OPERA GAZET
![]()
“DER RING DES NIBELUNGEN”
Opera
van
Richard Wagner (muziek en libretto). Gecreëerd te München op 22
september 1869. Première van deze reeks voorstellingen in de Staatsoper
Hamburg op 16 maart 2008. Bijgewoonde voorstelling op 1 april 2011.
De
prelude van "Das
Rheingold" startte met gesloten doek, volledig in het duister. Simone
Young leidde met brede gebaren en liet de Hamburger Philharmoniker vanaf de
inzet te luid spelen. Moest de klank bij ons thuis op een dergelijk volume
uit de luidsprekers komen, wij zouden meteen naar de volumeknop van de
versterker grijpen om deze enkele decibels lager te zetten! Dat schetste
meteen het euvel dat de ganse voorstelling zou teisteren: alles klonk veel
te hard!
Wij zagen ooit Rijndochters die aan een stuwdam speelden, Rijndochters als
hoeren die in het eerste tafereel Wotan al een flinke beurt gaven, wij zagen
het drietal ook al in hun blootje rondlopen of in kleine waterbakjes
plonsen. Zelfs als drie meiden in een kuuroord, maar wij hadden ze nog nooit
zo hyperkinetisch zien te keer gaan op een kingsize bed als hier te Hamburg
in de enscenering van Claus Guth. Het licht van een al even grote bedlamp
moest het Rijngoud voorstellen. Alberich is een onkruidverdelger die er na
veel gestoei op het bed, met het licht vandoor gaat. De Rijndochters Ha
Young Lee, Maria Markina en Ann-Beth Solvang moesten zich dermate op hun
fysieke prestaties en hun tuimelingen concentreren dat de vocale samenzang
al eens mank liep. Wolfgang Koch was een eersteklas Alberich met een
krachtige baritonstem die hij soms met veel nuances wist te hanteren.
Het tweede tafereel werd gedomineerd door een smaakloze maquette van een
rotslandschap met daarop het Walhalla, dat niet meer bleek dan een klein
dakhuisje. Wotan was een uitgesproken bourgeois in een mooi geperst maatpak
met aan zijn zijde een Fricka in een sober “tailleurke”. Het gezin werd
vervolledigd door twee labiele individuen: een sullige Froh in korte broek
en een pappige, hersenloze Donner die ons deed denken aan Prins Laurent.
De
bariton Falk Struckmann klonk overweldigend als Wotan, maar veel te luid om
ook nog bekoorlijk te zijn. Katja Piewick was meer subtiel als Fricka en
liet een mooie, warme mezzosopraanstem horen. Freia was jeugdig uitgedost,
met een fris wit kleedje, maar werd nogal kil gezongen door de sopraan Vida
Mikneviciute. Loge was een kruising tussen Fred Astaire en een goochelaar.
De danspasjes en de pirouettes die Jürgen Sacher hierbij maakte, gingen hem
niet steeds goed af en de goocheltrucjes waren écht te simpel om
verwondering te wekken. Vocaal was het een mooie, gedisciplineerde tenor,
met iets te weinig volume voor de rol en met wel bijzonder weinig sarcasme
en venijn in de stem.
De reuzen kwamen kennelijk van de onderste trap van de sociale ladder: twee
ongure individuen, messentrekkers zonder hersenen. De rollen werden wel
gezongen door twee mooie, sonore bassen: Tigran Martirossian als Fasolt en
Alexander Tsymbalyuk als Fafner.
In het derde deel, Nibelheim, waar twee grote ketels het beeld domineerden,
maakten wij kennis met Mime, een arbeider in overall die het vuile werk voor
zijn broer Alberich moest opknappen. Het was het enige tafereel waar wat
sfeer van uitging. Mime werd met een bijzonder volumineuze tenorstem
gezongen door Peter Galliard, die in vorige voorstellingen de rol van Loge
zong. Van de gedaantewisselingen van Alberich kwam niet veel terecht. Veel
rook moest de gedaantewisselingen verbergen en de reuzenlang was niet meer
dan een slangbuis die het onder de druk van de ketels met een hels lawaai
begeven had.
