OPERA GAZET
![]()
Opera
in drie bedrijven van
Giuseppe Verdi op een tekst van Antonio Somma naar het
libretto dat Eugène Scribe schreef voor “Gustave III ou le bal masqué” van
Auber. De eerste opvoering had plaats op 17 februari 1859 in Teatro Apollo
te Rome. We waren op 12 september 2010 aanwezig bij een voorstelling in
de Opéra Royal de Wallonie te Luik.
Voor
de opening van het seizoen 2010/11, het tweede en vermoedelijk voorlaatste
dat zich afspeelt in het “Palais Opéra”, heeft de ORW op zeker gespeeld. Met
“Un ballo in maschera” staat immers een van de grote Verdi-opera’s op het
programma - een keuze die succes garandeert. Zeker met een bezetting zoals
die we in Luik voorgeschoteld kregen.
We waren verrast door de keuzes van regisseur
Philippe Sireul die het
verhaal over de gouverneur van Boston (Riccardo) die verliefd wordt op de
vrouw (Amelia) van zijn beste vriend (Rentao) en uiteindelijk door deze
vriend vermoord wordt een modern tintje meegaf. Wat niet wil zeggen dat zijn
regie als echt “modern” beschouwd kan worden - het gaat eerder om een brave
actualisering van het drama. Sireuil plaatst het verhaal in het Amerika van
de jaren zestig van de vorige eeuw tijdens een kiescampagne, maar blijft
voor de rest het libretto naar de letter volgen. We vonden zijn opzet, die
elke vorm van interpretatie en controverse die het hedendaags regietheater
zo graag wil uitlokken schuwt, niet onverdeeld geslaagd. Het eerste bedrijf in de
lobby van een hotel laten spelen levert niet meteen een meerwaarde op voor
de uitvoering. Problematischer vonden we de finale waar Renato tracht te
weten te komen welk kostuum Riccardo draagt op het gemaskerd bal, waarna
deze laatste gewoon in smoking verschijnt. Beste vondst leek ons het tweede
bedrijf, waar het oorspronkelijke galgenveld plaats moest maken voor een
ondergrondse parkeergarage die de juiste beklemmende atmosfeer opriep. Al
bij al een regie die niemand zal schofferen, maar evenmin veel mensen zal
begeesteren.
Muzikaal
zat het gelukkig allemaal wat beter in elkaar. Ondanks het feit dat de opera
niet zo gemakkelijk te bezetten is, had de Luikse opera voor (bijna) elke
rol de juiste solist gevonden. We denken dan in de eerste plaats aan de
Zuidamerikaanse tenor
Aquiles Machado die met een degelijke spintostem ook
in staat is om de lyrische passages van de rol op een geraffineerde manier
te vertolken. De Roemeense bariton George Pétéan diende hem waardig van
repliek in de rol van vriend en later moordenaar Renato. Anna Maria Chiuri
wist als Urica, een waarzegster, te imponeren met haar indrukwekkende lage
tonen. Prachtig was ook Marina Zyatkova die met veel vocaal aplomb gestalte
wist te geven aan de page Oscar. We waren daarentegen iets minder onder de
indruk van de sopraan
Chiara Taigi die wat ons betreft op de dramatische
momenten een maatje te klein was voor de rol van Amelia en die bovendien een
wat scherp timbre heeft. Ook in de rol van Silvano, een matroos, hadden we
graag iemand gehoord met wat meer stempotentieel dan de jonge Arnaud
Rouillon. Zeer mooi waren de twee samenzweerders Sam en Tom, gestalte
gegeven door de Belgische bassen Ivan Thition en Pietro Palazy.
Dirigent
Massimo Zanetti was een tiental jaar geleden muziekdirecteur in de
Vlaamse Opera en we hebben nooit goed begrepen waarom hij daar reeds na drie
jaar bedankt werd voor bewezen diensten. Aan het hoofd van het Orkest van de
ORW bewijst hij eens te meer zijn talent als operadirigent die gedurende een
ganse voorstelling de spanning in de muziek weet te houden. Dat dit soms ten
koste gaat van een aantal details in de muziek nemen we er graag bij.
