OPERA GAZET
![]()
Opera
in een proloog, vier bedrijven en een epiloog van
Arrigo Boito op een eigen
libretto gebaseerd op de Faust-legende. De eerste opvoering had plaats op 5
maart 1868 in het Teatro alla Scala te Milaan. Een tweede verkorte versie
werd gecreëerd in Bologna op 4 oktober 1875. We woonden op 17 oktober 2010
een voorstelling bij in het Musiktheater im Revier te Gelsenkirchen.
Arrigo Boito is vandaag vooral bekend gebleven als
librettist van de opera’s “Otello” en “Falstaff” van Verdi. Nochtans was de
man ook een begenadigd componist, maar had met zijn opera’s weinig succes.
Met “Mefistofele” werd hij beschuldigd van “Wagnerisme” en ook Verdi spaarde
zijn kritiek niet. En ondanks een tweede, sterk gewijzigde versie (zo werd
de rol van Faust omgecomponeerd van bariton naar tenor) beter onthaald werd,
ging het werk nooit deel uitmaken van het standaardrepertoire. Zijn tweede
opera, “Nerone”, was niet klaar toen Boito in 1918 overleed en werd later
voltooid door Arturo Toscanini, Vincenzo Tommasini en Antonio Smareglia.
Het is moeilijk te begrijpen dat “Mefistofele” vandaag beschouwd wordt als
een rariteit. De muziek is kwalitatief hoogstaand en rijk georkestreerd. De
opera is niet uitzonderlijk moeilijk te bezetten en het verhaal opent voor
een regisseur heel wat mogelijkheden om zijn creativiteit ten toon te
spreiden. De koorpassages zijn indrukwekkend. Misschien ligt het probleem net
in dat laatste: om een uitvoering van “Mefistofele” tot een succes te maken
heeft men een bijzonder uitgebreid koor nodig, wat een belangrijke meerkost
meebrengt.
Regisseur Michael Schulz gaf blijk van een aantal goede ideeën. Zo werd de
figuur van God, waarmee Mefistofele een weddenschap aangaat om de ziel van
Faust, op de scène uitgebeeld. Het koor blijkt ook in het eerste bedrijf al
onder de invloed van Mefistofele te staan en mee te werken aan de verleiding
van Faust. De plaatsing van het koor tijdens de proloog op het tweede balkon
was zeker effectvol evenals het openen van de hel door een grote lift maakte
indruk.
Helaas volstaan dergelijke vondsten niet om een enscenering leven in
te blazen. De wat smakeloze decors (voor zover aanwezig) en de personenregie
vol perversiteiten laten de toeschouwer enigszins onthutst achter. We hadden
liever gezien dat Schulz wat meer aandacht besteed had in het uitwerken van
de relatie tussen Mefistofele en Faust. Enkel Margareta werd neergezet als
een geloofwaardig personage.
Een opera als “Mefistofele” brengen is voor ieder theater een uitdaging,
zeker voor een kleiner gezelschap als dat van het Musiktheater im Revier.
Vanuit dat oogpunt is de productie in Gelsenkirchen zeker een geslaagde
onderneming. Hoofdverantwoordelijke hiervoor is ongetwijfeld dirigent Rasmus
Baumann die zeker in de proloog indrukwekkende klanken wist te ontlokken aan
het orkest en ook de koormassa zonder noemenswaardige uitschuivers doorheen
de partituur wist te loodsen. Baumann houdt alles perfect onder controle,
laat het orkest ademen en zorgt er tegelijkertijd voor dat de solisten
zonder te veel moeite hoorbaar blijven.
Petra Schmidt in de rol van Margareta was ongetwijfeld het sterkste element
in de ganse cast. Niet alleen weet zij met een perfect legato haar grote
aria te brengen, ze weet ook muzikaal en scenisch te ontroeren. Dit laatste
lag iets moeilijker bij de mannelijke hoofdrollen. De Amerikaanse tenor Ray
M. Wade jr., in een vorig leven nog laureaat van de Koningin Elisabeth
wedstrijd, komt wat onhandig over op het toneel. De stem heeft een mooi
timbre en de zanger doet moeite bij het fraseren. Helaas heeft het zingen
van te zware rollen al zijn tol geëist, iets wat af en toe duidelijk wordt
wanneer het wat hoger of luider moet.