Het laatste tafereel was lachwekkend door de onzinnige regie: goud was niet
aanwezig om Freia te verbergen. Zij werd bedekt met een voile waarop
bankbiljetten bevestigd werden, afkomstig uit zes valiesjes, zoals wij die
kennen uit vele films en waarin de maffia haar cash geld vervoert… Jan
Buchwald zong met weinig pit de “Heda, heda” van Donner, terwijl de frisse
tenorstem van Chris Lysack uitstekend was voor de korte interventie van
Froh. De alt Deborah Humble gaf met weinig gezag, maar met een zuiver
klankdebiet gestalte aan de figuur van Erda. Zij liep rond met een gieterke
om een klein boompje water te geven, dat blijkbaar de Eschenstamm moest
voorstellen.
Al
bij al was dit een weinig boeiende voorstelling. In de eerste plaats door de
zinloze regie van Claus Guth, een man die geen greintje gevoel voor
esthetiek heeft. Wel moeten wij toegeven dat hij de zangers (te) intens liet
acteren. Maar ook door de veel te luide zang en het al even te luid spelende
orkest o.l.v. Simone Young. “Nur Lautstärke”, zoals de Duitsers het mooi
kunnen formuleren. De Philharmoniker Hamburg is natuurlijk een orkest met
een goede technische vaardigheid, vooral de blazers speelden correct en
virtuoos, maar door het aanhoudend hoge klankvolume verdween de spanning uit
de partituur. De orkestraal uitbundige finale waarbij het orkest alle
registers mag opentrekken, bracht ons niet op het puntje van onze stoel
omdat er bijna geen contrast meer was met wat wij de ganse avond al hoorden!
G.M. (Gepubliceerd op 3 april 2011)
Foto's van boven naar onder,
gedeeltelijk met solisten van een alternerende bezetting:
1) Wolfgang Koch (Alberich), Ha Young Lee (Woglinde) en Ann-Beth Solvang
(Floßhilde)
2) Wolfgang Koch (Alberich), Falk Struckmann (Wotan), Peter Galliard (Loge) und
Jan Buchwald (Donner)
3) Jan Buchwald (Donner), Peter
Galliard (Loge), Ladislav Elgr (Froh), Hellen Kwon (Freia), Katja Pieweck
(Fricka) und Falk Struckmann (Wotan)
Copyright foto's
©
Monika Rittershaus.
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()
Opera
van Richard Wagner (muziek en libretto). Gecreëerd te München op 26 juni
1870. Première van deze productie in de Staatsoper Hamburg op 19 oktober
2008. Bijgewoonde voorstelling op 3 april 2011.
De
prelude tot “Die
Walküre” klonk meer overtuigend dan die van “Das Rheingold” twee dagen
ervoor. Simone Young en de Philharmoniker Hamburg bleken in topconditie en
de onstuimige, ritmische akkoorden die de vlucht van Siegmund moeten
verklanken, brachten ons meteen in de juiste sfeer. Onze euforie was echter
van korte duur, want bij het openen van het doek kwam Siegmund de woning van
Hunding niet binnengestormd, maar stond er rustig ter plaatse. Het was een
vermoeide, pitloze man die zich in slow motion bewoog. De woning van Hunding
was niet meer dan een sfeerloze keuken, ingericht met de goedkoopste IKEA
meubels die je kunt indenken: een tafeltje, twee stoelen en twee witte
kastjes gescheiden door een deur, die zich om de haverklap verplaatsten. Een
boom was er niet en ook het heft van een zwaard was nergens te bespeuren.
Dat zou tegen het einde van de eerste akte plots in de wand van een van de
kastjes verschijnen… Waarom moet een moderne enscenering toch steeds lelijk,
onlogisch en dwarsliggend zijn? Dat Claus Guth geen greintje gevoel voor
esthetiek heeft, schreven wij al. Decorontwerper Christian Schmidt blijkt
van dezelfde school te zijn.