Degelijk was ook het koor van de Waalse opera.
Al bij al een waardig begin van het seizoen 2010/11
met een voorstelling die ons vooral muzikaal wist te overtuigen en door het
talrijk opgekomen publiek geestdriftig werd toegejuicht.
Er zijn nog voorstellingen op 14, 16 en 18 september 2010.
H.D. (Gepubliceerd op 14/9/2010)
Foto's van boven naar onder:
1) Marina Zyatkova als Oscar, Aquiles Machado als Riccardo, George Pétéan
als Renato.
2)
George Petean als Renato en
Chiara Taigi als Amelia.
3) Slotscene.
Copyright foto's © Jacques Croisier.
![]()
Opera
in een vier bedrijven van
Giacomo Puccini op een libretto van Luigi Illica en Giuseppe Giacosa
naar “Scènes de la vie de Bohème” van
Henri
Murger. De eerste opvoering had plaats op 1 februari 1896 in het Teatro
Regio in Turijn. We waren aanwezig bij een uitvoering in de Opéra Royal de
Wallonie op 21 november 2010.
Als daarover een statistiek zou bestaan zou “La
bohème” hoog gerangschikt staan bij de meest gespeelde opera’s. Het werk
heeft inderdaad alles wat het grote publiek aantrekt: meeslepende muziek,
passionele aria’s en een finale die steeds opnieuw een groot deel van de
toeschouwers tot tranen beweegt. Bovendien staan voorstellingen van “La
bohème” meestal garant voor volle zalen en is de opera niet te moeilijk te
bezetten. Er zijn ook geen overweldigende decors nodig, wat de opera ook uit
economisch standpunt een voltreffer maakt.
De Luikse opera speelt voor het tweede seizoen in het Palais Opéra de Liège.
We vonden deze ruimte niet echt ideaal voor het intimistische karakter van
“La bohème”. Deze indruk werd alleen maar versterkt door de toneelbeelden
van Alexandre Heyraud die het verhaal laat spelen in een eenheidsdecor dat
zich lijkt te situeren op een dak van een Parijse woning met de Sacre-Coeur
op de achtergrond. Als sfeerbeeld van Parijs kan dat tellen, maar het is
moeilijk om zich in dergelijk kader een kleine mansarde voor te stellen.
Voor de rest zorgde Jean-Louis Pichon niet voor een speciale interpretatie
van de opera maar voor een adequate personenregie.
De vreugde die de voorstelling ons bracht kwam eerder van het muzikale
aspect en dan in de eerste plaats van de mannelijke zangers. Zo kunnen we
ons nauwelijks een beter geschikte Rodolfo voorstellen dan de jonge tenor
Arturo
Chacon-Cruz. Hij bezit niet alleen de jeugd en de energie om zijn
personage geloofwaardig te maken, zijn mooi getimbreerde stem is ideaal voor
de rol. Een boeiende combinatie van legato en gevoel in zijn stem en een
moeiteloze hoge C aan het einde van “Che gelida manina” maakten dat zijn
prestatie een erg hoog niveau bereikte. Niet veel minder maar in een minder
belangrijke rol hoorden we de Italiaanse bariton Mario Cassi, die al vaker
te gast was in de Luikse Opera en ondertussen al een mooie carrière heeft
opgebouwd. Als Colline hoorden we de sonore basstem van Federico Sacchi
terwijl onze landgenoot Laurent Kubla ons in de rol van Schaunard vooral
wist te overtuigen als acteur. Bij de dames was de Italiaanse sopraan Laura
Giordano een gepast pikante Musetta met helaas net een tikje te veel metaal
in de stem. Enkel de Mimi van Elena Monti bleef een beetje op de vlakte.
