk programmeerde om de Brits-Roemeense sopraan
Nelly
Miricioiu ter wille te zijn. Deze zangeres vierde exact 25 jaar geleden
als Thaïs in de gelijknamige opera van Massenet haar debuut in “De matinee”
en trad ondertussen niet minder dan 17 keer op in deze concertenreeks,
vooral in rollen van Rossini, Donizetti en Bellini. Helaas is de stem van
Miricioiu ondertussen al erg op de terugweg. De prachtige legatolijnen van
weleer, de zuivere coloraturen en de mooie topnoten zijn helaas grotendeels
verdwenen. De sopraan heeft ingeboet aan virtuositeit en af en toe komt de
ademhaling wat in de problemen. Een aantal inzetten was duidelijk beneden de
toon en de hoge noten klonken schreeuwerig. Dat wil niet zeggen dat er niets
te genieten viel bij Miricioiu’s optreden, de vrouw heeft een enorm charisma
en weet als geen ander ook concertant een personage neer te zetten.
Het
Nederlandse publiek, dat Miricioiu ondertussen de goddelijke status
toegekend heeft, was in elk geval laaiend enthousiast.
Het mannelijke deel van de cast was voor het overgrote deel overtuigend.
Enkel de Argentijnse tenor
Dario Schmunck viel een beetje uit de toon. Hij heeft zeker stijlgevoel
en een mooi timbre, maar is wat onzeker in de hoogte en ten opzichte van
zijn collega’s kwam hij duidelijk volume te kort. Anderzijds moeten we hem
dankbaar zijn dat hij deze rol op korte tijd heeft willen instuderen na het
afzeggen van John Osborn. De Italiaanse bariton Nicola Alaimo stak
letterlijk en figuurlijk met kop en schouders boven de anderen uit. Hij weet
zijn grote stem perfect te gebruiken, met grote emotionele uitbarstingen
waar nodig, maar ook met prachtige piano’s. De stem is bovendien egaal over
de gehele lijn. Hij weet ook met de nodige nuances in zijn zang en de tekst
een geloofwaardig karakter neer te zetten. Ook voor de bas Mirco Palazzi als
de verrader Mocenigo heeft Donizetti’s muziek geen geheimen en we waren
onder de indruk van de vocale mogelijkheden van Karoly Szemeredy als
Caterina’s vader Andrea Cornaro.
Tijdens de jaren dat we de operavoorstellingen van “De matinee” bijwonen
hebben we al heel wat voortreffelijke belcantodirigenten de revue zien
passeren. Denken we maar aan mensen als Giuliano Carella of, recentelijk nog
in “Guillaume Tell”, Paolo Olmi. We vragen ons dan ook af wat de
organisatoren op het idee gebracht heeft om voor deze “Caterina Cornaro” de
Engelse dirigent David Parry te engageren. Onder zijn leiding speelde de
Radio Kamer Filharmonie constant te luid, wat de solisten meermaals in de
problemen bracht, en wat naar onze mening vooral Nelly Miricioiu aanzette
tot luider zingen dan wenselijk. Parry offert voortdurend de melodie op aan
een allesoverheersend ritme, met onproportioneel gebruik van het slagwerk.
Onder zijn leiding lijkt het wel of Donizetti zijn muziek schreef voor een
of andere obscure harmonie. Parry’s inbreng tijdens de voorstelling beperkt
zich tot het slaan van de maat, zonder enig contact met zijn orkest of de
solisten. Miricioiu verdiende beter voor haar jubileum.
Al bij al een voorstelling van een niet zo interessant werk, die vooral te
lijden had onder een onwaardige dirigent. En als we het over Miricioiu
hebben denken we liever terug aan een aantal onvergetelijke voorstellingen
die we vroeger met haar zagen in binnen- en buitenland, dan aan deze
“Caterina Cornaro”.
Voor de Donizetti-adepten tenslotte nog dit: Miricioiu zingt op 13 februari
2011 in de Londense “Queen Elizabeth Hall” de rol van Antonina in
Donizetti’s “Belisario”. Het concert wordt georganiseerd door de “Celsea
Opera Group”. Meer info
hier.
H.D. (Gepubliceerd op 21/3/2010)
Foto's van boven naar onder:
1) Nelly Miricioiu.
2) Nicola Ataimo.
TERUG NAAR KEUZELIJST NEDERLAND
![]()