Christian Franz was Siegmund. Hij zong zeer beheerst, aanvankelijk amper
hoorbaar en het was maar goed dat Simone Young haar orkest beter wist te
temperen dan in “Das Rheingold”. Bij momenten ontplooide de stem zich
nochtans gunstiger en konden wij horen dat de man een goed geschoolde
tenorstem heeft die hij echter zeer wisselvallig gebruikte. Christian Franz
is gepland om de volgende avonden de rol van Siegfried te zingen en wij
vragen ons af wat hij van deze veel zwaardere partij gaat terecht brengen.
Wij waren aangenaam verrast door Angela Denoke, een sopraan met meer
lyrische dan dramatische kwaliteiten. Zij zette een bijzonder
geloofwaardige, intens beleefde Sieglinde neer. De donkere bas Alexander
Tsymmbalyuk, de Fafner uit “Das Rheingold”, was een onheilspellende Hunding.
Na zijn bijtende, provocerende uitlatingen was hij, door de sobere
inrichting van zijn woning, verplicht op de grond te slapen, naast de
keukentafel. Wie durft beweren dat Claus Guth ons niet voor de gek houdt?
Wij waren ook verbijsterd over het tekort aan vindingrijkheid bij het
lentelied (Winterstürme): een grote schijnwerper die naar beneden komt en
een oranje gloed over de scène laat schijnen.
Het
scènebeeld van de tweede akte was meer overtuigend. Een enorme kamer moest
het Walhalla voorstellen met aan een muur de maquette op een draaischijf
zoals wij die in “Das Rheingold” zagen. Katarina Dalayman zong haar
“Hojotoho” van op een ruime vensterbank, onzichtbaar voor het publiek
uiterst rechts in de zaal. Zij bleef daar gekluisterd tot na de lange
monoloog van Wotan en gaf de indruk dat zij daar niet afkon. Tot ze
eindelijk op haar zitvlak naar een trapje schuifelde en zo naar beneden
geraakte… Intussen had de overheersende en kille Fricka van Lilli Paasikivi
haar partner al op de knieën gekregen. Falk Struckmann zong zijn partij
bijzonder geëngageerd, zonder zich te sparen en met glanzende topnoten die
wij maar zelden met zoveel bravoure te horen krijgen. Katarina Dalayman stak
daar maar wat bleekjes tegen af. De dame heeft wel een mooie, dramatische
sopraanstem met een aangenaam legato, maar de topnoten klonken onbeheerst en
te luid.
Voor de ontmoeting tussen Siegmund en Brünnhilde kregen wij een nieuw
scènebeeld: een besloten, zwarte ruimte, verlicht door sfeerloze neonlampen
die meer de toeschouwers in de zaal verblindden dan het toneel oplichtten.
Angela Denoke was haar zelfverzekerde zang van de eerste akte wat verloren,
maar Franz en Dalayman klonken overtuigend en ontroerend.
Een zeer heldhaftige Walkürenrit opende het derde bedrijf. In een vervallen
gebouw, bijna een ruïne met aan één zijde twee vuile lavabo’s, bevonden zich
drie stapelbedden. Was dat de huisvesting van de Walküren? De dochters van
de oppergod? Blijkbaar wel want de Walküren waren er thuis, sprongen van het
ene bed op het andere, zongen en dansten in een bijzonder geslaagde en
humorvolle choreografie. Ook vocaal was deze scène zeker geslaagd, met
glanzende topnoten en een goede samenzang.
Falk
Struckmann kwam vocaal even in de problemen, toen hij de acht Walküren de
kamer uitbrulde. Het verwonderde ons niet. Een Wotan die niet met zijn
verstand zingt en zich niet weet te sparen in de eerste twee bedrijven, komt
sowieso in de problemen in de zware derde akte. Toch wist hij zich te
herpakken en het afscheid van Brünnhilde was zeer ontroerend. Ook Dalayman
was hier goed op dreef.