Vocaal indrukwekkend was de Koreaanse
bas-bariton Dong-Won Seo als Mefistofele. Spijtig genoeg ontbreekt het hem
door zijn jeugdige leeftijd nog wat aan toneelrijpheid, maar we zijn er van
overtuigd dat het publiek te Gelsenkirchen nog plezier zal beleven aan deze
beloftevolle zanger. Majken Bjerno is een ook vocaal aantrekkelijke Elena.
De kleinere rollen zijn afdoende bezet.
Al bij al een degelijke productie van een opera die helaas maar al te zelden opgevoerd wordt, maar die visueel toch wat te wensen overliet. Er zijn nog acht voorstellingen tot 15 januari 2011.
H.D. (Gepubliceerd op 21/10/2010)
Foto's van boven naar onder:
1) Dong-Won Seo als Mefistofele en Ray M. Wade jr. als Faust.
2) Dong-Won Seo als Mefistofele en ensemble.
3) Ray M. Wade jr. als Faust, Rüdiger
Frank als God, Majken Bjerno als Elena en figuranten.
Copyright foto's © Pedro Malinowski.
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()
“DIE LIEBE ZU DEN DREI ORANGEN"
Opera
in een proloog en vier bedrijven van
Sergei Prokofiev op een libretto naar “L’amore delle tre marance” van
Carlo
Gozzi. De eerste voorstelling had plaats in het Auditorium Theatre te
Chicago op 30 september 1921 en werd gezongen op een Franse tekst. Op 6
maart 2011 woonden we een uitvoering in een Duitse vertaling bij in het
Musiktheater im Revier te Gelsenkirchen.
Prokofiev heeft niet zo’n grote reputatie als operacomponist maar dat belet niet dat hij een negental opera’s afwerkte en aan nog een handvol andere begon. De meeste van deze werken genieten echter nog nauwelijks bekendheid. Dankzij Valery Gergiev en zijn gezelschap van het Mariinsky Theater zijn de meeste echter van onder het stof gehaald en zelfs opgenomen op CD.
“L’amour
des trois oranges”, zoals het werk bij de creatie genoemd werd, is een
mengeling van satire en commedia dell’arte in een surrealistisch jasje.
Eigenlijk is dat een moeilijke manier om te zeggen dat de opera vol scherpe,
absurde humor zit en dus niet iedereen bevalt. Prokofiev componeerde daarbij
muziek die, hoewel veel harmonischer en melodieuzer dan veel van zijn
tijdgenoten, af en toe wat brutaal in de oren klinkt en niet blijft hangen.
Het hoeft dan ook niet te verbazen dat de opera bij zijn creatie gemengde
gevoelens opriep en zelfs decennialang van het toneel verdween. Vandaag zijn
producties van “L’amour des trois oranges” echter alles behalve
uitzonderlijk. Opvallend daarbij is dat bij onze oosterburen vrijwel steeds
voor een Duitse vertaling geopteerd wordt - wat ons betreft niet echt een
nadeel omdat die taal, beter nog dan Frans, bij de muziek lijkt te passen.
Prokofiev houdt in zijn partituur voor “L’amour des trois oranges” een hels tempo aan. Het verhaal, en dus ook de muziek, vallen op geen moment stil. Het is dan ook een echte uitdaging voor elke regisseur om een concept uit te werken dat het ritme van de muziek kan volgen. Met Elmar Gehlen heeft het Musiktheater im Revier iemand in huis gehaald die niet alleen het juiste tempo kan aanhouden, maar bovendien zijn enscenering weet te kruiden met een aantal prachtige vondsten. Nochtans is het principe eenvoudig. Vooraan het toneel bevindt zich een grote trap waar zich de koorscènes afspelen. Op de trappen liggen echter een aantal losse elementen die ervoor zorgen dat een deel van het decor in een oogwenk kan omgevormd worden in de troon van klaverenkoning of in het bed van zijn zoon de prins. Achter de trap staat een grote spiegel opgesteld waarin het publiek ziet wat zich op de grond afspeelt. Hiermee slaagt Gehlen erin om de prachtigste effecten te creëren: de vlucht van de windgeest Farfarello, de tocht door de woestijn van de prins met zijn drie sinaasappelen of de vlucht van de drie slechteriken aan het einde van de opera zijn maar enkele voorbeelden van taferelen waarbij het gebruik van de spiegel een wezenlijke bijdrage levert aan de sfeer van de voorstelling. Zeker, we hebben het principe van de spiegel al eerder gezien, maar zelden had het een dergelijke inpakt op de kwaliteit van de voorstelling.
