OPERA GAZET
![]()
Opera van
Judith Weir (muziek en libretto) naar
Ludwig Tieck. Gecreëerd door de English National Opera at the Coliseum te
Londen op 20 april 1994. Bijgewoonde voorstelling door Muziektheater
Transparant in de Vlaamse Opera te Antwerpen op 21 mei 2011.
De geschiedenis van “Blond Eckbert” is gebaseerd op een kort verhaal dat
Ludwig Tieck schreef in 1797 en waarin de psychologie van het onderbewuste
wordt verbonden met de spanning van een thriller. Ziehier de bizarre inhoud:
de blonde Eckbert is een jonge man die gehuwd is met de rijke Bertha. Zij
leiden een geïsoleerd bestaan. Enkel Walther, die bij het opgaan van het
doek op bezoek komt, is een vriend des huizes.
Eckbert spoort zijn vrouw aan het verhaal van haar jeugd aan zijn vriend
Walther te vertellen. Zeer jong verliet zij haar ouders die haar
mishandelden en zij werd opgevangen door een mysterieuze oude vrouw die
samenleefde met een hond en een vogel. Deze laatste bezat de wonderbaarlijke
eigenschap parels, juwelen en goud te leggen in plaats van eieren. Zij werd
de vertrouwelinge van deze vrouw en mocht geregeld alleen blijven met de
hond en de vogel. Bertha bond de hond vast, stal de vogel en de schat en
keerde terug naar haar geboortestreek. Haar ouders waren intussen gestorven
en alles was haar vreemd geworden. Zij was nu een rijke vrouw en trouwde met
de blonde Eckbert. De naam van de hond was zij vanzelfsprekend vergeten.
Walther bedankt voor de vertelling en zegt terloops dat de naam van de hond
“Strohmian” was. Eckbert en Bertha zijn ontzet over deze mysterieuze
onthulling. Uit vertrouwen groeit wantrouwen. Eckbert neemt zijn geweer,
achtervolgt Walther en vermoordt hem. Bertha sterft door een hartstilstand.
Eckbert doolt verder door het leven. Tenslotte onthult de vogel hem de
waarheid: hij en Bertha leefden in bloedschande, zij waren broer en zus.
Walther was slechts de vermomming van de oude vrouw. Eckbert wordt gek en
sterft.
Harmonisch gezien, hadden wij vlug door dat het hier niet om een rijke
partituur ging, maar van de instrumentalisten werd wel een flinke dosis
virtuositeit verlangd. Het muzikaal ensemble Oxalys onder leiding van Robin
Engelen klonk glashelder, “transparant” zou hier een gepaste term zijn,
technisch zeer vaardig en met voortreffelijke blazers. Regisseur Wouter van
Looy wist dit vreemde gegeven op de juiste manier in te schatten. Hij
gebruikte hiervoor een concept dat wij al in 2007 in het Théâtre du Châtelet
in Parijs gezien hadden, ter gelegenheid van een opvoering van Rossini’s “La
pietra del paragone”. Op de scène bevonden zich maquettes van decors en twee
camera’s waarvan de ene een maquette live op een scherm projecteerde en de
andere er een personage, vaak in close-up, invoegde. Dat gaf mooie effecten
en omdat alles in zwart/wit was, deed het denken aan een oude film. Het
geheel werd bovendien in het Nederlands ondertiteld, zodat de actie goed te
volgen was.
Bij de solisten hoorden wij enkele mooie stemmen, vooral Harry Nicoll wist
ons te bekoren in de rol van Walther. Hij is een uitgesproken Engelse tenor
met het heldere stemtimbre dat wij kennen van o.a. Peter Pears en Robert
Tear. Jammer dat hij hier niet meer te zingen had en wij hopen dan ook hem
nog eens terug te horen in een meer omvangrijke partij in bv. een opera van
Benjamin Britten. Adrian Clarke is een bariton met een uitstekende techniek,
een mooie stem met een makkelijke hoogte die probleemloos gestalte gaf aan
het personage van Eckbert. De mezzosopraan Lien Haegeman had genoeg
narratieve en theatrale kwaliteiten voor de rol van Bertha, maar de lichte
sopraan Romana Beutel schoot te kort in de rol van de vogel. De stem miste
coloratuurvaardigheid en de hoogte was niet trefzeker. Jammer, want zij had
de meest omvangrijke zangpartij.
