OPERA GAZET
![]()
Opera
van Brett
Dean (muziek) en Amanda Holden (libretto) naar de roman van
Peter Carey. Wereldcreatie in het Sydney Opera House op 12 maart 2010.
Bezochte première in de Staatsoper te Hamburg in de originele Engelse taal
op 12 september 2010.
"Bliss"
is de eerste door Brett Dean geschreven opera. Voordien was de componist
meestal aan het werk met radio- en filmmuziek. Peter Carey, de auteur van de
roman, was van plan de titelfiguur driemaal te laten sterven. In de opera
wordt enkel voorzien dat de vertolker van de voornaamste rol sterft. Door
het respectabel aantal zangsolisten is het wel moeilijk om het verhaal goed
te kunnen volgen.
Hierbij komt nog dat het orkest onder de leiding van intendante Simone
Young, het koor onder de leiding van Florian Csizmadia en ook meerdere
zangsolisten voor aardig wat decibels zorgden.
Voor de uiterst originele regie werd gezorgd door Ramin Gray. Mooi konden
wij de attributen niet vinden, want wij waanden ons nu en dan op een
afvalstort. Positief waren de uiterst kleurrijke kostuums en toneelbeelden
van Lizzie Clachan.
Schitterende
zangsolisten waren de Duitse bariton Wolfgang Koch als Harry Joy, de
directeur van een advertentiebedrijf, de Koreaanse sopraan Hellen Kwon als
zijn echtgenote Betty en de uit Oostenrijk afkomstige tenor Markus Petsch
als de minnaar van Betty. De pittige Ha Young Lee was de minnares van Harry.
Van dit uiterst ongewone werk zijn er te Hamburg nog opvoeringen gepland op
19, 21, 25 september en 2 oktober 2010.
W.V. (Gepubliceerd op 16/9/2010)
Foto's van boven naar onder:
1) Renate Spingler (Mrs. Dalton, asylum manager), Wolfgang Koch (Harry Joy,
Managing Director of an advertising agency), Hellen Kwon (Betty, Harry’s wife)
2) Ha Young Lee (Honey B., Harry’s lover), Wolfgang Koch (Harry Joy, Managing
Director of an advertising agency)
Copyright foto's © Bernd Uhlig
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()
“CAVALLERIA RUSTICANA” en “PAGLIACCI"
Tijdens
onze zoektocht naar onbekende werken vullen we soms een vrije avond op met
voorstellingen van werken uit het grote repertoire. Zo ook het tweeluik
“Cavalleria Rusticana” en “Pagliacci” dat we op 12 maart 2011 zagen in de
opera van Hamburg. Zoals steeds werden we er aan herinnerd waarom dit werk het
grote publiek zo nauw aan het hart ligt: meeslepende melodieën, prachtige
tussenspelen, dramatische aria’s en spectaculaire koorzangen wisselen elkaar
af in partituren die eigenlijk geen zwak punt vertonen en die ook de minder
fanatieke operaliefhebber onverwijld aanspreken. Bovendien heeft de beperkte
lengte van de twee opera’s het voordeel dat het drama zeer geconcentreerd
wordt en er nauwelijks tijd is om te verpozen. Hoewel tegenwoordig
geëxperimenteerd wordt met andere combinaties, worden de twee werken meestal
samen uitgevoerd.
De enscenering die we in Hamburg voorgeschoteld kregen was van de hand van Giancarlo del Monaco en dateert reeds van 1988. Hoewel op het eerste zicht wat oubollig (op DVD bestaat een opname uit Madrid in een beter uitgewerkte regie van del Monaco) weet deze traditionele uitbeelding van de twee korte werken na bijna vijfentwintig jaar nog steeds te ontroeren. Het decor bestaat uit een pleintje in een Italiaans dorp dat per werk lichtjes verschilt. De kostumering is traditioneel Siciliaans. Misschien had Anja Krietsch, die instond voor de herneming, wat meer aandacht mogen besteden aan de personenregie (het is een publiek geheim dat niet elke operazanger een geboren acteur is) maar al bij al zagen we een voorstelling die wist te ontroeren en een verademing betekende tussen de veelal absurde ensceneringen die we al te vaak moeten doorstaan.
“CAVALLERIA RUSTICANA” werd gecomponeerd door Pietro Mascagni voor een compositiewedstrijd en ging in première te Rome op 17 mei 1890. Het is een typevoorbeeld van het “verismo”, het naturalisme in de muziek. Al van het begin is duidelijk dat het verhaal slecht zal aflopen en is het alleen maar afwachten wie de slachtoffers zullen zijn. Bij het grote publiek is vooral het intermezzo bekend, maar de partituur is een aaneenschakeling van prachtige, meeslepende muzikale motieven.
