OPERA GAZET
![]()
“NAJAARSCONCERT CHORALE CAECILIA”
Concert
door de Chorale Caecilia in de Christus-Koningkerk te Antwerpen op 24
oktober 2010.
De
Chorale Caecilia bood een gevarieerd programma aan als najaarsconcert. De
majestueuze Kristus-Koningkerk te Antwerpen was uitverkocht en vormde een
goede toevlucht voor het gure herfstweer.
Er werd van start gegaan met een werk van eigen bodem. De Vlaamse priester
Jules Van Nuffel componeerde in 1916 de psalm “Super Flumina Babylonis”.
Dit imposante werk is geschreven voor een 4 tot 6 stemmig gemengd koor met
orgelbegeleiding. Deze bekende Bijbelse psalm is een nationale hymne over
het leed en de droefheid van het Joodse volk. In de 20e eeuw kreeg de tekst
een bijzondere betekenis in het kader van het lot van de joden. Deze
opwarmer voor koor en orgel kwam zeer indringend over.
Dan volgde het orgelconcerto in g klein van
Francis Poulenc. In feite was het een wonder dat deze compositie tot
stand kwam, want Poulenc had weinig of geen affiniteit met de
orgelliteratuur of religieuze muziek. Maar in 1938 was het zover, eerst in
besloten kring en daarna in 1939 vond de eerste publieke uitvoering plaats
in de Salle Gaveau met Maurice Duruflé aan het orgel. De composities van
deze Fransman zijn sterk melodisch. Peter Van de Velde aan het orgel en het
Kamerorkest La Passione onder leiding van
Sebastiaan van Steenberge wisten ons te boeien door de grote afwisseling
tussen dramatische passages en lyrische momenten. Van Poulenc kent de
operaliefhebber doorgaans alleen “Dialogue des Carmélites”, maar het loont
de moeite de instrumentale muziek van deze Fransman beter te leren kennen.
Tot slot kregen wij het Requiem van de Engelsman
Andrew Lloyd Webber, vooral bekend door zijn musicals, waarvan sinds
meer dan dertig jaar ononderbroken één of meer titels op het programma staan
in het Londense West End of op Broadway te New York.
De muzikale wereld was in 1984 dan ook meer dan verwonderd dat deze
populaire componist een serieus werk produceerde, een “Requiem”
nog wel, waarvan de première in een kerk plaats greep. Het moet gezegd dat
deze première, in de St. Thomas Church te New York op 25 februari 1985, de
nodige luister kende met Lorin Maazel aan het hoofd van het English Chamber
Orchestra en voor de solisten klinkende namen als Placido Domingo en Sarah
Brightman.
De
muzikale stijl van het werk verraadt natuurlijk de musicalcomponist door
enkele popachtige nummers, maar er zijn ook meer complexe en subtiele
momenten, zelfs ernstige en sobere. De melodische vindingrijkheid van Lloyd
Webber vinden wij terug in het Pie Jesu, veruit het meest populaire nummer,
dat ook geregeld als apart nummer uitgevoerd wordt.
Het Requiem werd geschreven naar aanleiding van de dood van zijn vader
William Lloyd Webber in 1982. De eerste versie werd in 1984 boven de
doopvont gehouden tijdens het Sydmonton Festival te Berkshire.
De jongenssopraan Alexander Sas begon aarzelend maar wist nadien zijn partij
maximaal te verdedigen. De sopraanpartij is geschreven voor Sarah Brightman
en volledig gericht op zeer hoge noten.
Martine Reyners
heeft een aangenaam, helder timbre en zij slaagde schitterend in de opdracht
om deze acrobatische hoge tonen te verklanken. De tenorrol was in handen van
Gijs Van Der
Linden
en net als Placido Domingo wist hij ons maar weinig te boeien in een partij
die in feite weinig uitgewerkt is en in de schaduw blijft van de sopraan.
Het omvangrijke koor klonk overweldigend. De akoestiek in een kerk is nooit
optimaal en daardoor kwam het ensemblewerk niet altijd duidelijk
gestroomlijnd over ondanks de maximale inzet van de dirigent.
Al bij al vonden wij de programmakeuze zeer gevarieerd en genoten wij van al de uitvoerders. Een welverdiend applaus ontbrak niet en de solisten werden bij het slot in de bloemetjes gezet.
P.T. (Gepubliceerd op 26/10/2010)
Foto's van boven naar onder:
1) Martine Reyners.
2) Gijs Van der Linden.
Copyright foto 1
© Luk Monsaert
![]()
Musical
van
Andrew Lloyd Webber (muziek) en
Don Black (lyrics). Première van deze productie door “Musical voor
Vlaanderen” in de Zuiderkroon te Antwerpen op 3 oktober 2010. Bijgewoonde
voorstelling op 14 november 2010.
De
originele versie van “Tell
me on a Sunday” werd geschreven in 1979. Het idee van een musical met
slechts één personage was van
Tim Rice.