Deze amper één uur durende opera werd door het publiek zeer enthousiast
onthaald. Judith Weir was aanwezig in de zaal maar hield zich discreet op de
achtergrond.
Er is nog een voorstelling op 22 mei in de Rotterdamse Schouwburg. Op 6 en 9
augustus 2011 wordt de opera opgevoerd bij de Bregenzer Festspiele met het
Symfonieorkest Vorarlberg.
G.M. (Gepubliceerd op 22 mei 2011)
Foto's van boven naar onder:
1) Rechts: Romana Beutel als de vogel.
2) Adrian Clarke als Eckbert.
3) Vooraan rechts: Romana Beutel als de vogel, links: Adrian Clarke als Eckbert.
Copyright foto's
©
Wouter Van Looy.
![]()
Opera
van Dirk
D’Ase op een libretto van Stef Lernous naar motieven van
Maurice Maeterlinck. Gecreëerd in het Kunstencentrum Vooruit te Gent op
17 mei 2011. Bijgewoonde voorstelling in de Rode Zaal van deSingel op 25 mei
2011.
Deze
korte opera van ongeveer 70 minuten, een coproductie van de Vlaamse Opera en
Abattoir Fermé, werd geïnspireerd door diverse werken van Maeterlinck. Deze
Frans schrijvende Vlaming, de enige Belg die ooit een Nobelprijs wegkaapte,
zal de operaliefhebber vooral kennen door Debussy’s mysterieuze “Pelléas et
Mélisande”.
De inhoud van “L’Intruse” is al even duister. Een koning komt thuis van een
verre zeereis. Zijn zuster begroet hem met de melding dat zijn echtgenote
overleden is en dat het kasteel niets meer te bieden heeft dan droefheid. De
koning heeft echter zijn pleziertje meegebracht uit één van de verre landen:
een prinses die zich nu pas laat zien.
De beste vriend van de koning komt ook opdagen om de boel wat op te
vrolijken. Hij is vergezeld van een bende hoeren waarvan er één al vlug
indruk maakt op de kasteelheer. Als hij haar wil kussen komt echter de
prinses tussenbeide. Het meisje begint te gillen en de koning wurgt haar.
De vriend en zijn bont gezelschap verlaten het kasteel en de hele staf dient
collectief ontslag in. De kasteelheer is nu alleen met de prinses. Hij
schenkt haar kleding en juwelen van zijn overleden vrouw, maar deze
waarschuwt hem vanuit het hiernamaals dat zijn donkere lotsbestemming nu
definitief verzegeld is. De koning wordt irrationeel hysterisch en voelt
zich ellendig als ook de prinses verdwijnt. De enige overblijvende zijn de
koning en zijn zuster: de laatste twee telgen van een dorre tak.
Regisseur
Stef Lernous bracht dit surreële drama knap in beeld. Met de hulp van
Margerita Sanders voor de kostuums en Sven Van Kuijk voor het kleurloze
decor, creëerde hij een bijzonder beklemmende sfeer. “Gothic” is de beste
term om het toneelbeeld te beschrijven, waarbij een met olie besmeurd bad en
een al even smerige lavabo de meest opvallende rekwisieten waren.
De prinses komt uit een valies, amper een maat groter dan het formaat dat je
op een vliegtuig als handbagage mag meenemen! Het zal de lezer duidelijk
zijn dat het geen dik meisje was, meer beentjes dan vlees, een anorexie die
de verdere duur van de opera poedelnaakt over de scène kroop. Zij deed dit
met spinachtige bewegingen, in de stijl van de golem in de film “The Lord of
the Rings” van Peter Jackson. Aangezien zij steeds gehurkt zat, haar
sprinkhaanbenen wijd gespreid, gaf ze het publiek een rijke kijk op haar
bestendig open “garagepoort”. Ook de hoeren die de vriend van de koning
meebrengt, kropen zo ongegeneerd over het podium. Al dat volk had trouwens
geen tekst te zingen of te declameren.
