OPERA GAZET
![]()
“YVONNE, PRINCESSE DE BOURGOGNE”
Opera van Philippe Boesmans op een libretto van Luc Bondy en Marie-Louise Bischofberger. Gecreëerd in de Opéra National de Paris, Palais Garnier, op 24 januari 2009. Belgische première van deze productie in de Munt te Brussel op 9 september 2010. Bijgewoonde voorstelling op 14 september 2010.
Niet
iedereen zal de muzikale stijl van Philippe Boesmans waarderen, maar niemand
zal kunnen ontkennen dat hij steeds interessante libretti op muziek zet,
over merkwaardige personages zoals Gilles de Rais in “La Passion de Gilles”
(1983) of gebaseerd op toneelstukken zoals “Reigen” (Schnitzler – 1993),
“Wintermärchen” (Shakespeare – 1999) en “Julie” (Strindberg – 2004).
“Yvonne, Princesse de Bourgogne” is geen historische figuur, de locatie
“Bourgogne” is uit de lucht gegrepen en het gelijknamige toneelstuk waarop
de opera gebaseerd is, is een jeugdwerk van de bij ons nagenoeg onbekende
Poolse auteur
Witold Gombrowicz.
Wij laten even Gombrowcz zelf aan het woord, zoals hij de korte inhoud
beschreef als inleiding op de publicatie van zijn stuk in het tijdschrift
“Skamander” in 1938.
Prins Philippe verlooft zich met de onaantrekkelijke Yvonne omdat hij zich
in zijn waardigheid beledigd voelt door het rampzalige uiterlijk van het
jonge meisje. Bovendien wil hij, als onafhankelijke geest, niet toegeven aan
de natuurlijke weerzin die dit onaangename wezen in hem inboezemt. Koning
Ignace en Koningin Marguerite gaan akkoord met de verloving van hun zoon,
uit vrees voor het schandaal waarmee Philippe dreigt als zij zouden
weigeren.
In het tweede bedrijf is Yvonne verliefd geworden op de prins. Verrast door
deze liefde, voelt de prins zich verplicht er humaan en mannelijk op te
antwoorden. Hij zou haar op zijn beurt willen liefhebben.
In het derde bedrijf leidt de aanwezigheid van Yvonne aan het koninklijke
hof tot vreemde complicaties. De verloving van de prins wekt spotlust en
geroddel op. Het zwijgen, de schuwheid en de passiviteit van Yvonne brengen
de koninklijke familie in een moeilijke situatie. Haar natuurlijke
afstotelijkheid maakt gevaarlijke gedachteassociaties los, daar ieder er een
weerspiegeling in ziet van zijn eigen of andermans onvolmaaktheden. Een
epidemie van ongezonde lachlust treft het hof. De koning herinnert zich zijn
oude zonden. De koningin, in het geheim een verwoede dichteres, kan niet
langer voor zichzelf verbergen dat haar eigen gedichten haar afschuw
inboezemen: zij ontdekt dat ze op Yvonne lijken. Er ontstaan absurde
verdenkingen. De domheid en de nonsens nemen van dag tot dag toe.
In het vierde bedrijf trachten de koning, de kamerheer, de koningin en de
prins -ieder voor zich- Yvonne te doden. Maar haar op een directe wijze te
doden gaat hun krachten te boven: de daad lijkt te dom, te absurd, geen
enkel formeel motief rechtvaardigt het, het is in strijd met alle
conventies.
Op
advies van de kamerheer besluiten zij de moord uit te voeren met
inachtneming van alle uiterlijke majesteit, elegantie en superioriteit. De
onderneming slaagt. De koninklijke familie hervindt de vrede.
Tot zover Gombrowicz, die het einde in een waas van mysterie laat. Wij
willen onze lezers niet in het ongewisse laten en vertellen even hoe het
slot er op de scène uitziet: de prins wil haar met een dolk doden, de
koningin opteert voor vergif, maar de kamerheer, de enige die in het ganse
gezelschap wat waardigheid en verstand toont, geeft hun de ideale oplossing:
baars. Een vis met veel graten. Als Yvonne die met haar gebruikelijke
schrokkerigheid verorbert, verslikt ze zich en stikt in de graten!
Wat heeft Philippe Boesmans bezield om van dit eigenaardige werk een opera
te maken? Is het toeval dat zijn voornaam dezelfde is als deze van de prins?
