OPERA GAZET
![]()
Operette van Franz Lehar (muziek) en Viktor Léon en Leo Stein (libretto) naar het blijspel “L’attaché d’Ambassade” van Henri Meilhac. Wereldpremière op 30 december 1905 in het Theater an der Wien te Wenen. Première van deze productie door Wiener Operetten Sommer in het Schlosspark Theresianum te Wenen op 6 juli 2010. Bijgewoonde voorstelling op 27 juli 2010.
Deze overbekende en zeer populaire operette was de
aanzet voor Franz Lehar om van al zijn werken successen te maken. Het
verhaal is goed en de muziek bestaat uit louter overbekende aria’s, duetten
en ensembles. Ook is er mogelijkheid tot uitgebreide choreografie en veel
humor.
De nieuwe leiding van Patricia Nessy en Markus Windberger was na “Wiener
Blut” in 2009 nu aan deze “lustige weduwe” toe. Spijts het slechte weer werd dit een
hoogtepunt. Het spektakel was dusdanig dat de koude wind en de harde zitjes
vlug vergeten waren. Een operette-uitvoering zoals ze moet gespeeld en
gezongen worden! In openlucht praten en zingen bij winderig weer maken het
gebruik van micro’s absoluut aanvaardbaar en zelfs noodzakelijk.
Het podium, voor een kleine grot, was zeer functioneel ingedeeld en werd op
alle niveaus gebruikt met een simpel decor van Markus Windberger. De
enscenering van Alexandra Frankmann-Kopp was zeer geïnspireerd met vele
vondsten. Slechts op enkele minieme momenten kwamen enkele grappige teksten
niet honderd procent over. Verder slechts lof voor de uitvoering.
Het Metropolitan Kamerorchester Wien o.l.v. Charles Prince klonk heel mooi.
Het was alleen jammer dat de dirigent niet voldoende zichtbaar was voor de
zangers.
De choreografie van Markus Tesch viel vooral op in het Grisetten-ensemble
waarin ook Valencienne zich een regelrechte showgirl toonde. Monica
Theiss-Eröd was geknipt voor de rol en zong ook zeer goed. Het Weiber-septet
werd eveneens zeer vlot en vindingrijk gebracht. Ook vocaal was alles van
hoog niveau. Tatjana Schullern was de Hanna Glawari op deze avond. De meeste
voorstellingen zou Patricia Nessy zelf zingen, maar ook deze zangeres was
zeer goed in de titelrol. Bij de heren was de bariton Thomas Weinhappel de
Danilo. Hij heeft een knap uiterlijk, een volle stem met een goede hoogte en
veel nuances. Hij doet een beetje denken aan Thomas Hampson en Bo Skovhus.
Vroeger kenden we ook Peter Minich en uiteraard Johannes Heesters in deze
rol. Weinhappel heeft een beetje van hen allemaal. De alternatieve vertolker
voor deze rol was een tenor, n.l. Mark Janicello die we dus niet hoorden. De
tenor Gernot Heinrich was een goede Camille de Rosillon met zeer lichte maar
correcte hoge noten. Christian Theodoridis was een uitzonderlijk goede Mirko
Zeta, zowel vocaal als met doordachte pointes. Goed gecast waren ook Florian
Ehrlinger en Matthias S. Raupach als Cascada en St. Brioche: de ene heel
groot, de andere vrij klein, handig uitgebuit in de regie. De Njegus van
Robert Kolar was dan weer vrij beheerst gespeeld. Zeer opvallend was ook dat
de genoemde vertolkers en ook de drie Pontevedrijnse koppels allen zeer goed
getypeerd waren. Grappig was ook de oudste man, die bijna niet meer kon gaan
tot hij achter een grisette aanzat. Zijn echtgenote haalde dan weer bij elke
stunt een flacon van onder haar jurk te voorschijn. Al die kleine rollen
werden vertolkt door Hans Steunzer (Bogdanowitsch), Ingrid Duscher
(Sylviane), Pete Erdelyi (Kromov), Dagmar Dekanovsky (Olga), Richard
Schmetterer (Pritschitsch) en Monica Arno (Prascovia). Tot slot: Constanze
Schober was de piccolo.