Met
niet minder dan zestien rollen is “L’amour des trois oranges” een uitgelezen
werk om de kwaliteiten van een gezelschap als dat van het Musiktheater im
Revier te demonstreren. En ook op dat punt wist de voorstelling ons over vrijwel de gehele lijn te
overtuigen. De tenor Mirko Roschkowski, ingevallen voor de zieke Lars-Oliver
Rühl, had als prins de enige lange partij die de opera rijk is. Hij viel
vooral op door zijn elegante frasering en de geloofwaardige naïviteit
waarmee hij zijn personage vertolkte. William Saetre had met de rol van
Truffaldino, helper van de prins, een rol getroffen die hem op het lijf
geschreven leek. Dit laatste kan ook gezegd worden van Nikolai Miassoedov
die als klaverenkoning niet enkel de nodige vocale autoriteit had, maar ook
door zijn spel en zijn verschijning geknipt was voor zijn personage. Bariton
Bjorn Waag als de goede tovenaar Celio en sopraan Noriko Ogawa-Yatake als de
heks Fata Morgana maakten van hun twee onderlinge confrontaties de
hoogtepunten van de voorstelling. Alfia Kamalova was bovendien perfect
gecast als prinses Ninetta. In verschillende kleinere rollen toonde een
mengeling van vaste waarden en jong talent wat ze waard zijn.
Het uitgebreide koor van het Musiktheater im
Revier had vooral in het eerste deel een groot aandeel in de actie en kweet
zich perfect van deze taak. In het verleden waren we niet steeds even
gelukkig met hun prestatie, maar onder de strenge leiding van Rasmus Baumann
lijken ze boven hun eigen kunnen uit te rijzen. Baumann koos er aan het
hoofd van de Neue Philharmonie Westfalen voor om de partituur te ontdoen van
een paar harde kantjes en wist zo het luistergenot van het publiek te
bevorderen.
Voor de voorstelling waren we een beetje argwanend. Niet alleen waren we wat wantrouwig ten opzichte van het werk, we vroegen ons af of het MiR over de nodige kwaliteiten zou beschikken om een werk als “L’amour des trois oranges” overtuigend te brengen. We hadden het twee keer aan het verkeerde eind: het is een schitterende opera die in Gelsenkirchen op sublieme wijze gebracht wordt. Een aanrader !
Er zijn nog voorstellingen op 13, 19 maart, 9, 16 april en 6 mei 2011.
H.D. (Gepubliceerd op 8 maart 2011)
Foto's van boven naar onder:
1) Nikolai Miassoedov als
klaverenkoning en Piotr Prochera als Pantalone.
2) Dong-Won Seo als Leander, Gudrun Pelker als princes Clarice en Almuth Herbst
als Smeraldine.
3) Alfia Kamalova als princes Ninetta en Lars-Oliver
Rühl als de prins.
Copyright foto's © Pedro Malinowski.
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()
Oorlogsrequiem,
opus
66 van
Benjamin Britten met Latijnse teksten uit de “Missa pro defunctis” en
teksten uit het oeuvre van
Wilfred
Owen. Het koorwerk werd gecreëerd in Coventry op 30 mei 1962. We zagen
op 3 juni 2011 een geënsceneerde versie in het “Musiktheater im Revier” te
Gelsenkirchen.
Britten schreef zijn “War
Requiem” als opdrachtwerk voor de heropening van de kathedraal van
Coventry die aan het begin van de tweede wereldoorlog samen met de rest van
de stad platgebombardeerd werd. De keuze voor Britten als componist voor
deze gelegenheid lijkt op het eerste zicht logisch gezien zijn uitgesproken
pacifisme, hij was tijdens de oorlog immers dienstweigeraar. Aan de andere
kant kan de keuze ook verbazen, daar de componist uitgesproken atheïstisch
was. Hij beperkt zich in zijn “War Requiem” dan ook niet tot de dodenmis,
maar onderbreekt de liturgie af en toe met Engelse teksten van Wilfred Owen,
een dichter die jong sneuvelde aan het einde van de eerste wereldoorlog. Op
die manier wil Britten niet alleen de nutteloosheid van oorlogen, maar ook
de hypocriete houding van het instituut “de kerk” tijdens gewapende
conflicten aan de kaak stellen. In die zin wordt het werk wel eens
beschreven als een “niet-kerkelijk requiem”.