Wij laten ook hem even aan het woord.
“Yvonne” is een stuk over begeerte en over weerzin. Ze liggen in dezelfde
as. De weerzin is niet tegengesteld aan de begeerte, in wezen gaat het om
eenzelfde soort spanning. De spanning die Yvonne teweegbrengt, komt dicht in
de buurt van de begeerte. Wanneer U op restaurant bent en er komt en
vreselijk gemutileerd iemand binnen, durft niemand kijken maar heeft
iedereen “zin” om te kijken, er heerst een soort paniek. Wanneer een ander,
beeldschoon iemand binnenkomt, gebeurt hetzelfde, iedereen slaat de ogen
neer - er is een zekere ontsteltenis. De ontsteltenis van de weerzin en die
van de begeerte behoren tot dezelfde familie.
De muzikale stijl van Boesmans is deze die wij kennen van zijn vorige
opera’s. Een bijzonder rijke orkestratie, geen nodeloze klankuitbarstingen,
korte motieven, reminiscenties aan diverse stijlen die even aangetipt
worden, maar nooit uitgewerkt. Met zijn onmiskenbaar gevoel voor dramatiek
en zijn bevlogen belangstelling voor details was Patrick Davin de juiste man
op de juiste plaats. Onder zijn leiding speelde het orkest van de Munt met
grote nauwkeurigheid en klonk het geheel verbluffend transparant.
De rol van Yvonne telt amper enkele (gesproken) zinnen meer dan deze van
Fenella in “La muette de Portici”. Zingen hoort er niet bij. Dörte Lyssewski
gaf gestalte aan het personage, dat qua uiterlijk helemaal niet lelijk was.
Integendeel zelfs, wij vonden haar verschijning jeugdig, bijna als een
schoolmeisje. Haar ongemanierdheid, boertige en hoekige bewegingen moesten
haar weerzienwekkend maken, maar dat lukte niet steeds…
De
prins was de tenor Marcel Reijmans, geen grote stem, maar wel een zeer
gecultiveerde die ideaal moet klinken in de opera’s van Mozart. Paul Gay was
een sonore koning Ignace die er met zijn dreunende basbaritonstem en zijn
vastberaden houding, geen twijfel liet over bestaan dat hij de baas van het
ganse gezelschap was. Minder opgetogen waren wij met de vertolking van
Mireille Delunsch als koningin Marguerite, die blijkbaar niet in haar beste
dag was. Zij heeft als enige een lange monoloog te zingen - het woord “aria”
durven wij hier niet gebruiken - en die was geteisterd door vele slordige
“inzetten” en een storend “naar de juiste toon glijden”. Bovendien klonk de
stem onaangenaam scherp. Uitstekend was echter de waardige kamerheer van
Werner Van Mechelen. Zijn gezalfde baritonstem heeft met de jaren nog niets
aan klankschoonheid ingeboet en zijn dictie was voorbeeldig.
De vele andere rollen hebben slechts kleine interventies. Wij vernoemen
Hannah Esther Minutillo als Isabelle, Jason Bridges als Cyrille, Jean-Luc
Ballestra als Cyprien en Guillaume Antoine als Innocent.
De enscenering van Luc Bondy was zeer sober, met een Spartaans decor van
Richard Peduzzi, maar zeer weelderige en kleurrijke kostuums van Milena
Canonero.
Duidelijke Franse en Nederlandse boventitelingen zorgden ervoor dat de actie
feilloos te volgen was.
Er zijn nog voorstellingen op 17, 18, 19 en 21 september 2010.
G.M. (Gepubliceerd op 16/9/2010)
Foto's van boven naar onder:
1) Paul Gay (Le Roi Ignace), Lisa Houben (La Reine Marguerite), Werner Van
Mechelen (Le Chambellan) en Koor van de Munt.
2) Jean-Luc Ballestra (Cyprien), Hannah Esther Minutillo (Isabelle), Marcel
Reijans (Le Prince Philippe) en Jason Bridges (Cyrille)
3) Werner Van Mechelen (Le
Chambellan), Dörte Lyssewski (Yvonne), Marcel Reijans (Le Prince Philippe), Paul
Gay (Le Roi Ignace) en Lisa Houben (La Reine Marguerite)
Copyright foto's
©
Maarten Vanden Abeele.