Samen met Lloyd Webber wilden zij na hun succes van “Evita” aan een minder
ambitieus project werken. Nog in het begin van hun samenwerking besefte
Lloyd Webber dat Tim Rice de liedjesteksten specifiek voor Elaine Page
schreef met wie deze (getrouwd en vader van twee kinderen) een onstuimige en
schaamteloze verhouding had. De conservatieve Andrew was geschokt door Tim’s
indiscretie en vond dat het optreden van Elaine Page in de reeks
voorstellingen zou overkomen alsof hij akkoord ging met deze verhouding. Tim
Rice kreeg zijn C4 en Don Black kwam in zijn plaats. Deze begon onmiddellijk
de teksten te schrijven, gedeeltelijk op muziek die Lloyd Webber al
gecomponeerd had terwijl hij in New York was voor repetities van “Evita”.
Het was toen nog een weinig uitgewerkte song-cyclus over een meisje uit
Essex dat naar New York en Hollywood trekt waar zij weinig succesvolle,
zelfs rampspoedige liefdesrelaties meemaakt.
Het werk werd voor het eerst opgevoerd met Marti Webb op het Sydmonton
Festival in 1979 en ook uitgezonden op televisie. In 1982 werd besloten deze
korte musical van minder dan een uur te combineren met een ballet. Er werd
geopteerd voor “Variations”, een klassiek werk gebaseerd op het Caprice Nr.
24 van Paganini dat Lloyd Webber schreef voor zijn broer en cellist Julian
Lloyd Webber. In deze combinatie en onder de titel “Song and Dance” beleefde
het werk een lange reeks voorstellingen in het Palace Theatre te Londen. Na
Marti Webb zongen Gemma Craven, Liz Robertson, Carol Neilsson en Sarah
Brightman de rol van het meisje.
De
opvoering die wij bijwoonden was op alle facetten bevredigend.
Deborah De Ridder
heeft het juiste stemtype voor de rol en acteerde met veel overtuiging. De
rol vraagt een bijzonder inlevingsvermogen, want het personage dat steeds
alleen op de scène staat, moet soms laten suggereren dat zij met een voor
het publiek onzichtbare partner dialogeert. Zij praat ook veel via haar GSM
en tegen haar knuffelmuis. De liedjes volgen elkaar op in een ononderbroken
tempo, zonder gesproken dialogen. Ze zijn afwisselend opgewekt (als er een
nieuwe relatie op touw staat), woedend (als de man niet komt opdagen of het
laat afweten) en tot droefheid stemmend (als ze alleen achtergelaten haar
leven overweegt).
De bekendste song “Take that smile off your face”, hier in het Nederlands
vertaald als “Ik kijk dwars door je heen” werd met veel schwung gebracht.
Waarom de titel: “Tell me on a Sunday”? Als een man een relatie verbreekt
heeft het meisje het liefst dat het haar op een zondag verteld wordt!
Na drie teleurstellingen stelt zij zich tevreden met een getrouwde man en is
bereid een “twaalf-tot-twee” relatie te ondergaan om in haar carrière te
slagen en een “green card” te bemachtigen. Als de man haar meldt dat hij
zijn vrouw van zijn nieuwe liefde in kennis heeft gesteld en met haar een
nieuw leven wil opbouwen, is het meisje ontsteld omdat zij niet van hem
houdt! Op haar beurt geeft zij een man de bons. Zij belooft zichzelf naar de
idealen en de ethiek terug te keren die zij had toen zij in New York
aankwam.
De
regie van
Frank van Laecke, een man die wij vooral kennen van grote producties
(Kuifje, Daens, Dracula…), was zeer efficiënt en sfeervol. Twee half
afgeschermde draaitonelen zorgden voor vlotte en feilloze scènewisselingen.
De vele outfits die het meisje in een mum van tijd aan en uitdeed, waren een
lust om naar te kijken. Het geheel was ook bijzonder smaakvol en modebewust.
Een klein en goed klinkend instrumentaal ensemble stond onder leiding van
Alex Roosemeyers. Opvallend waren de tussenkomsten van de cello (Robrecht
Kessels). Blijkbaar heeft Lloyd Webber ook bij de compositie van deze
musical aan zijn broer Julian gedacht.
Een aanrader! Er zijn nog voorstellingen op 19 december 2010 in de Zuiderkroon te Antwerpen en op 26 december 2010 in de Capitole te Gent.
G.M. (Gepubliceerd op 16/11/2010.
De drie foto's: Deborah De Ridder.
Copyright foto's © Music Hall Group.
![]()
Concert door de Internationale Robert Stolz Club België vzw op 12 maart 2011 (bijgewoond) en op 13 maart 2011 in het Kunstcentrum deSingel te Antwerpen.
Het
concert startte met de ouverture van “Das Land des
Lächelns” van Franz Lehar. We hebben zelf een sterke band met Lehar en
vooral met dit werk en konden daardoor nog meer van de diverse uittreksels
genieten.