De rol van Santuzza vraagt om een dramatische
sopraan en die lopen niet dik. De opera van Hamburg had gekozen om de rol te
bezetten met een icoon van het Duitse operaleven,
Waltraud Meier.
We waren eigenlijk wat verbaasd dat deze Wagnerspecialiste gecast werd in
een Italiaans werk. Hoedanook, haar prestatie werd door het Duitse publiek
met een grote ovatie begroet, wat niet wegneemt dat we enkele bedenkingen
hadden. Meier schittert vooral door de intensiteit van haar zang die vooral
goed tot haar recht komt op ingetogener momenten. Zo was haar interpretatie
van “Voi lo sapete, o Mamma” en “No, no, Turridu” een schoolvoorbeeld van
hoe stem en muziek een perfecte muzikale en dramatische eenheid kunnen
vormen. Helaas verliest de stem in de “forte”- passages aan
stabiliteit en controle waardoor intonatieproblemen ontstaan die meer dan
eens storend overkomen. Alles samen een aangrijpende vertolking die ontsierd
werd door een paar pijnlijke muzikale momenten.
De mannenrollen in “Cavalleria Rusticana” zijn wat makkelijker te bezetten, maar ook daar liet één en ander wat et wensen over. De Poolse bariton Andrzej Dobber leek onvoldoende opgewarmd aan het begin en bracht een bleke “Il cavollo scalpita”. Hij wist zich nadien te herpakken, zonder aan de hoge verwachtingen te voldoen. Zo ook de Amerikaanse tenor Andrew Richards die ons in het verleden al wist te bekoren in onder andere “Andrea Chenier” en “Parsifal”. De stem klonk van bij aanvang erg gevoileerd en de uitschuivers op de enkele hogere noten kwamen dan ook niet onverwacht. Beginnen de zware rollen die deze jonge man op zijn repertoire heeft nu al hun tol te eisen? Degelijk maar niet opvallend waren Renate Spingler als Mamma Lucia en Maria Markina als Lola.
“PAGLIACCI” is van de hand van Ruggero Leoncavallo en werd op 21 mei 1892 gecreëerd in het Teatro dal Verme te Milaan. De muziek is iets verfijnder dan bij Mascagni, maar Leoncavallo maakt meer ruimte vrij voor lyrische momenten zoals het liefdesduet tussen Nedda en Silvio waar Mascagni meer voor een rechttoe-rechtaan aanpak kiest en de toeschouwer vanaf het eerste moment in het drama zuigt. Nochtans culmineert dat drama in “Pagliacci” naar het einde toe, wanneer Canio de beroemde woorden “La commedia è finita” spreekt.
Waar bij “Cavalleria Rusticana” de sopraanrol
het moeilijkst te bezetten is, vraagt bij “Pagliacci” vooral de tenorpartij
van Canio om een uitzonderlijke zanger. Hier had de opera van Hamburg
werkelijk een witte raaf gevonden: de Amerikaan
Carl Tanner die nog
onlangs een succesvol debuut maakte in de Metropolitan Opera en in Hamburg inviel voor
Fabio Armiliato.
Zijn stem heeft alles: een mooi timbre, een stralende hoogte en volume te
over. De vertolking van de man is van een ongekende dramatische intensiteit
met als hoogtepunt een memorabele vertolking van “Vesti la giubba” aan het
einde van het eerste bedrijf.
Andrzej Dobber leek na de pauze zijn stem teruggevonden te hebben en tekende voor een meer dan behoorlijke en met gevoel gezongen interpretatie van de monoloog. Jun-Sang Han was een vocaal ongewoon sterke Beppe die ook nog halsbrekende toeren uithaalde op het toneel en Viktor Rud een erg lyrische Silvio wiens stem mooi contrasteerde met die van Dobber. Enkel Helen Kwon vonden we niet ideaal als Nedda. Haar stem is iets te dik voor de rol en ook in haar akteren komt ze niet erg geloofwaardig over.
We hebben het grootste respect voor Simone Young die door haar inzet en dynamiek een ongelooflijk spannende uitvoering van deze partituur bracht. Zelden hoorden we de muziek met afwisselend zoveel elan en ingetogenheid spelen. Ze werd hierin perfect gevolgd door het orkest van de Staatsoper Hamburg. De koormassa was iets minder gemakkelijk in de hand te houden, maar alles bleef binnen de perken.
