OPERA GAZET
![]()
Opera
van
Aribert Reimann (muziek en tekst) naar Franz Grillparzer. Wereldcreatie
in de Wiener Staatsoper op 28 februari 2010. Duitse première in de Oper
Frankfurt op 5 september 2010. Bezochte voorstelling op 25 september 2010.
Van
de in 1936 te Berlijn geboren Aribert Reimann is deze "Medea" de achtste
opera waarvan wij een uitvoering bijwoonden. Zoals steeds bij deze componist
is de inhoud uiterst interessant. Het verhaal van Medea en Jason is al sinds
eeuwen gebruikt door meestal Italiaanse en Franse operacomponisten. De
inhoud van "Medea" dienen wij hier dan ook niet te vertellen want de meeste
operaliefhebbers zullen al wel een opera over dit lugubere personage
bijgewoond hebben. Onder de leiding van Erik Nielsen zorgde het orkest van
de Opera van Frankfurt voor een uiterst spannende uitvoering van Aribert
Reimann's partituur.
Bijzonder mooi waren de regie en de toneelbeelden verzorgd door Marco Arturo
Marelli. Wij zouden ons verwend voelen, mochten andere operahuizen dezelfde
kwaliteit produceren.
De zes zangsolisten zorgden voor prachtige zang- en acteerprestaties.
Uiterst spannend waren de prestaties van de sopraan Claudia Barainsky die
wij te Mïnchen reeds aan de slag zagen en hoorden in Reimann's "Bernarda
Albas Haus" en nu de titelrol van Medea te vertolken kreeg. Deze zangeres
beschikt over een zuivere stem die ook in de hoogste regionen blijft
schitteren.
De
mezzo Tanja Ariane Baumgartner als de voedster was eveneens erg genietbaar.
De nog jeugdige bariton Michael Nagy als Jason zal het zeker nog ver
schoppen. De heldentenor Michael Baba als Kreon beschikt over een uiterst
solide stem. Dit kan ook gezegd van de Ierse mezzo Paula Murrihy in de rol
van Kreusa. Tenslotte was er nog de countertenor Tim Severloh als een
heraut.
Bij het vallen van het doek mochten alle zangsolisten een minutenlange ovatie in ontvangst nemen.
W.V. (Gepubliceerd op 30/9/2010)
Foto's van boven naar onder:
1) Claudia Barainsky (Medea) en Michael Nagy (Jason)
2) Claudia Barainsky (Medea) en Tim Severloh (Ein Herold)
Copyright foto's
©
Barbara Aumüller
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()
Opera
in een proloog, drie bedrijven en een epiloog van
Jacques Offenbach op een libretto van Jules Barbier naar enkele
kortverhalen van
E.T.A. Hoffmann. Het werk werd postuum gecreëerd in de Parijse Opéra
Comique op 10 februari 1881. We zagen op 29 oktober 2010 een opvoering in de
Oper Frankfurt.
Voor het tweede jaar op rij werd de
Oper Frankfurt door de Duitstalige vakpers uitgeroepen tot het beste theater
van Duitsland. Dit verwondert ons geenszins: onze bezoeken aan het theater
hebben wij steeds als positief ervaren, zowel wat betreft de muzikale
kwaliteit als de ensceneringen die meestal wel modern zijn
maar binnen de
perken blijven.
De productie van “Les contes d’Hoffmann” die we zagen past
volledig in dit plaatje: een schitterend resultaat dat bereikt wordt met, op
één uitzondering na,
solisten van het vaste gezelschap. Bovendien is de programmatie van de Oper
Frankfurt steeds een unieke combinatie van standaardrepertoire en meer
avontuurlijke dingen. Zo staan dit jaar nog “Die Feen” van Wagner,
“L’assassinio nella cattedrale” van Pizzetti en “Kullervo” van Sallinen op
het programma.
