OPERA GAZET
![]()
Drieluik
van
Giacomo Puccini bestaande uit de eenakters “Il tabarro”, “Suor Angelica”
en “Gianni Schicchi. De wereldpremière had plaats in de Metropolitan Opera
te New York op 14 december 1918. We woonden op 9 januari 2011 in Düsseldorf
een uitvoering bij door de Deutsche Opera am Rhein.
Kort na het begin van de twintigste eeuw begon Puccini, vermoedelijk na het gigantische succes van “Cavalleria Rusticana” van Mascagni, te denken aan een set van eenakters. Origineel zouden ze allemaal geschreven worden op verhalen uit Dante’s “Divina Commedia”, maar later liet de componist deze idee varen. Dat neemt niet weg dat de drie eenakters een mooi geheel vormen met “Il tabarro” als drama, “Gianni Schicchi” als komedie en “Suor Angelica”, het middendeel, als verlossing.
Ondanks Puccini’s heftige bezwaren werd het al snel
gebruikelijk om slechts twee van de drie opera’s uit te voeren, of één werk
te combineren met een opera van een andere componist. Niet zelden is het
“Suor Angelica”, Puccini’s favoriete opera, die weggelaten wordt. Gelukkig
kan het ook anders en het verheugt ons dan ook dat “Il trittico” de laatste
jaren opnieuw vaker te zien is in de vorm die de componist voor ogen had:
als drieluik. Al was er in de productie van de Deutsche Oper am Rhein toch
één afwijking op wat gebruikelijk is: de voorstelling begon met “Gianni
Schicchi” en eindigde met “Il tabarro”, daar waar dit normaal gesproken
omgekeerd is. De drijfveer hiervoor is de chronologie waarin de verhalen
zich afspelen. We zagen in deze aanpassing in elk geval geen graten.
Elke regisseur tracht in “Il trittico” een soort continuïteit te brengen. Dietrich Hilsdorf stelt de dood en hoe daar op verschillende tijdstippen in de geschiedenis mee omgesprongen werd. Zijn scènebeeld, onverwacht traditioneel, wordt telkens weer gedomineerd door een bed dat zich steeds op dezelfde plaats bevindt en waarin achtereenvolgens Buoso Donati, Suor Angelica en Luigi sterven. Voor de rest bestaat het decor uit twee muren die, naargelang de opera, de kamer van Donati, een ruimte in het klooster en een kajuit in het schip van Michele voorstellen. We waren vol bewondering hoe regisseur en decorontwerper door relatief kleine ingrepen telkens de exacte sfeer wisten te bereiken, een sfeer die nog versterkt werd door de uitstekende personenregie. We durven zonder aarzelen zeggen dat de productie van Hilsdorf een van de betere is die we de laatste jaren zagen en zeker een verademing betekent tussen al het moderne en surrealistische gedoe waarmee we maar al te vaak geconfronteerd worden.
Door
de talrijke rollen is “Il trittico” op het lijf geschreven voor een uitgebreid gezelschap zoals dat van de Deutsche Opera am
Rhein. Nochtans werd voor een aantal hoofdrollen een beroep gedaan op
gasten. We waren in de wolken met
Markus Marquardt
als Gianni Schicchi. Zijn prachtige ronde baritonstem klonk ons als muziek
in de oren in een rol die maar al te vaak gezongen wordt door zangers die
zich onaangenaam dicht bij het einde van hun carrière bevinden. Prettige
verrassing was de Duitse sopraan Anke Krabbe die een ontroerende vertolking
gaf van het bekende “Oh mio babbino caro” en daarvoor terecht met een ovatie
bedacht werd. We kunnen niet hetzelfde schrijven over de jonge Amerikaanse
tenor Eric Margiore die duidelijk moeite had met de tessituur van Rinuccio
en zich weinig genuanceerd door zijn rol brulde. Meer dan behoorlijk waren de
andere solisten in een levendige en met de nodige humor gekruide
voorstelling.
“Suor Angelica” is ook onze favoriete Puccini opera en kreeg in Düsseldorf een kwalitatief hoogstaande uitvoering. De Armeense sopraan Karine Babajanyan, geen onbekende voor het Vlaamse publiek, is een Puccini-zangeres bij uitstek. Misschien mist haar stem wat lyriek, maar dat wordt meer dan goedgemaakt door de manier waarop zij zich niet slechts vocaal inleeft in haar personage. Renée Morloc maakte als Angelica’s tante indruk met haar krachtige lage register. De bezetting van de kleinere rollen vonden we deze keer wat zwakker, maar niemand viel echt uit de toon.