Vocaal was haar interpretatie wat mat en ook als actrice had ze het wat
moeilijk om het lijdensproces van haar personage op een geloofwaardige en
ontroerende manier neer te zetten.
Muziekdirecteur
Paolo Arrivabeni wist zoals steeds het beste uit zijn orkest naar boven te
brengen en bewees dat ook Puccini hem ligt. Nochtans hadden we gemengde
gevoelens bij de laatste maten van de opera – na de dood van Mimi volgt
normaal een emotionele uitbraak bij Rodolfo die ook door de muziek
ondersteund
wordt. Arrivabeni laat op dit moment eigenlijk de spanning in de muziek
wegvallen wat leidt tot een wat mat slot. Spijtig, gegeven de boeiende
directie die hij tijdens de rest van de opera aanhield.
Al bij al een vooral muzikaal zeer genietbare
productie, die misschien wat sfeer mist door de locatie (een “tent”), wat
echter ruimschoots gecompenseerd wordt door de muzikale kwaliteiten. Het
viel ons daarbij wel op dat er een abnormaal hoog aantal lege plaatsen waren
in het Palais Opéra de Liège. Maar misschien is dat ook goed nieuws: er zijn
waarschijnlijk nog voldoende kaarten beschikbaar voor deze productie die we
van harte kunnen aanbevelen.
Er zijn nog voorstellingen dagelijks van 23 tem 28 november 2010 met variaties in de rolbezetting.
H.D. (Gepubliceerd op 23/10/2010)
Foto's van boven naar onder:
1) Solisten en koor tijdens het tweede bedrijf (Foto: Jacques Croisier)
2) Laurent Kubla als Schaunard, Elena Monti als Mimi, Arturo Chacon-Cruz als
Rodolfo, Laura Giordano als Musetta en Mario Cassi als Marcello.
Copyright foto's © Jacques Croisier.
![]()
Opera
in vier bedrijven van
Georges
Bizet op een libretto van Henri Meilhac en Ludovic Halévy naar de roman
van Posper Mérimée. Het werk kende zijn creatie op 3 maart 1875 in de
Parijse Opéra-Comique. We waren aanwezig bij een uitvoering in de Opéra
Royal de Wallonie op 19 december 2010.
De ORW speelt opnieuw "zeker". Na eerdere producties van onder andere
schlagers als “La Bohème” van Puccini en “Die Zauberflöte” van Mozart, is het
deze keer de beurt aan die andere publiekstrekker: “Carmen”.
Vandaag kunnen we ons moeilijk inbeelden dat “Carmen” bij de première alles
behalve succesvol was. Blijkbaar had het publiek van de conservatieve
Opéra-Comique het zo moeilijk met het provocatieve karakter van de
titelfiguur, dat de prachtige melodische rijkdom en de dramatische kracht
van de partituur daarbij over het hoofd gezien werd. Pas bij een herneming
acht jaar later kende het werk een reusachtig succes, dat ook nog vandaag
bij elke voorstelling herhaald wordt. Bizet heeft dit helaas niet meer mogen
meemaken want hij stierf enkele maanden na de creatie.
Doorheen de jaren ontstonden ook een heleboel versies van de partituur die
in mindere of meerdere mate van elkaar verschillen. Zo werden voor
uitvoeringen buiten Frankrijk al snel de dialogen vervangen door
recitatieven. De Luikse uitvoering leek ons gebaseerd op de partituur zoals
uitgevoerd in 1883, dus zonder de coupletten van Moralès en met een sterk
vereenvoudigde duelscène voor Escamillo en Don José.
We waren zeker onder de indruk van de enscenering van Emilio Sagi. Hoewel erg
traditioneel opgebouwd, zorgde Sagi met zijn regie voor een erg levendige
vertoning die bevolkt werd door personages die op een geloofwaardige manier
vertolkt werden. Opvallend waren daarbij de spectaculaire decors van Gerardo
Trotti die voor elk tafereel een prachtig sfeerbeeld wisten te scheppen met
als extra uitschieter de kroeg van Lillas Pastia in het tweede bedrijf.