Van “Les contes d’Hoffmann” zijn doorheen de jaren een uitgebreid aantal
versies verschenen die van elkaar verschillen wat betreft de muziek maar ook
de bezetting en zelfs de volgorde van de bedrijven. Veel operahuizen
proberen zich dan ook te profileren met nieuwe “vondsten” of normaal niet
uitgevoerde delen. De Oper Frankfurt opteerde echter voor de meest gangbare
versie van Fritz Oeser. De vier baritonrollen werden bezet door dezelfde
zanger terwijl de sopraanrollen door drie verschillende sopranen gezongen
werden. Dit laatste doet misschien wat af aan de dramatische eenheid (de
drie vrouwen zijn eigenlijk delen van één persoonlijkheid), maar is muzikaal
zeker de beste keuze daar de rollen eigenlijk allemaal een eigen vocale
identiteit hebben.
Offenbach wilde met “Les contes d’Hoffmann” zijn criticasters de mond
snoeren en zich profileren als “serieuze” componist. De rijke orkestratie en
grote melodieke rijkdom doen ons alleen maar betreuren dat de man niet meer
echte opera’s geschreven heeft. Overigens heeft Offenbach nog een tweede
opera geschreven: in 1864 ging in Wenen zonder succes “Die Rheinnixen” in
première. Een aantal passages
van dit werk, waaronder ook de beroemde
barcarole, werden door Offenbach herbruikt in “Les contes d’Hoffmann”.
Regisseur Dale Duesing laat de ganse opera afspelen in het café van Luther.
De verhalen die Hoffmann vertelt worden gespeeld door de bezoekers van het
café die op die manier de draak
met
hem steken. Dit betekent meteen dat de drie vrouwen al van aanvang in het
café aanwezig zijn. Voor elk bedrijf wordt het basisdecor aangevuld met wat
extra attributen: een atelier in de Olympia-akte, een piano voor Antonia en
een loopbrug bij Giulietta. Verder wordt de enscenering nergens overladen
met symboliek en valt het op dat de regisseur zelf een zanger is: nergens
worden de solisten gehinderd bij het zingen. Enige minpunt is misschien dat
Duesing het ganse toneel benut waardoor de proloog zich nogal achteraan
afspeelt - wat later verklaard wordt door het feit dat de drie verhalen zich
op de voorgrond zullen afspelen.
Muzikaal werd de uitvoering in Frankfurt gedomineerd door de Koreaanse tenor
Alfred Kim in de titelrol. Zijn stem heeft metaal, kracht en ringende
topnoten maar is tegelijkertijd in staat tot de kleinste nuancering en de
zanger heeft voldoende smaak en stijlgevoel om een geloofwaardige Hoffmann
neer te zetten. Eén bedenking toch, zijn Frans was het grootste deel van de
tijd onverstaanbaar. Daar dient nog wat bijgeschaafd te worden. De
Amerikaanse coloratuursopraan Breanda Rae heeft niet enkel de ideale fysieke
verschijning voor de pop Olympia, maar heeft ook een mooie, zij het niet
grote, flexibele stem. Wel werd zij als enige wat gehinderd door de regie
die haar zoveel danspasjes oplegde (Olympia leek eerder een slangenmens dan
een pop) zodat ze tegen het einde van haar aria zichtbaar buiten adem was,
met een
paar kleine vocale uitschuivertjes tot gevolg.
Volledig
geloofwaardig en dramatisch was Elza van den Heever als Antonia al lijkt de stem
een diamant die nog een beetje bijgeslepen dient te worden. De derde grote
vrouwenrol werd vertolt door Claudia Mahnke. Met haar mooie,
volumineuze en
dramatische mezzostem kon zij ons het meest overtuigen als een sensuele
Giulietta. Niet helemaal van hetzelfde niveau vonden we de prestatie van de
Italiaanse bariton Giorgio Surjan als de slechteriken. Technisch en
interpretatief viel op zijn prestatie niets aan te merken, maar hij mist
vocaal het dreigende en het volume dat de rol vereist. De talrijke kleinere
rollen werden perfect bezet, waarbij vooral de Amerikaanse tenor Peter Marsh
in de vier kleinere rollen wist te beïndrukken. Ook Florain
Plock in de episodische rollen van Hermann en Schlemihl is ons bijgebleven.