Het orkest werd soms aangevuld door de Tamburizza-Gruppe o.l.v. Ivan Vucovic
Parndorf en Monica Arno speelde op accordeon enkele tussenspelletjes.
Een zeer goede voorstelling op hoog niveau. We kennen zelf deze operette zeer goed en getuigen graag dat alles zeer professioneel verliep.
We zijn al benieuwd naar het volgende festival waar van 5 juli tot en met 5 augustus 2011 “Die Csardasfürstin” van Kalman opgevoerd wordt.
H.V. (Gepubliceerd op 14/8/2010)
Foto's van boven naar onder:
1) Het herenseptet.
2) Patricia Nessy als Hanna Glawari en heren.
3)
Copyright foto's
©
Philipp Hutter
TERUG NAAR KEUZELIJST OOSTENRIJK
![]()
Opera van Wolfgang Amadeus Mozart (muziek) en Lorenzo Da Ponte (libretto). Wereldpremière op 26 januari 1790 in het Burgtheater te Wenen. Première van de huidige productie in Schloss Schönbrunn, Apothekerhof op 14 juli 2010. Bijgewoonde voorstelling op 28 juli 2010.
Na de eerste aankondigingen van deze
productie van “Cosi fan tutte”, werden er nogal wat wijzigingen doorgevoerd
in leiding en bezetting. Intendant Martin C. Turba is er toch in geslaagd
alles op zijn pootjes te krijgen.
Vincent de Kort was de gastdirigent die nog vlijtig met het orkest
repeteerde tot kort voor aanvang van de opvoering. Hij kende de partituur
blijkbaar grondig. Dit was de zevende voorstelling en het pleit voor zijn
inzet dat hij zich zo engageerde. Hij wist een mooie volle klank uit het
orkest te toveren, hield de zangers goed vast en volgde waar nodig. De
orkestopstelling was eigenlijk niet heel gunstig voor het publiek vooraan en
evenmin voor de zangers als deze hem door de actie niet konden zien. De
dirigent stond trouwens met de rug naar het podium. De koorfragmenten waren
gecoupeerd.
Laurence Dale was aangekondigd als dirigent en regisseur, maar kweet zich
slechts van de laatste taak. Wij kennen deze opera vrij goed, maar omdat in
het originele Italiaans gezongen werd en er geen boventeksten waren, was de
actie soms toch wel verward voor het publiek. Men vond blijkbaar de
verkleedpartijen wel leuk. In deze moderne versie vertrekken Ferrando en
Guglielmo als blauwhelmen op missie. Later komen ze terug als “motards” of
nozems.
Er zat weinig inspiratie in. Despina, als dokter, later notaris, was
beter verkleed dan de heren. Tijdens de “motard-verkleding”, vinden
Fiordiligi en Dorabella het nodig zichzelf op het podium om te toveren tot
een soort Gothic wezens, volledig in het zwart, met de haren losgetrokken en
Dorabella zelfs met hoge zwarte laarzen. Meestal droeg men moderne kledij en
de dames wisselden regelmatig van toiletje. De personenregie bestond
hoofdzakelijk uit stilstaan of stilzitten. Het sober decor hielp natuurlijk niet en
het bestond eigenlijk uit een (echte) boom, een beeld en (te dikwijls) in en
uit het venster kruipen.
Fiordiligi werd vertolkt door de Amerikaanse sopraan Ariana Strahl. Ze is
slechts 24 jaar en het was haar eerste grote operarol. De stem heeft een
mooie kleur en is zeer egaal en ook de laagste noten zijn niet geforceerd.
De Argentijnse mezzosopraan Lorena Espina was een zeer goede Dorabella en
bezit al heel wat “métier”. De Poolse sopraan Anna Simonska zong reeds Adèle
(Die Fledermaus) en De Koningin van de Nacht (Die Zauberflöte) in de Weense
Staatsopera. Het was haar eerste optreden als Despina. Ze heeft een prachtig
stemgeluid en acteert zeer goed.