![]()
Opera van
Toshio Hosokawa op een libretto van Hannah
Dübgen naar het gelijknamige no-spel van
Zeami
Motokiyo. Gecreëerd in de
Muntschouwburg te Brussel op 3 mei 2011. Bijgewoonde voorstelling op 10 mei
2011.
Een
monnik zwerft langs de kust van Suma. Hij ziet er een eenzame dennenboom met
een houten plaatje waarin twee namen gekerfd zijn: Matsukaze (Wind in de
dennen) en Murasame (Herfstregen). Een visser verwondert zich over de
aanwezigheid van de monnik op dit verlaten oord en vertelt hem over de twee
zusters Matsukaze en Murasame die aan de baai van Suma leefden en er zout
uit het zeewater distilleerden. Beiden werden verliefd op een edelman in
ballingschap. Bij het nieuws van zijn dood stierven de zusters van verdriet.
Jaren later, na hun dood, blijven hun zielen ronddolen en naar hem
verlangen. Matsukaze danst als een waanzinnige, uitgedost met de hoed en de
mantel van haar geliefde en denkt hem te herkennen in de gestalte van een
pijnboom.
Het was ons meteen duidelijk dat een opera met een dergelijke inhoud ons
geen boeiende, actievolle avond zou opleveren. Zoals de vorige opera van
Hosokawa, “Hanjo”, is ook deze “Matsukaze” een werk dat het moet hebben van
sfeer, van een abstracte omgeving en van personages die als in een
droomwereld evolueren. Wie van flitsende beelden houdt met het ritme van
MTV, zal aan deze opera geen boodschap hebben. De gebaren zijn in een
no-spel nooit bruusk en Sasha Waltz heeft dat bijzonder goed aangevoeld en
in een sierlijke bewegingsregie uitgedrukt. Het ballet is bestendig
aanwezig, niet enkel beneden op de scène, maar ook in netten over de ganse
hoogte en breedte van het podium. Het decor van Pia Maier Schriever en
Chiharu Shiota leverde plastisch zeer mooie beelden op, waarbij ook de
smaakvolle kostuums van Christine Birkle opvielen.
De
muziek van Toshio Hosokawa was meer ingetogen dan uitbundig. Je kunt het
moeilijk een rijke partituur noemen, maar zij schiep wel de juiste sfeer. De
zangpartijen, bijna voortdurend “Sprechgesang”, ontsnapten niet aan een
zekere eentonigheid.
De sopraan Barbara Hannigan had in de rol van Matsukaze veruit de
moeilijkste zangpartij. Het zou beslist geen rol voor Montserrat
Caballé geweest zijn, want naast het zingen werden van haar ook enkele bijna
acrobatische balletinterventies gevraagd. Bovendien mocht zij geen
hoogtevrees hebben, want een ganse scène werd gezongen van op een trapeze,
meters boven het podium. Geen wonder dat zij enkele keren detoneerde in de
hoge klankbogen die zij tezelfdertijd nog ten beste moest geven.
De lichte mezzosopraan Charlotte Hellekant had het gemakkelijker in de rol
van haar zuster Murasame en bekoorde door haar stijlvolle, trefzekere
declamatie. Bijzonder mooi en sonoor klonk de bas Frode Olsen in de partij
van de monnik. De bariton Kai-Uwe Fahnert was voortreffelijk in het kleine
rolletje van de visser.
Dirigent Pablo Heras-Casado liet het Kamerorkest van de Munt helder, rustig
en vrij ontspannen musiceren.
De
opera duurt amper één uur en twintig minuten en werd in het Duits gezongen.
Een beetje vreemd voor de creatie van een opera van een Japanse toondichter
in de Muntschouwburg, maar te verklaren door het feit dat Hosokawa al meer
dan dertig jaar in Duitsland leeft. Er was een Nederlandse en een Franse
boventiteling.
Wij woonden de voorlaatste voorstelling bij en de zaal was zo goed als
uitverkocht.
Er zijn nog voorstellingen in het Grand Théâtre de Luxembourg op 9 en 10
juni 2011 en in het Schiller Theater (door de Staatsoper) in Berlijn op 15,
16 en 17 juli 2011.
G.M. (Gepubliceerd op 12/5/2011)
Foto's van boven naar onder:
1) Frode Olsen als de monnik en Sasha Waltz & Guests.