Dirigent Roland Böer haalde het beste uit het orkest van de Oper Frankfurt
en dat is heel wat want we beschouwen het als een van de betere
operaorkesten in Duitsland. Hij bracht de muziek prachtig tot leven, echter
zonder de solisten te compromitteren met overdreven luid orkestspel. Het
koor van de Oper Frankfurt hebben we al in betere dagen gehoord. Enkele
uitschuivers bij de tenoren deden pijn aan de oren.
Een productie die door een prachtige symbiose van muziek en theater zeker de moeite waard is in een theater dat, wat ons betreft, steeds weer zijn reputatie als een van de beste van Duitsland weet te bevestigen. Er zijn nog zeven voorstellingen tot en met 23 april 2011.
H.D. (Gepubliceerd op 31/10/2010)
Foto's van boven naar onder:
1. Alfred Kim als Hoffmann en Jenny Carlstedt als Nicklausse.
2. Giorgio Surjan als Docteur Miracle en Elza van den Heever als Antonia.
3. Alfred Kim als Hoffmann en Claudia Mahnke als Giulietta.
Copyright foto's: © Wolfgang Runkel.
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()
Grote
romantische opera van
Richard
Wagner op een libretto van de componist zelf naar “La donna serpente” en “Il
corvo” van
Carlo Gozzi. De opera werd postuum gecreëerd op 29 juni 1888 in het
Nationaltheater te München. We woonden op 3 mei 2011 een concertante opvoering
bij in de Alte Oper Frankfurt.
In
2013 wordt niet alleen de tweehonderdste geboortedag van Giuseppe Verdi gevierd,
ook Richard Wagner zou dat jaar twee eeuwen oud geworden zijn. De
voorbereidselen voor dit dubbel jubileum beginnen stilaan op gang te komen. Wat
het oeuvre van Verdi betreft, zijn er nogal wat opera’s die van onder het stof
gehaald kunnen worden. Van Wagner zijn er slechts een drietal werken onbekend en
onbemind: “Das Liebesverbot” (1836), “Rienzi” (1842) en deze
“Die Feen”
die nooit uitgevoerd werd tijdens het leven van Wagner. Ook in het Festspielhaus
te Bayreuth, waar
deze drie werken nooit te zien waren, zouden plannen bestaan om ze op te voeren.
De Oper Frankfurt plant in samenwerking met de Alte Oper Frankfurt alvast
concertante uitvoeringen van alle drie: tijdens het seizoen 2012/13 komt “Das
Liebesverbot” aan bod en een seizoen later is het de beurt aan “Rienzi”. We
hopen dat deze drie in hun volledige versie uitgevoerd zullen worden, al had
“Die Feen”, met een kleine drie uur muziek nochtans eerder “kort” voor een
Wagneropera, op dat punt af te rekenen met tegenslag, maar daarover verder meer.
Wagner
schreef “Die Feen” in 1833, op twintigjarige leeftijd. De muziek is nog sterk
onder de invloed van Weber, maar er is al een kiem in te bespeuren van het
muzikale genius dat zich bij latere werken zou manifesteren. Ook een aantal
thema’s die later zouden terugkeren, zoals de verlossing of de verboden vraag,
zijn in “Die Feen” al aanwezig. Ook toont Wagner al een duidelijke affectie voor
lang uitgesponnen vertellingen in een soort recitatiefvorm. Desondanks wordt het
werk door “echte” Wagnerianen niet aanvaard en ook de componist zelf was er
alles behalve trots op, getuige de weigering om de opera tijdens zijn leven te
laten opvoeren. Ook vandaag is “Die Feen” een rariteit, hoewel er minstens twee
commerciële audio-opnamen bestaan. Helaas werden de uitvoeringen in de Parijse
Châtelet uit 2009 niet op DVD vastgelegd.
Het verhaal van “Die Feen” is vrij complex en is op vele punten een potpourri
van thema’s uit andere opera’s van Wagner zelf, maar ook van andere componisten.