Sebastian
Reinthaller zong daarna “Immer nur lächeln”, gevolgd door Elisabeth
Flechl met “Ich möchte gern wieder einmal die Heimat sehn”. Kris Struyven
bracht dan “Dein ist mein ganzes Herz”. Niemand kan ontkennen dat deze tenor
een prachtige stem bezit, maar aan de muzikaliteit en de uitdrukking zou nog
veel kunnen verbeterd worden. Uiteraard moeten we er rekening mee houden dat
een andere geprogrammeerde tenor zich ziek gemeld had en dat Struyven hier
praktisch op het laatste moment was ingevallen. Ook Reinthaller
nam
enkele geprogrammeerde aria’s over en vervolgde met “Von Apfelblüten einen
Kranz”.
Dan volgden balletfragmenten uit ditzelfde werk door Linda Baclaine. Zij had
de choreografie hiervoor zelf verzorgd. Ook haar partner Giuliani was op
niveau. Tot slot van dit gedeelte zongen de Weense gasten “Wer hat die Liebe
uns ins Herz gesenkt” met een prachtige vioolsolo van de concertmeester: een
niet genoemde maar zeer verdienstelijke dame.
Vervolgens toonde Elisabeth haar acteertalent met het bekende Schwipslied op
muziek van de Annenpolka vanJohann Strauss. Dit kleinood bewerkte Anton
Paulik voor de zangeres Esther Rethy, die haar rol in “Eine Nacht in
Venedig” te klein vond! Marta Beretta zong dan het mooie “Ah, quand je dors”
van Franz Liszt op tekst van Victor Hugo en in een prachtige orkestratie van
dirigent André Walschaerts. Hier en ook verder in het concert bleek dat deze
mezzosopraan vocaal veel bijgewonnen had, vooral in de hoogte. Daarna zong
Elisabeth Flechl het innige “Ave Maria” van Robert Stolz. Het eerste deel
sloot Marta Beretta samen met Kris Struyven af in een wel zeer trage versie
van de schlager “Con te partiro”.
Deel twee opende met de pittige Polka “Auf der Jagd” van Johann Strauss, ook
erg vinnig uitgevoerd dankzij een erg inlevende André Walschaerts.
Verder
met Johann Strauss: Marta Beretta zong “Ich lade gern mir Gäste ein” uit
„Die Fledermaus“. Het refrein had wel iets vlotter mogen zijn, maar verder
was het goed gebracht. Leuk was het applausje voor de technicien die een
stoel kwam afhalen. Hierna volgde weer het Weense duo in “Dieser Anstand, so
manierlich” met veel acteerwerk erbij!
Toen kwam voor ons persoonlijk een première: wij hoorden voor het eerst
tenor Reinthaller als operazanger en wel met de aria “Recondita armonia” uit
“Tosca” van Puccini. Een prachtprestatie was het, zowel vocaal als
interpretatief! Wat ons betreft: nog meer opera voor deze sympathieke tenor.
Marta Beretta zong dan wat onevenwichtig het mooie “Mon coeur ’s ouvre à ta
voix” uit “Samson et Dalila” van Camille Saint-Saëns en het operagedeelte
werd besloten met “Nessun dorma” uit “Turandot” van Puccini door Kris
Struyven. Natuurlijk met bravogeroep uit de zaal, maar er waren betere
momenten geweest om zo te juichen!
De twee dansers brachten dan een passende Pas-de-deux op het lied “Salome”,
waarmee het deel rond Robert Stolz werd ingezet. Elisabeth Flechl vervolgde
dan met het aangrijpende “Musikant”, weer met vioolsolo. Deze sopraan, die
een volle warme stem bezit, liet hier ook erg fijne piano’s horen, daardoor
werd haar prestatie zeer artistiek vervolledigd. Reinthaller en Beretta
zongen dan “Du, du, du, schliess deine Augen zu”. Het officiële gedeelte
sloot dan af met “Adieux, mein kleiner Gardeoffizier”. Ook van dit
eenvoudige liedje wist deze schitterende stertenor een pareltje te maken.
Dan volgden nog enkele bekende Stolz-refreintjes waarin vooral Reinthaller
probeerde de Schwung erin te houden.
Voor ons was de klankinstallatie weer een doorn in het oor: slecht afgesteld
en/of bediend. Voor de meeste solisten was ze nutteloos en zeker voor het
prachtige Groot Robert Stolz Promenadeorkest. André Walschaerts was
uiteraard weer de volgzame doch secure dirigent die zowel artistiek als
praktisch met de twee Weense zangers het succes van dit concert uitmaakte.
Vergeten we ook niet de presentator René Vanderspeeten, die op zijn gekende
gemoedelijke wijze het geheel aan elkaar praatte met nog vele interessante
details.
Sebastian Reinthaller is tijdens de zomer te horen in “Die Dollarprinzessin” van Leo Fall en Elisabeth Flechl in “Boccacio” van Franz von Suppé, telkens in de Sommerarena te Baden bei Wien. Info op www.buehnebaden.at
H.V. (Gepubliceerd op 15/3/2011)
Foto's van bove naar onder:
1) Sebastian Reinthaller.
2) Elisabeth Flechl.
![]()