“Il tabarro” vraagt een heel ander soort zangers dan de andere twee opera’s. Weg met het komische speelse van “Gianni Schicchi”. Ook voor de ingehouden tragiek van “Suor Angelica” is er geen plaats. In “Il tabarro” telt enkel het drama. Alle karakters worden gedreven door hun passie en dat laat zich horen in de muziek. En in de stemmen. We hoorden Morenike Fadayomi als een erg geëngageerde Georgetta, een rol die haar duidelijk beter ligt dan die van de keizerin in “Die Frau ohne Schatten”. Haar stem zweeft moeiteloos op Puccini’s muziek die haar past als een handschoen. Indrukwekkend was het stemvolume van de Amerikaanse bariton Anooshah Golesorkhi die als Michele zowat al zijn collega’s van de scène blies, maar tegelijk ook voldoende nuancen in zijn zang legde om een personage van vlees en bloed neer te zetten. Hetzelfde kan gezegd worden van de Argentijnse tenor Gustavo Porta als een geloofwaardige Luigi.
De Düsseldorfer Symphoniker speelde zoals steeds op
niveau onder leiding van dirigent Modestas Pidrenas die het af en toe wat
moeilijk leek te hebben om orkest en zangers samen te houden.
Al bij al een voorstelling waarvan we, op de vermelde details na, erg konden genieten en die we iedereen die Puccini wat beter wil leren kennen dan met “Tosca” en “La bohème” warm kunnen aanbevelen.
Er zijn nog voorstellingen in Düsseldorf op 15, 22, 29 januari, 17 en 26 maart 2011.
H.D (Gepubliceerd op 10 januari 2011)
Foto's van boven naar onder:
1) Gianni Schicchi - Anke Krabbe als Lauretta en Markus Marquardt als Gianni
Schicchi.
2) Suor Angelica - Karine Babajanyan als Suor Angelica en Renée Morloc als de
tante.
3) Il tabarro - Morenike Fadayomi als Giorgetta, Anooshah Golesorkhi als Michele
en Gustavo Porta als Luigi.
Copyright foto's
©
Hans Jörg Michel.
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()
Ballet
bouffon van
Jean-Philippe Rameau in drie bedrijven en een proloog op een tekst van
Adrien-Joseph Le Valois d’Orville naar Jacques Autreau. Het werk werd
gecreëerd in het kasteel van Versailles op 31 maart 1745. Wij zagen op 12
februari 2011 een voorstelling door de Deutsche Oper am Rhein te
Düsseldorf.
Hoewel de opera’s van Rameau vaak gebukt gaan onder een krakkemikkig opgebouwd libretto is het amusante verhaal van “Platée” erg geslaagd. Het behandelt het verhaal van de niet erg mooie nimf Platée (gezongen door een tenor!) die denkt dat iedereen op haar verliefd is en door Mercurius gebruikt wordt om de ontrouw van Jupiter aan de kaak te stellen. Dit gegeven wordt eigenlijk opgevoerd als een opera in de opera, als amusement voor een verveeld gezelschap. Aan het slot is Platée het mikpunt van de spot van het publiek.
Rameau componeerde de opera ter gelegenheid van
het huwelijk van de vijftienjarige dauphin Louis met Marie-Thérèse van
Spanje. Het onderwerp mag dan ook verbazing wekken: normaal gesproken werd
een koninklijk gezelschap vergast op heldenepossen. Maar het gedrag van
Lodewijk XV gaf niet meteen aanleiding tot een vergelijking met de klassieke
helden en ondertussen waren de regels aan het hof niet meer zo streng zodat
een werk als “Platée” mogelijk was. Bovendien schuilt er ook een didactisch
aspect in het werk: het is alsof de toekomstige koning gewaarschuwd wordt
het gedrag van zijn vader niet te imiteren. Het is bovendien niet duidelijk
wie het meeste spot verdient: de nimf Platée die denkt het hart van een God
te kunnen veroveren (Marie-Thérèse stond overigens zelf bekend als een
lelijk eendje) of het publiek dat zich met het gegeven vermaakt. Het hoeft
dan ook niet te verbazen dat de opera initieel niet succesvol was, maar raar
genoeg bleek ook het grote publiek bij latere opvoeringen Rameau’s
uitdrukkingsvolle en humoristische muziek niet echt te kunnen smaken.