De prins Arindal is verliefd geworden op de fee Ada. Hij heeft toestemming
gekregen om haar te huwen op voorwaarde dat hij gedurende minstens acht jaar
geen vragen stelt over haar afkomst. Dit lukt uiteraard niet, maar hij krijgt
een herkansing. Wanneer hij hierin ook jammerlijk faalt besluit hij Ada uit de
onderwereld te gaan bevrijden. Als beloning hiervoor wordt hij niet alleen
herenigd met Ada, maar bereikt hij ook de staat van onsterfelijkheid.
Alleen al door de zeldzaamheid ervan is elke uitvoering van “Die Feen” een
evenement waar mensen van heinde en ver op afkomen. Het is dan ook dubbel jammer
dat voor de voorstelling die we zagen het noodlot toesloeg. De Duitse tenor
Burkhard Fritz die
de zware partij van de prins Arindal voor zijn rekening nam, had af te rekenen
met bloeddrukproblemen en moest aan het einde van het tweede bedrijf de handdoek
in de ring gooien. Resultaat was dat zowat het ganse derde bedrijf, waar Arindal
bijna voortdurend in voorkomt, herleid werd tot het openings- en slotkoor. Wat
een jammerlijk einde van wat tot dan toe een muzikaal erg hoogstaande
voorstelling geweest was.
Grote drijvende kracht van het concert was muziekdirecteur Sebastian Weigle die
Wagner's vergeten opera met vuur verdedigde. Hij liet het grote Frankfurter
Opern- und Museumorchester een grootse, monumentale verklanking geven van deze
muziek, waarbij zijn interpretatie duidelijk de verbanden aantoonde met de
klanktaal van de latere werken van de componist. Een interpretatie waarin het
orkest, op alle punten ijzersterk bezet, en het prachtige koor van de Oper
Frankfurt hem volledig in volgden.
Ook bij zijn eerste compositie stelde Wagner al erg hoge eisen aan zijn
solisten. Het zou uiteraard oneerlijk zijn Burkhard Fritz op zijn prestatie af
te rekenen maar voor het overige werden we ook vocaal erg verwend in de Alte Oper
Frankfurt. Zo moet
Tamara Wilson één van de best bewaarde geheimen uit het operagebeuren zijn.
Deze nog jonge Amerikaanse sopraan heeft een gouden stem: egaal over het ganse
bereik, schitterende topnoten en een enorme omvang waarmee ze probleemloos de
voluptueuze orkestklanken overwint. Laten we hopen dat deze schitterende
zangeres, die tot nu toe vooral Verdi en Mozart zong, niet te snel voor de
leeuwen geworpen wordt. Als deze dame haar carrière zorgvuldig weet op te bouwen,
zullen we nog van haar horen !
De rest van de solisten bestond uit mensen van het schitterende gezelschap van
de Oper Frankfurt. De Amerikaanse sopraan
Brenda
Rae maakte van de moeilijke coloratuurrol van Lora, Arindals zuster, een
sprankelend schouwspel waarbij de positieve indrukken die we hadden na haar
optreden in “Les contes d’Hoffmann” niet enkele bevestigd maar zelfs versterkt
werden. Ook Michael Nagy wist ons als Morald niet voor het eerst met zijn
kernachtige, ronde baritonstem te bekoren en we waren onder de indruk van de
interpretatieve kracht en de stemvoering van de Duitse bas Thorsten Grümbel. Ook
de talrijke andere rollen waren op meer dan behoorlijke wijze bezet.
Ondanks de hoogstaande kwaliteit van de uitvoering hadden we niet echt de indruk met een
meesterwerk te maken te hebben. We vermoeden zelfs dat niemand er aan zou denken
het op te voeren zonder te weten wie de geestelijke vader is. Er zijn
ongetwijfeld massa’s waardevollere werken die nog op herontdekking liggen te
wachten.
Ondertussen hebben we vernomen dat het met de gezondheid van tenor Burkhard
Fritz al een heel stuk beter gaat en dat de tweede en laatste voorstelling op 6
mei 2011 gewoon en onverkort zal doorgaan.
H.D. (Gepubliceerd op 5/5/2011)
Foto's van boven naar onder:
1. Richard Wagner.
2. Sebastian Weigle.
3. Het ganse ensemble bij het slotapplaus.
Copyright foto 3: © Wolfgang Runkel.
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()