Er waren slechts twee operazangers: een bariton voor de koning en een
mezzosopraan voor de rollen van de zuster, een meisje en de geest van de
overleden echtgenote. De Engelsman Omar Ebrahim is een zanger die zich
vooral profileert in moderne werken. Wij hoorden hem o.a. in “Gawain” van
Birtwistle, “Terrible mouth” van Osborne, “House of sleeping beauties” van
Defoort en “Facing Goya” van Nyman, allemaal niet alledaagse moderne
opera’s. Hij heeft een krachtige baritonstem, maar zijn voordracht was
weinig bekoorlijk, te gehakt, met weinig legato en bovendien een
erbarmelijke uitspraak van het Frans. Hannah Esther Minutillo had een beter
beheerste en meer precies gevoerde stem. Met de nodige differentiatiekunst
en een intelligente voordracht wist zij elk van de door haar uitgebeelde
personages overtuigend uit te beelden.
Over
de muzikale kwaliteiten van de partituur zullen de meningen variëren. Wij
hoorden weinig revelerende tonen, felle klankuitbarstingen en zo goed als
geen melodie. Het Symfonisch Orkest van de Vlaamse Opera onder leiding van
Yannis Pouspourikas creëerde een klankpalet met de juiste beklemmende sfeer,
maar zuiver muzikaal was de opera niet om van te smullen. Eén ding kunnen
wij met zekerheid over “L’intruse” zeggen: het wordt beslist nooit een
repertoirewerk!
G.M. (Gepubliceerd op 26/5/2011)
Er zijn nog voorstellingen in deSingel op 26 mei en in de Rotterdamse
Schouwburg op 29 mei 2011.
Foto's van boven naar onder:
1) Omar Ebrahim als de koning.
2) Hannah Esther Minutillo als de geest van de koningin.
3) Actrice.
Copyright foto's © Opera XXI.
TERUG NAAR
KEUZELIJST BELGIË
![]()
Opera
van
Jan Kuijken (muziek) en
Josse De Pauw (tekst). Gecreëerd in de
Koninklijke Vlaamse Schouwburg te Brussel op 30 april 2011. Bijgewoonde
voorstelling door LOD in de Rode Zaal van deSingel op 28 mei 2011.
“De
gehangenen” is geen gemakkelijke opera. Je kunt de tekst en de muziek
niet over je heen laten glijden zoals bij een Italiaans belcantowerk. In
deze opera is wetenschap de inzet voor een strijd tussen weten en
niet-weten, zekerheid en twijfel. De gehangenen zijn twijfelaars die zich
niet neerleggen bij wat geweten is of geschreven staat. Macht en de
uitoefening van macht zijn altijd gebaat bij wetten en vaste regels: dat
zorgt voor rust en orde. Wetenschap is twijfel, het durven “niet-weten” en
het op zoek gaan vanuit dit gebrek aan kennis. Deze filosofie vormt de basis
van de opera, waarover wij verder geen korte inhoud te vertellen hebben. Er is gewoonweg
geen actie. Vijf gehangenen bengelen achter een gaasdoek boven het podium.
Drie daarvan zijn zangers die hun teksten in het Latijn zingen en waarvan
simultaan een Nederlandse en een Franse vertaling op het gaasdoek
geprojecteerd worden: losse woorden of korte zinnen die ons moeten duidelijk
maken wat ze meegemaakt hebben alvorens opgehangen te worden. De overige
twee zijn acteurs die converseren over de liefde, over koetjes en kalfjes en
letterlijk een beetje galgenhumor brengen.