2) Charlotte Hellekant als Murasame, Barbara Hannigan als Matsukaze en Sasha
Waltz & Guests.
3) Dansers Sasha Waltz & Guests.
Copyright foto's © Bernd Uhlig.
Copyright foto's © Bernd Uhlig.
![]()
Opera in vijf bedrijven van
Giacomo
Meyerbeer op een libretto van
Eugène
Scribe. De eerste uitvoering had plaats in de Salle Garnier te Parijs op 29
februari 1836. We zagen een opvoering van dit werk in de Brusselse
Muntschouwburg op 30 juni 2011.
De wereldpremière van “La muette de Portici” van Auber die plaats vond op 28
februari 1828 luidde de geboorte in van een nieuw genre binnen de opera: de
“grand
opéra”. Typisch waren de lengte (bij voorkeur vijf bedrijven), het
historische kader dat als achtergrond dient voor het verhaal, een weelderig
en spectaculair decor, de aanwezigheid van een ballet en de enorme
bezetting, zowel wat betreft orkest, koor als solisten. Ook Verdi (Don
Carlos) en Wagner (Rienzi) waagden zich aan de grand opéra. Na een bloeitijd
van enkele decennia veranderde de smaak van het publiek echter en vanaf de
tweede helft van de twintigste eeuw waren uitvoeringen schaars.
Toen de Duist-Joodse componist Giacomo Meyerbeer in 1824 in Parijs aankwam
had hij eigenlijk al twee carrières achter de rug: na een drietal opera’s
gecomponeerd te hebben in het Duits, was hij ook een aantal jaren actief
geweest in Italië waar hij een zestal opera’s schreef. Vooral in zijn
laatste Italiaanse opera “Il crociato in Egitto” is al duidelijk de kiem
aanwezig van de latere, grootse Franse werken die hij zou schrijven. Ook met
zijn eerste Franse opera “Robert le Diable” geeft Meyerbeer al duidelijk aan
in welke richting hij zal verder gaan. Daarbij is zijn betekenis voor de
evolutie van de opera niet te onderschatten. Om te beginnen maakte hij als
één van de eerste dat het orkest niet langer een begeleidende functie had,
maar ook een wezenlijke rol ging spelen in het drama. Voor het eerst werden
in de opera wereldbeschouwelijke thema’s ten tonele gevoerd: de strijd
tussen de katholieken en de hugenoten in “Les Huguenots”, de kolonisatie in
“L’Africaine” enz. Meyerbeer maakte in zijn muziek al gebruik van een
primitief soort “leitmotief” en introduceerde nieuwe instrumenten zoals de
ophicleïde, een voorganger van de tuba.
Waarom wordt de grand opéra al decennialang stiefmoederlijk behandeld ? Het
antwoord daarop is niet zeker, maar een aantal factoren hebben meer dan
waarschijnlijk meegespeeld. Om te beginnen waren Meyerbeer, net als zijn
collega Halévy zo sterk kinderen van hun eigen tijd, dat ze al vlug uit de mode geraakten. Bovendien zijn de eisen voor de
uitvoering van een grand opéra van die aard dat elke theaterdirecteur wel
twee keer nadenkt om zo’n werk op het programma te zetten - zo hij al
adequate solisten kan vinden voor de vaak loodzware hoofdrollen. Tenslotte
zal het antisemitisme dat halfweg de twintigste eeuw in Europa sluimerde, de
opvoering van werken van Joodse componisten zeker niet bevorderd hebben.
Hoe dan ook is het pas het laatste decennia dat de operawereld de waarde van
dit soort werken heeft herontdekt. Wat dat betreft verwijzen we ook graag
naar onze
recensie van “La Juive”, een opera van Jacques Fromental Halévy die we
onlangs zagen in Stuttgart.
In de Munt, en ook dat is een unicum, werd “Les Huguenots” in onverkorte
vorm uitgevoerd. De voorstelling bevatte ongeveer vier uur en twintig
minuten muziek maar wist te boeien van begin tot einde. De verdienste
hiervoor ligt in de eerste plaats bij dirigent
Marc
Minkowski die ook zelf de partituur samenstelde. Niet onverwacht toonde
hij zich de ideale man om Meyerbeers muziek op fascinerende wijze te
vertolken: groots, haast bombastisch in de grote taferelen, afwisselend met
een meer begeleidende rol in de intiemere momenten. Maar hoe monumentaal of
intiem de scène ook is, Minkowski weet elke nuance uit deze schitterende
muziek boven te halen. Ook complimenten aan het orkest van
de Munt dat weinig vertrouwd is met dit soort opera maar zijn dirigent
blindelings volgt en zo boven zichzelf uitstijgt. Ook de uitstekende door
Martino Faggiani minutieus voorbereide koren vormden een lust voor het oor.