Deze voorstelling was een bevestiging van wat we al lang wisten. Het tweeluik “Cavalleria Rusticana” en Pagliacci” is een muzikale voltreffer. Een traditionele regie doet de beide opera’s het beste tot hun recht te komen.
We zagen de laatste voorstelling van dit seizoen, maar zijn er zeker van dat deze productie nog terug komt.
H.D (Gepubliceerd op 16 maart 2011)
Foto's van boven naar onder:
1) Cavalleria Rusticana.
2) Pagliacci.
Copyright foto's © Staatsoper Hamburg (genomen bij de première in 1988)
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()
Opera
van
Giuseppe Verdi (muziek) en
Francesco Maria Piave (libretto) naar het gelijknamige drama van William
Shakespeare. Gecreëerd in het Teatro della Pergola te Florence op 14 maart
1847. Première van deze productie in de Staatsoper Hamburg op 7 september
1997. Bijgewoonde opvoering op 5 april 2011.
“Macbeth”
is belangrijk omdat de inhoud van alle tijden is. Terreur begint wanneer er
geen regels meer gelden. Wat rest aan menselijkheid, wordt op termijn
vernietigd. De toekomst van Macbeth werd voorspeld door de heksen en de
strijd om de macht kon beginnen. Met de hulp van de meedogenloze Lady
Macbeth werden alle tegenstanders op termijn uitgeschakeld. Enkel Macduff en
Malcolm wisten te ontsnappen. Zij leidden het verzet. Macbeth en zijn Lady
sterven, de ene in de strijd en de andere werd waanzinnig.
De muziek van Giuseppe Verdi is een scharniermoment tussen het romantisch en
het realistisch melodrama. Zoals “Simon Boccanegra”en “Don Carlos”, behoort
“Macbeth” tot de werken van de meester waarin we een spiegelbeeld herkennen
van onze tijd.
De Philharmoniker Hamburg was in handen van de dirigent Marcus R. Bosch. Er
waren momenten dat het orkest heel dynamisch klonk, maar er waren ook
ogenblikken dat het stil viel. Het koor reageerde steeds alert op zijn
aanduidingen. Hij scheen wel aandacht te hebben voor de solisten, maar deze
hoofdtaak lag hier blijkbaar ook bij de souffleur. Het was een typisch
Duitse “Macbeth” met weinig Zuiderse warmte.
Kwalitatief was de zangersbezetting erg veranderlijk. Macbeth werd vertolkt
door Lucio Gallo. Deze bariton bleek volledig ongeschikt voor deze
dramatische rol. Als een echte Italiaanse praalhans stond hij te pronken,
terwijl hij niets anders gedaan had dan duwen op zijn stembanden en zich
forceren. Zijn echtgenote werd gezongen door de sopraan Amarilli Nizza die
een soepele, maar weinig volumineuze sopraanstem liet horen. Zij straalde
vooral in de hoge tessituur. Banco is geen grote rol maar hij heeft wel een
mooie aria te zingen vooraleer hij vermoord wordt. De bas Tigran
Martirossian was hier geschikt voor, al hadden wij in deze aria iets meer
warmte verwacht. Macduff werd gezongen door de tenor Wookyung Kim. Zijn aria
klonk zeer verzorgd en écht Italiaans. De kleine interventies van de dokter,
gezongen door de bas Dieter Schweikart, en de meid, vertolkt door de sopraan
Katharina Bergrath, waren zeer genietbaar en verzorgd.
Regisseur Steven Pimlott had de wereld verdeeld in licht (het deel van het
dagelijkse officiële leven) en duister (het terrein van de heksen, de
intriges en de moorden). De muren van het paleis waren gedeeltelijk
lichtgrijs en zwart geschilderd op een lang verplaatsbaar paneel. Dit decor
werd naargelang de actie van links (de lichte kant) naar rechts (de donkere
kant) over de scène geschoven. De ontmoetingen van Macbeth en de heksen
vonden plaats aan de donkere zijde, het terrein van de onderwereld. De
heksen waren gekleed met afgrijselijke outfits van strings, allerlei vormen
van borsten, dijen en achterwerken. Maar zij lieten zich ook van hun beste
kant kennen in een pittig ballet, geïnspireerd door de bewegingsregie van
Sue Lefton.
Het euvel van deze voorstelling was het tekort aan Italiaans gevoel. Ook de
zaal reageerde heel lauw. Spijtig er had meer kunnen inzitten.
P.T. (Gepubliceerd op 6 april 2011)
Fotos' van boven naar onder:
1) Amarilli Nizza.