De dames overtroffen zeker de heren in kwaliteit. De Hongaarse tenor Tibor
Szappanos zong voor het eerst in Wenen. Hij heeft helaas zijn figuur als
jeune premier niet mee en is nogal onhandig in zijn bewegingen. Hij kon wel
alles zingen maar de prestatie was niet geweldig mooi.
De
Oostenrijks-Amerikaanse bariton Alexander Puhrer was Guglielmo en op elk
terrein de beste bij de heren. Als Don Alfonso trad de Duitse bariton Marcus
Niedermeyr op. Hij zong zeker niet slecht, maar we hadden een meer donkere
stem voor deze rol verwacht. Zijn figuur was te neutraal, hij had meer
intrigant moeten zijn.
We moeten de intendant feliciteren dat hij de
moed heeft om na jarenlang operettes in Schönbrunn te spelen, nu ook een
opera liet opvoeren. Het is misschien een goed idee een typische Weense
operette geregeld af te wisselen met een (Weense) opera.
Voor volgend
seizoen werd nog niets bekend gemaakt.
H.V. (Gepubliceerd op 14/8/2010)
Foto's van boven naar onder:
1) Lorena Espina (Dorabella), Mirjam Neururer (Despina) en Ariana Strahl
(Fiordiligi)
2) Het volledige gezelschap.
3) Tibor Szappanos (Ferrando), Lorena Espina (Dorabella), Ariana Strahl
(Fiordiligi) en Alexander Puhrer (Guglielmo)
Copyright foto's ©
Musik Theater Schönbrunn.
TERUG NAAR KEUZELIJST OOSTENRIJK
![]()
Operette
van
Johann Strauss (muziek) en Carl Haffner & Richard Genée (libretto) naar
“Le Réveillon” van Henri Meilhac & Ludovic Halevy. Wereldpremière op 5 april
1874 in het Theater an der Wien te Wenen. Première van deze productie in het
Theater an der Wien op15 juli 2010. Bijgewoonde voorstelling op 29 juli
2010.
We
gingen met veel zin naar het beroemde gebouw waarin nu “Das neue Opernhaus”
resideert. Hier klonk “Die
Fledermaus” voor het eerst! Visueel had regisseur Philipp Himmelmann de
actie van deze operette geplaatst tijdens een Operabal in het Theater an der
Wien zelf. Helaas werd de mooie en bekende ouverture verknoeid door allerlei
lawaai en spelletjes op het podium, waar de volledige cast en koor aanwezig
waren. Voor zover we konden horen, en met de dirigent in het zicht, was het
orkestspel zeer goed. Cornelius Meister leidde het ORF
Radio-Symphonieorchester Wien in de juiste stijl en dat bleef de hele avond
zo. Er werd tijdens dit "voorspel" een soort stoelendans uitgevoerd waarbij
de verliezer op de grond vloog en telkens iets moest uittrekken. Opmerkelijk
was hiervoor geen applaus en trouwens de hele eerste akte niet. Het publiek
had dus wel smaak!
Het was de bedoeling dat men hier uitbeeldde wat vooraf gebeurde. Dit wordt
normaal verteld door Eisenstein in de tweede acte. De grote verliezer Falke
wordt, verkleed als vleermuis en na het feest ‘s nachts achtgelaten in de
stad. Hier werd hij als een kikker verkleed!?! Alle solisten, die elkaar
later zogezegd niet mogen kennen of herkennen, lopen hier gewoon door
elkaar. We zijn geen puristen, maar dat er zo dikwijls uitgekleed werd met
veel aanstootgevende suggesties had totaal geen zin. Wie daaraan behoefte
heeft gaat niet naar een Johann Strauss operette. Alfred, die bij vergissing
aangehouden werd, gaat niet naar de gevangenis. Hij zit heel de tweede acte
gewoon in een zijloge van de zaal en kijkt naar de Bühne.