Met het ego van een echte krachtpatser die even zijn korte uitschuiver wilde
goedmaken, zong Struckmann zijn laatste zin: “Wer meines Speeres Spitze
fürchtet, durchschreite dass Feuer nie!” met een nooit gehoorde kracht en
een stralende topnoot, dubbel zolang aangehouden dan dat Wagner het
geschreven heeft!
Wij werden in de slotscène niet enkel vocaal verwend: Brünnhilde werd
omringd door echt vuur en bovendien zorgde de prachtige bronzen klank van
het orkest voor sublieme slotakkoorden.
G.M. (Gepubliceerd op 4 april 2011)
Foto's van boven naar onder,
gedeeltelijk met solisten van een alternerende bezetting:
1) Falk Struckmann (Wotan) en Jeanne Piland (Fricka)
2) Deborah Polaski (Brünnhilde), Yvonne Naef (Sieglinde) en Walküren.
3) Deborah Polaski (Brünnhilde) en Falk Struckmann (Wotan)
Copyright foto's © Monika Rittershaus.
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()
Opera
van Richard Wagner (muziek en libretto). Gecreëerd in het Festspielhaus te
Bayreuth op 16 augustus 1876. Première van deze productie in de Staatsoper
Hamburg op 18 oktober 2009. Bijgewoonde voorstelling op 6 april 2011.
Moderne
operaregisseurs dragen wij niet hoog in het vaandel, maar wij moeten
toegeven dat zij soms goede ideeën hebben. Zelfs bij een enscenering waar
wij ons dood aan ergeren, duikt er soms plots een zinnige ingeving op die
wij nog nooit in het werk gezien hadden. Zo begon deze “Siegfried”
bij morgendauw, terwijl Mime en Siegfried elk nog in hun bed liggen te
slapen. De onrustige akkoorden in het orkest verklanken een nachtmerrie van
Mime en zijn eerste monoloog is de bijna neurotische vertelling ervan.
Siegfried wordt wakker van Mime’s opgefokt relaas en straft hem meteen door
hem als beer vermomd te laten opschrikken. De kamer is meer een atelier dan
een woonruimte en absoluut geen voorbeeld van orde. Siegfried is een
hyperkinetische viespeuk, zoals hij al meer afgeschilderd wordt. Christian
Franz, die ons in “Die Walküre” getroffen had door zijn ingetogen Siegmund,
bleek hier een verjongingskuur te hebben ondergaan. Hij zong uit volle
borst, aanvankelijk te luid naar onze smaak, maar eenmaal zijn smedenwerk
begonnen, mocht die bravoure er wel zijn. Dat smedenwerk was een hoofdstuk
op zichzelf. Er werd een enorm gat in de vloer geslagen, waar een deel van
het meubilair in gegooid werd. Dat werd in brand gestoken. Het vuur werd
aangewakkerd door een compressor. De motor van een ontmantelde wasmachine,
een lasapparaat en tenslotte de kast van de wasmachine zelf, waren de
geïmproviseerde attributen die hem verder bij zijn werk hielpen. Peter
Galliard was een krachtige Mime, rustig in vergelijking met Siegfried,
vocaal iets te zwaar en met een hoogte die niet steeds trefzeker was.
Het
decor van het tweede bedrijf was al even verrassend en omvangrijk, maar het
was volkomen irrationeel en het vloekte met wat in het orkest te horen was.