2) Macbeth - Dans van de heksen (Foto: Landsberg)
Copyright foto 2 © Staatsoper
Hamburg - Landsberg.
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()
Opera
van
Wolfgang Amadeus Mozart op een libretto van
Lorenzo Da Ponte. Gecreëerd in het Burgtheater te Wenen op 26 januari
1790. Première van deze productie in de Staatsoper Hamburg op 17 november
1991. Bijgewoonde voorstelling op 9 april 2011.
“Cosi
fan tutte” is één van onze lievelingsopera’s. Deze voorkeur wordt niet
enkel bepaald door de mooie muziek, de keuze ligt ook in de verre tijd van
de DDR. In 1981 was dit werk geprogrammeerd tijdens de Dresdner
Musikfestiele in een regie van
Joachim Herz. Op een persbijeenkomst gaf hij
zulke interessante informatie, dat we steeds op zoek gingen naar deze
zienswijze van één der grootste operaregisseurs. Hij maakte er ons attent op
dat de twee dames Fiordiligi en Dorabella voor de eerste keer in hun leven
een vrije keuze konden maken. Zij kregen de kans de man van hun dromen zelf
te bepalen. Naargelang de regie krijgen ze deze man of moeten zij zich
houden aan de conventies van een geregeld huwelijk.
In de huidige enscenering van Marco Arturo Marelli worden de heren gestraft
en krijgen zij uiteindelijk geen enkele van de beschikbare dames. Op deze
manier kan de opera steeds opnieuw beginnen, zoals een muzikaal rondo. Het
decor was een groot draaitoneel, dat deed denken aan een halve reuzenschelp
en naargelang de actie verliep, werden er rekwisieten bijgeplaatst.
Bijzonder geslaagd was het decor op de achtergrond, met geschilderde
Italiaanse landschappen in fijne pasteltinten. Ook smaakvol waren de
kostuums van de heren en de jurken van de dames, ontworpen door Dagmar
Niefind-Marelli (familiezaak?). Er werd goed geacteerd, maar de
versiertechnieken van Guilelmo waren wel wat overdreven. De Philharmoniker
Hamburg stond onder leiding van Karen Kamensek. Op een dynamische en fijne
manier leidde zij het orkest door de partituur. De opera van Hamburg schijnt
een mekka te zijn voor vrouwelijke dirigenten. De tussenkomst van het
klavecimbel door Moshe Landsberg was sprankelend.
De sopraan Talia Or legde als Despina een feilloos parcours af. Elke nuance,
elke muzieknoot waren een voltreffer. Dit kunnen we niet zeggen van de vijf
andere protagonisten. Wij hoorden een fijne verklanking, die niet altijd
zuiver was, zeker niet in de ensembles. De hemelse duo’s, kwartetten en
sextetten klonken al eens minder gedisciplineerd. Uiteraard is Mozart geen
doetje in zijn vocale uitwerking en de zangers zijn ook maar mensen. In een
live voorstelling zijn technische ingrepen onmogelijk. De sopraan Mirjam
Tola als Fiordiligi liet ons de hele voorstelling genieten van haar vocale
kwaliteiten, maar haar vertolking was niet volledig af. Haar stem is niet
van de warmste, zelfs een beetje schraal. Haar zuster Dorabella, vertolkt
door de mezzosopraan Katrin Wundsam, leed aan hetzelfde euvel. De stem heeft
uiteraard een warmer timbre, maar zij kende ook zwakkere ogenblikken.
Middelmatig
was de bas Diogenes Randes als Alfonso. Hij miste resonantie en hierdoor
klonken zijn interventies maar mager. Hij moet met zijn cynische
levenswijsheid boven de twee jonge mannen staan en dat kwam niet steeds tot
uiting. De tenorpartij van Ferrando werd gezongen door Jun-Sang Han. Het is
niet te geloven, maar het was weer een Aziaat die als beste de Italiaanse
stijl van dit dramma giocoso benaderde. Guilelmo werd gebracht door de
bariton Lauri Vasar. Hij zong met het nodige stemvolume, maar hij doseerde
niet steeds optimaal en dat is noodzakelijk bij de Weense grootmeester.
De zaal was niet stampvol, maar er werd door de aanwezigen maximaal genoten
van dit Mozartiaans muziekpareltje.
Er zijn nog voorstellingen op 13 en 20 april 2011.
P.T. (Gepubliceerd op 10 april 2011)
Foto's van boven naar onder:
1) Cosi fan tutte - eerste akte.
2) Cosi fan tutte - tweede akte.
Copyright foto's © Brinkhoff/Mögenburg,
Hamburg (genomen bij de première in 1991)
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()