Karoline Guber verplaatst het verhaal naar de moderne consumptiemaatschappij die gedreven wordt door hebzucht en waar het volk misleid wordt door publiciteit die insinueert dat alles mogelijk is. In zo’n wereld wordt eenieder die niet voldoet aan “de norm” uitgespuwd. Het feit dat de titelrol door een man gezongen wordt, leek Gruber aan te wenden om de marginale situatie van homoseksualiteit te belichten. Zij beeldt Platée niet zozeer uit als iemand die naast haar schoenen loopt, maar eerder als een naïeve vrouw die haar dromen voor werkelijkheid neemt. Haar (geïnsinueerde) zelfmoord aan het einde, wanneer ze met de werkelijkheid geconfronteerd wordt, doet wat denken aan het slot van “Der Zwerg” van Alexander Zemlinsky. Geconfronteerd met het besef van haar eigen lelijkheid wenst ze niet langer te leven. Deze “coup-de-théâtre” heeft een enorm effect op een publiek dat ondertussen toch een beetje van Platée is gaan houden.
Anders J. Dahlin weet in de titelrol inderdaad de sympathie van het
publiek te winnen. Zijn nimf is kwetsbaar en naïef zonder ooit lachwekkend
te worden. Ondanks zijn eerder kleine stem (een barokwerk komt nu eenmaal
beter tot zijn recht in een kleiner theater) met beperkte hoogte levert hij
ook een vocaal mooie interpretatie af. Dat zijn fysieke verschijning
bovendien perfect in het regieconcept past is daarbij mooi meegenomen.
Sylvia Hamvasi wist de bewondering van het publiek te wekken in de
aartsmoeilijke coloratuurpartij van “La folie” en Sami Luttinen zette een
geloofwaardige Jupiter neer. Thomas Michael Allen beschikt over alle vocale
kwaliteiten om ook probleemloos de titelrol te kunnen vertolken maar werd
ingezet voor de eerder episodische tussenkomsten van Thespis en Mercure. Bij
de kleinere rollen viel ons vooral de Finse bas Timo Riihonen op die met een
schitterend klinkende kernachtige baritonstem de rol van Cithéron vertolkte.
Maar uiteindelijk werd het succes van de opvoering vooral bepaald door
teamwork, de prachtige manier waarop alles vocaal in elkaar paste.
Grootste pluspunt van de productie die enkele
weken geleden in Düsseldorf in première ging, is echter de prestatie van de
Neue Düsseldorfer Hofmusik onder leiding van
Konrad Junghänel. Op hun authentieke instrumenten weten deze virtuozen
de muziek op een onvergetelijke manier de humor, het ritme en de
melodie het leven in te blazen dat nodig is om elk spoor van langdradigheid
uit de opvoering te weren. Over de prestatie van het koor van de Oper am
Rhein waren we iets minder geestdriftig. Een paar decalages toonden aan dat
dit nochtans oerdegelijke koor weinig affiniteit heeft met het
barokrepertoire.
Helaas voor de Deutsche Oper am Rhein is het niet mogelijk om deze barokspecialisten voor een langere periode te contracteren. Hierdoor werd het aantal voorstellingen van deze schitterende productie beperkt tot een zevental op een periode van twee weken. We durven echter hopen op een herneming !
H.D. (Gepubliceerd op 14 februari 2011)
Foto's van boven naar onder:
1) Anders J. Dahlin in de titelrol.
2) Sylvia Hamvasi als "La folie" en dansers.
3) Anders J. Dahlin als Platée en Sylvia Hamvasi als "La folie.
Copyright foto's
©
Hans Jörg Michel.
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()
Operette
van Franz Lehar (muziek) en Victor Léon & Léo Stein (tekst), volgens sommige
bronnen naar het blijspel “L’attaché d’Ambassade” van Henri Meilhac.
Wereldpremière op 30 december 1905 in het Theater an der Wien in Wenen.
Première van deze productie door de Deutsche Oper am Rhein op 4 december
2009. Bijgewoonde voorstelling op 25 april 2011 in het Opernhaus te
Düsseldorf.
De dirigent Ralf Lange zette onmiddellijk en letterlijk de toon voor "Die
lustige Witwe" met een
vinnige inleiding. Het orkest had een zeer mooie klank. Wel vonden wij
persoonlijk dat de vioolsoli van Egor Grechishnikov en de cellosolo van
Gilad Kaplansky niet romantisch genoeg klonken waar de actie dit verwachtte.