Muzikaal stelt het “War Requiem” zeer hoge eisen. Behalve een symfonisch
orkest komt ook een kamerorkest en een orgel in de partituur voor. De
hoofdrol in het werk is eigenlijk weggelegd voor een enorm koor uitgebreid
met kinderkoor dat, samen met de sopraan, het religieuze deel van het
requiem uitmaakt en dus de Latijnse teksten brengt. Twee andere solisten,
een tenor en een bariton, vertegenwoordigen het wereldse, kritische gedeelte
middels de Engelse teksten van Owen. Voor de première wilde Britten
symbolisch drie solisten uit verschillende fracties samenbrengen: de Duitse
bariton Dietrich Fischer-Dieskau, de Engelse tenor Peter Pears en de
Russische sopraan Galina Vishnevskaya. De laatste kreeg echter geen
uitreisvisum en werd vervangen door Heather Harper.
Het “Musiktheater im Revier” schuwt weinig uitdagingen, wat met deze
uitvoering van het “War Requiem” nog maar eens bevestigd wordt. Niet alleen
moest in Gelsenkirchen voldaan worden aan de hoge muzikale eisen die de
partituur stelt, er was ook nog eens gekozen om het werk te… ensceneren. Dit
lijkt makkelijker gezegd dan gedaan met een requiem dat eigenlijk geen enkel
verhaal, geen enkele actie bevat. Het was dus de taak van regisseur
Elisabeth Stöppler om bij de muziek een handeling te bedenken. Zij koos als
uitgangspunt een modaal Westers gezin dat het geweld enkel kent via de
nieuwsberichten op TV, maar dan plots midden in een oorlogssituatie terecht
komt. Ieder lid van het gezin reageert anders op de situatie. Vader zweert
alle geweld af, moeder is tot alles bereid om haar kinderen te beschermen en
de kinderen zelf maken van de situatie gebruik om als nieuwe generatie de
wereld voor zichzelf op te eisen. Hoewel we deze rode draad niet echt
terugvonden in wat we zagen, waren we onder de indruk van de sterke,
dramatische beelden waarmee we geconfronteerd werden en die naadloos
aansloten bij Brittens muziek. Dat Stöppler gebruik maakt van moderne
technieken zoals film en het veelvuldig gebruik van de toneelliften past
uitstekend bij het grootse karakter van de muziek.
Uiteraard is het koor de hoofdrolspeler in het “War Requiem” en we waren
onder de indruk hoe deze mensen, toch niet allemaal professionele zangers,
het beste van zichzelf gaven. Indrukwekkend was ook de manier waarop dirigent
Rasmus Baumann aan het hoofd van de uitstekend spelende Neue
Philharmonie Westfalen dit uitgebreide ensemble, door de enscenering ook nog
eens verspreid over de ganse bühne, in goede banen wist te leiden. Hij kreeg
hierbij de medewerking van Clemens Jüngling aan het hoofd van het
kamerorkest.
Britten toont in het “War Requiem” veel medeleven met zijn solisten die hij
vrijwel uitsluitend door het kamerorkest laat begeleiden. Geen probleem dus voor
de eerder kleine stemmen van de solisten
Petra Schmidt (sopraan/moeder),
William Saetre (tenor/de vader) en
Björn Waag
(bariton/de soldaat).
Blijft tenslotte nog de vraag: wint het “War Requiem” erbij om geënsceneerd
te worden? Als gepassioneerd operaliefhebber zijn we al snel geneigd deze
vraag met “ja” te beantwoorden. Af en toe valt de spanning in de partituur
wat weg, wat opgevangen kan worden door de toneelbeelden. Aan de andere kant
maken deze momenten van bezinning nu net wezenlijk deel uit van een requiem.
We vinden dan ook dat objectief gezien de voorstelling in Gelsenkirchen, die
ons overigens erg beviel, eerder gezien kan worden als een interessant
experiment dan als het stellen van een nieuwe standaard voor toekomstige
uitvoeringen.
H.D. (Gepubliceerd op 4 juni 2011)
Foto's van boven naar onder:
1) War Requiem - William Saetre als tenor/vader, Petra Schmidt als
sopraan/moeder en Bjorn Waag als bariton/soldaat.
2) War Requiem -Bjorn Waag (bariton/soldaat) en Petra Schmidt
(sopraan/moeder).
3) War Requiem - Petra Schmidt als sopraan/moeder en koor van het MIR.
Copyright foto's © Pedro Malinowski.
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()