Regisseur
Olivier Py weet met zijn regie vanaf de eerste noot de juiste sfeer te
pakken. Volledig in de trant van de grand opéra werkt hij met grootse decors
- huizengevels in metaal die open en dicht kunnen schuiven, trappen en een
loopbrug die in de coulissen kunnen verdwijnen. Alles indrukwekkend zoals
het hoort. Voor de kostuums mengt Pierre-André Weitz drie tijdperken: de
tijd waarin het verhaal speelt, de tijd waarin de opera geschreven werd en
het heden. Dit leidt tot mooie anachronismen en wordt door de regisseur ook
gebruikt om het onderscheid te maken tussen de twee fracties, katholieken en
protestanten. Vooral in het eerste deel weet Py een grote emotionele en
erotische spanning op te roepen door de manier waarop hij de interactie
tussen de personages regelt. Op dat punt vormde de stomende, haast
softpornografische maar niet vulgaire liefdesscène tussen Marguerite en
Raoul het hoogtepunt van de avond. Enkel de associatie van de
Bartholomeusnacht met de Kristalnacht vonden we een beetje ver gezocht.
Voor de belangrijkste partijen werd een dubbele rolbezetting voorzien.
Tijdens de voorstelling die wij zagen trad de “eerste” bezetting aan en we
waren onder de indruk. Muzikaal het mooist vonden we de prestatie van
Marlis Petersen
als Marguerite. Deze coloratuurrol lijkt de knappe Duitse op het lijf
geschreven: perfect uitgevoerde vocale versieringen en stralende hoge noten
kroonden een vertolking van hoog niveau, temeer daar deze hoogstandjes ook
al dansend uitgevoerd werden. Ook de piepjonge Russische mezzo
Julia
Lezhneva wist te imponeren. Als page Urbain kreeg ze nog een extra aria
toegewezen die Meyerbeer voor een voorstelling in Londen componeerde.
De
Amerikaanse tenor
Eric
Cutler toonde zich een ideale Raoul, de eigenlijke hoofdrolspeler. Met
zijn prachtige variaties en overgangen naar het falsetto bracht hij een
eerder lyrische benadering van zijn personage.
Mireille Delunsch
was een dramatische Valentine wiens stem mooi contrasteerde met die van
Petersen. Enkel
Jérôme Varnier vonden we iets minder geschikt voor de rol van Marcel. We
houden voor die partij meer van een rondere, sonore bas met meer diepte dan
de droge stem van deze Franse bas. De talloze andere rollen waren stuk voor
stuk hoogwaardig bezet met als uitschieter de niet meer zo jonge Franse
bariton Philippe Rouillon als Saint-Bris en Jean-François Lapointe als
Nevers.
De Munt heeft met haar productie van “Les Huguenots” een groot risico
genomen maar heeft het avontuur glorierijk doorstaan, gegeven de volle zalen
(elf voorstellingen, allemaal uitverkocht!) en de onvermeend positieve
reacties van pers en publiek. We kunnen enkel hopen dat andere theaters het
voorbeeld zullen volgen. De Munt zelf voorziet in elk geval al “La muette de
Portici” voor één van de volgende seizoenen.
De voorstelling die we zagen was de laatste uit een rij van elf maar de
productie wordt volgend seizoen in Straatsburg en Mulhouse overgenomen door
de “Opéra
National du Rhin”.
Foto's van boven naar onder:
1) Eric Cutler als Raoul de Nangis en Julia Lezhneva als page Urbain.
2) Marlis Petersen als Marguerite de Valois en Eric Cutler als Raoul de
Nangis.
3) Philippe Rouillon als Comte de Saint-Bris en Mireille Delunsch als
Valentine.
4) Het koor van de Munt.
Copyright foto's
© Clärchen und Matthias Baus.
H.D. (Gepubliceerd op 2 juli 2011)
TERUG NAAR
KEUZELIJST BELGIË
![]()