Naar het einde van de opera worden teksten geprojecteerd die verondersteld
worden ons aan het denken te zetten. Waarbij wij ons afvragen of dergelijke
stof wel geschikt is voor een opera en of deze niet beter zou passen bij een
lezing en/of een debat. Welk nut heeft het om de toeschouwers in een snel
tempo met filosofische beschouwingen te confronteren als deze niet de tijd
krijgen er rustig over na te denken?
“Laat
iedereen denken wat hij wil. Laat iedereen zeggen wat hij denkt” is voor
regisseur Josse De Pauw blijkbaar de belangrijkste boodschap, want ze werd
als enige in grote felrode letters meermaals geprojecteerd. Dat moet de
toeschouwers wel spontaan aan het denken gezet hebben, want vrije
meningsuiting bestaat in België niet meer sinds wij zoiets hebben als “het
centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding”, in de volksmond ook wel “de Gestapo” genoemd.
Dwars tegenover de vrije meningsuiting staan echter niet enkel de overheid,
maar vooral de godsdiensten. Van de Middeleeuwen tot voorbij het midden van
de twintigste eeuw domineerde de starheid van de katholieke kerk. Zij moet
nu aan haar overheersing inboeten, maar de scepter wordt overgenomen door de
islam die ons niet enkel van hetzelfde laken een broek wil verkopen, maar
ons gewoonweg terug naar de Middeleeuwen wil voeren. Is de mensheid gedoemd
om nooit van het juk van de godsdiensten verlost te worden? Dat zal dan in de
eerste plaats liggen aan onze lichtgelovigheid, onze domheid, onze angst voor de
dood en aan een absurde tolerantie tegenover godsdiensten.
“Opera Gazet” mag geen politiek pamflet worden en laten wij niet vergeten
dat wij hier een opera recenseren. Er kwam dus ook muziek bij te pas en die
beviel ons wel. Jan Kuijken heeft hier doelbewust een stijl toegepast met
een middeleeuws klankidioom. De rustig voortkabbelende muziek deed ons aan
Philip Glass denken, al was het toch geen echte Minimal Music, daarvoor
waren de akkoorden te lang en niet repetitief genoeg. Achttien strijkers van
het Orchestre Royal de Chambre de Wallonie onder leiding van Etienne Siebens
wisten deze partituur mooi te verklanken. Jammer dat er rechts op het podium
een cello zat die enkele solo’s te spelen had die onnodig luid versterkt en
misvormd werden. Het produceerde een afschuwelijke klank, pijnlijk voor de
oren en een smet op deze verder verdienstelijke opvoering.
Wij hebben niets dan lof voor de sopraan Janneke Daalderop, de mezzosopraan
Ekaterina Levental en de tenor Steven van Gils die de ganse avond vanaf hun
oncomfortabele plaats aan de galg te zingen hadden. Er klonk ook geregeld
een mooie kinderstem: Lidewei Loot, die echter niet live aanwezig was, maar
waarvan de stem vooraf opgenomen werd. De acteurs waren Tom Jansen en Hilde Van Mieghem.
Echt
boeiend kunnen wij deze opera niet noemen. Het anderhalf uur dat het werk
duurde, bleken er wel drie te zijn.
Er zijn nog voorstellingen op:
5 juni op de KunstFestSpiele Herrenhausen te Hannover
16 november in de Rotterdamse Schouwburg
26 november in de Stadsschouwburg te Groningen
7 december in het Cultureel Centrum te Leuven
8, 9 en 10 december 2011 in het Théâtre National te Brussel.
G.M. (Gepubliceerd op 29/5/2011)
Foto's van boven naar onder:
1) Vooraan, verlicht: Tom Jansen en Hilde Van Mieghem. Achteraan: Janneke
Daalderop, Ekaterina Levental en Steven van Gils.
2) Volledig ensemble. Rechts onder de afschuwelijk klinkende cello.
3) Volledig ensemble met teksten te verwerken door het publiek.
Copyright foto's © Kurt Van der Elst.
TERUG NAAR
KEUZELIJST BELGIË
![]()