De
verkleedpartij in de derde acte, waar Eisenstein voor advocaat Blind speelt
en zo zijn eigen vrouw ondervraagt met haar zgn. minnaar, was gewoon
belachelijk. Een bril en een veel te klein pruikje moesten de zaak zogezegd
opknappen. Trouwens, die Blind zat de hele avond op de scène en probeerde
(in onderbroek) komisch te doen. Het hele podium was de hele tijd een
spiegelbeeld van de zaal zelf.
Het ballet danste een “Einlage” (Der Froschkönig volgens het
programmaboekje). Dit werd zeer goed uitgevoerd. Aan het slot dankten zij
het aanwezige, applaudisserende volk op het podium en niet de zaal, die
trouwens geheel niet reageerde! Deze “andere” versie en de regie waren voor
ons waardeloos! Het was wel jammer voor de regisseur dat er zoveel muziek in
“Die Fledermaus” komt en nog erger dat men ook zingt en dat er zoveel humor
in zit .Wat een belemmering voor die vele uitkleeedscènes...
Wat de hoofdrollen betreft, was ook niet alles volmaakt, maar toch dikwijls
in de juiste stijl. Als Adèle hoorden we Juanita Lascarro. Zij is meer een
lyrische dan een coloratuursopraan. Dit bracht mee dat haar hoge noten
minder mooi waren, behalve een prachtige hoge D in haar aria “Spiel ich die
Unschuld…”. Ook Nicola Beller Carbone vonden we niet de meest geschikte stem
voor Rosalinde. Haar Csardas “Klänge der Heimat” klonk erg moeilijk en miste
de Hongaarse kleur en emotie. Normaal is ze in de tweede acte gemaskerd en
verkleed als Hongaarse gravin en laat ze zich bijna verleiden door haar man,
die haar niet mag herkennen. Hier droeg zij geen masker maar een
blinddoek….! De kleine rol van Ida, de zuster van Adèle, werd kleurloos
gespeeld door Swintha Gersthofer.
Bij de heren waren verschillende bekende zangers. De tenor Kurt Streit was
een goede Eisenstein en de andere tenor Rainer Trost, was heel goed als
operazanger en zangleraar Alfred. Beide waren ook vlotte acteurs. De bariton
Florian Boesch was Dr. Falke. Hij bezit een mooie stem, maar zijn grote
aanzet van het ensemble “Brüderlein” miste de nodige romantiek, wellicht
niet zijn fout! Hij moest in de derde acte ook opdraaien voor enkele
zinnetjes van gevangenbewaarder Frosch. Deze figuur die normaal “de”
grappige acteur is, ontbrak gewoon. Vreselijk om aan te horen en te bekijken
was de countertenor Jacek Laszczkowski als Orlowski.
Een
bleke gevangenisdirecteur met een mooie stem werd gebracht door Markus
Butter. Ook uit zijn rol was de traditionele humor weggeschreven. De enige
die humor gegund werd, was Erik Arman als Dr. Blind, maar dan weer onlogisch
en overdreven. Er waren nog twee böhmische Mädchen die een kort duetje
zongen tijdens een “Einlage”: Milena Arsovska en Johanna Aschenbrenner. Het
meeste applaus achteraf ging naar Rosalinde (zonder onze instemming) en naar
de dirigent met zijn orkest (wel met onze instemming).
We vrezen dat Johann Strauss niet gelukkig zou zijn met deze productie.
H.V. (Gepubliceerd op 14/8/2010)
Foto's van boven naar onder:
1) Swintha Gersthofer (Ida), Nicola Beller Carbone (Rosalinde) en Kurt
Streit (Eisenstein)
2) Florian Boesch (Falke), Juanita Lascarro (Adèle) en Kurt Streit
(Eisenstein)
3) Jacek Laszczkowski (Orlowski) en Kurt Streit (Eisenstein)
Copyright foto's ©
Armin Bardel-Thea.
TERUG NAAR KEUZELIJST OOSTENRIJK
![]()