Muzikaal hadden we toch enkele bedenkingen bij de uitvoering door de ORW.
Marie
Kalinine heeft een schitterende figuur, acteert en danst dat de stukken
er van afvliegen en zet zo een levensechte Carmen neer. Perfect voor een
film of een toneelstuk, maar voor een opera heb je net een tikkeltje meer
nodig - met name een stem. Nu blinkt het “Palais Opéra de Liège” niet
onmiddellijk uit wat de akoestiek betreft, maar tijdens een drie uur durende
voorstelling voortdurend moeite moeten doen om een soliste te kunnen horen,
begon ons toch wat te enerveren. De stukken die we meepikten overtuigden ons
wel van de schoonheid van Kalinine’s stem en een van haar degelijke zangtechniek. De
zangeres is blijkbaar voorzien om in de nabije toekomst de rol van Santuzza
in “Cavalleria Rusticana” te komen vertolken in Luik. Laten we hopen dat ze
tegen die tijd nog veel boterhammekes met vocaal spek zal eten!
Tweede
ontgoocheling was de bekende Argentijnse tenor
José Cura. We vragen
ons af of de man misschien chronisch ziek is want al de derde opeenvolgende
keer dat we een voorstelling met zijn naam op de affiche bijwonen, zegt hij
op het laatste moment af om gezondheidsredenen. Hij werd vervangen door de
Belg Marc
Laho die we al wisten te waarderen in een ander, lichter repertoire en
die voorzien was de drie laatste voorstellingen te zingen. Ondanks een mooie
uitvoering van de aria “La fleur que tu m’avais jetée” in het tweede bedrijf
en een mooie toneelpresence was zijn stem toch wel een maatje te klein voor
de finale en mag hij zich gelukkig prijzen dat de scène met Escamillo in het
derde bedrijf niet integraal uitgevoerd werd. Nochtans houden we van de man
zijn zangstijl met veel kopstem en hopen we hem nog vaak terug te zien in
rollen die hem beter liggen.
Vitali Rozynko zong een mooie sonore Escamillo en Anja Van Engeland een
overtuigende Michaëla, al vonden we een aantal van haar topnoten wat schril
klinken. Meer dan redelijk waren de kleinere rollen, waarbij vooral Priscille
Laplace als Frasquita en Jacques Calatayud als Zuniga opvielen.
Het orkest en koor van de Opéra Royal de Wallonie stonden onder de leiding
van de jonge Italiaanse dirigent Massimo Donadello, de assistent van
muziekdirecteur Paolo Arrivabeni. Hij had het duidelijk moeilijk om zijn
orkest en het uitgebreide koor samen te houden, wat vooral in het eerste
deel tot wat irritante uitschuivers leidde. Wel moeten we hem nageven dat
hij steeds dirigeerde met respect voor de solisten die, ondanks een aantal
kleinere stemmen, zelden overstemd werden door het orkest.
We verlieten de ORW met gemengde gevoelens. Met een te lichte bezetting van
de twee hoofdrollen vonden we deze productie toch wat beneden het niveau dat
we van dit operatheater mogen verwachten.
Er zijn nog voorstellingen tot en met 8 januari 2011 met verschillende
bezettingen in de hoofdrollen. Op 31 december 2010 is er zelfs mogelijkheid
om de voorstelling te combineren met een diner.
H.D. (Gepubliceerd op 21 december 2010)
Foto's van onder naar boven:
1) Marie Kalinine in de titelrol en
Marc Laho als Don José.
2) Ballet aan het begin van het vierde bedrijf.
3) Marie Kalinine als Carmen.
Copyright foto's © Jacques Croisier.
![]()