Onverwacht viel het slagwerk even foutief in tijdens de tweede acte. Waar
nodig, werd wel mooi piano gespeeld.
Het talrijke koor, voorbereid door Christoph Kurig, klonk goed en speelde
overtuigend en vlot mee. Soms zongen ze even uit de maat, maar dirigent Ralf
Lange had alles vlug weer in de hand. Wellicht was het probleem dat dit koor
gans achteraan op het podium zong met het ballet voor hen en omringd door
grote spiegels als enig decor, wat blijkbaar problemen gaf om de dirigent of
de monitoren te zien. Dit decor was ontworpen door Anette Hachmann & Elisa
Limberg en bood veel komische mogelijkheden doordat die spiegels ook
draaiden. Het ballet presteerde zeer goed in de prettige en geïnspireerde
choreografie van Stefan Stewart.
De regie van Christian Brey & Harald Schmidt was van het traditionele stof
ontdaan zonder ons te hinderen! Vele vondsten hielpen de vlotheid primeren,
hoewel ook ruimte voor romantiek gelaten was. Enkele voorbeelden: tijdens de
ombouw van de tweede naar de derde acte hoorde men een radiostem die een
allusie maakte op Johannes Heesters, de beste Danilo aller tijden. Verder
ook steekjes naar Europa in Brussel en de financiële problemen van
Griekenland. Een klein voorbehoud voor het paviljoen dat meer leek op een
duikboor of een caravan (?). Ook hing er een halve maan, waar de
titelvertolkster op wou gaan zitten maar er gewoon afschoof.
De avondbezetting was van een hoog niveau. Romana Noack was een uitstekende
Hanna Glawari, een prachtige stem, een jeugdige figuur en waar nodig, erg
sexy. Wat wil men nog meer? Ze acteerde ook zeer vlot en geloofwaardig. Die
ene iets minder goede afgebroken noot, vergeven en vergeten we heel vlug! De
Valencienne van Anke Krabbe was eveneens een zeer goede keuze. Alleen bleek
weer eens dat het “grisettenlied” te laag ligt voor een sopraan.
Uiteindelijk werd het hier wel zeer behoorlijk gebracht. Enkel haar rosse
pruik was er iets te veel aan. De Danilo van Kay Stiefermann beviel ons op
alle gebied. Hij bezit een prachtige baritonstem die ook alle hoge noten
moeiteloos met volle stem zong, afgewisseld met goed dragende piano’s. Ook
zijn jeugdig uiterlijk en het vlotte geloofwaardige acteren maakten zijn
prestatie lovenswaardig.
De tenor Norbert Ernst was een goede Camille de
Rosillon. Hij bezit een mooie stem, is een goed acteur die van deze
“underdog” toch iets geloofwaardig maakte, zelfs zonder hoge “C”. Peter
Nikolaus Kante speelde Baron Mirko Zeta, de gezant van Pontevedro te Parjjs.
Zijn figuur werd op een andere wijze gebracht dan we gewoon zijn. Zodra we
dat door hadden, voldeed ook hij volledig! Hier en daar ontbraken bij enkele
solisten korte gezongen zinnetjes, ook dit kwam telkens vlug in orde. Men
moet de partituur goed kennen om dit op te merken. Ook een bravo voor de
acteurrol Njegus van Lutz Salzmann, ook anders dan gebruikelijk, maar met
een leuk resultaat. De andere solisten presteerden op een evenwichtig
niveau. We vernoemen een leuk duo van Richard Sveda en Markus Müller als
Cascada en St. Brioche met eveneens positieve zangprestaties. Lukasz
Konieczny en Claudia Hildebrand waren de heer en mevrouw Bogdanowitsch en
Benno Remling en Nassrin Azarmi de familie Kromow, met Manfred Fink en
Cornelia Berger als het leuke stel Pritschitsch.
Dergelijke uitvoeringen verzekeren de "Witwe" nog een stevige toekomst!
Er zijn nog voorstellingen in het Opernhaus te Düsseldorf op 15 mei en 16
juli 2011.
H.V. (Gepubliceerd op 3/5/2011)
Foto's van boven naar onder:
1 Lutz Salzmann als Njegus en Kay Stiefermann als Danilo.
2) Lutz Salzmann als Njegus, Peter Nikolaus Kante als Baron Mirko Zeta en Anke
Krabbe als Valencienne.
Copyright foto's
©
Hans Jörg Michel.
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()