Het woud was hier niet meer dan een enorm terrarium met een gebroken vitrine
(in een zoo?). De ruimte was verder volledig afgewerkt met tegels. Alberich
bevond zich ter plaatse, rokend en omgeven door een hoop lege flessen. Hij
was blijkbaar flink aangeschoten. Wolfgang Koch was nog even goed bij stem
als in “Das Rheingold” en hield moeiteloos gelijke tred met de sonore
Wanderer van Falk Struckman. Fafner’s stem, nog steeds de welluidende bas
Alexander Tsymbalyuk, klonk vanuit het terrarium. Siegfried springt door de
vitrine om hem daar, onzichtbaar voor het publiek, te doden. Hier had
regisseur Claus Guth weer een goede ingeving. Siegfried is voor hem niet
enkel een leeghoofdige bullebak. In zijn dialoog met Fafner toont de jonge
held zich berouwvol over zijn daad en ook na de dood van Mime toont hij een
spijtig gevoel door hem nog even over het hoofd te strelen en hem de ogen te
sluiten. Het woudvogeltje was even het spiegelbeeld van Siegfried, maar dat
werd niet verder uitgewerkt. Gabriele Rossmanith klonk trouwens niet
optimaal in deze nochtans korte partij. Haar sopraanstem had wat van de
vroegere lichtheid verloren, miste de vereiste glans en soepelheid.
Het eerste tafereel van het derde bedrijf was een enorme bibliotheek: een
mooi decor dat absoluut niets met het gegeven te maken had en zeker geen
meerwaarde aan de dialoog tussen Erda en Wotan bracht. Integendeel, Erda
greep stuntelig het ene na het andere boek vast alsof ze haar oerwijsheid
daar nog in te zoeken had. Vocaal was de vleiende altstem van Deborah Humble
nochtans juist geschikt voor de rol.
De slotscène was ongeveer de desolate kamer waar Brünnhilde op het einde van
“Die Walküre” door Wotan in “fester Schlaf” gelegd werd. Deze slaap bleek
helemaal niet zo vast, want Brünnhilde lag al flink te wemelen alvorens
Siegfried haar kuste. Christian Franz was nog steeds in optma forma, maar
Katarina Dalayman had al vlug te kampen met een geforceerde voordracht en
gemiste hoge noten. Jammer! Deze voorstelling met een zeer homogene en goede
bezetting van de zangers, miste hierdoor het glorieuze einde dat wij
verwacht, of alleszins toch gehoopt hadden. De regisseur kwam er nog een
schepje bovenop doen door het koppel boeken uiteen te laten rukken en te
verscheuren, in plaats van in elkaars armen te vallen…
Jammer
ook voor Simone Young en de Philharmoniker Hamburg die voor een zeer
zorgzame begeleiding zorgde. Opvallend waren de feilloze hoornsolo in de
tweede acte en de glanzende strijkers in de finale.
G.M. (Gepubliceerd op 8 april 2011)
Foto's van boven naar onder,
gedeeltelijk met solisten van een alternerende bezetting:
1) Christian Franz (Siegfried) en Peter Galliard (Mime)
2) Deborah Humble (Erda) en Falk Struckmann (Wanderer
3) Catherine Foster (Brünnhilde), Christian Franz (Siegfried), Ha Young Lee
(Stimme eines Waldvogels)
Copyright foto's © Monika Rittershaus.
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()
Opera
van Richard Wagner (muziek en libretto). Gecreëerd in het Festspielhaus te
Bayreuth op 17 augustus 1876. Première van deze productie in de Staatsoper
Hamburg op 17 oktober 2010. Bijgewoonde voorstelling op 10 april 2011.
Na
de vocaal genietbare “Siegfried” was “Götterdämmerung”
een regelrechte tegenvaller. In de eerste plaats was Katarina Dalayman
absoluut niet opgewassen tegen de rol van Brünnhilde. Haar inzet was
nochtans mooi en ook de ingetogen momenten klonken aangenaam, maar zodra er “forte” en hoog gezongen moest worden, liep het
mis. Haar hoge noten werden in feite niet gezongen, het waren gewoonweg
kreten. Ongeacht het woord en op welke klinker de klemtoon gelegd moest
worden, de kreet klonk steeds als een “a”. Zo zong zij bv. niet “Bei des
Speeres Spitze” (met de nijdige i-klank die het puntige van de speer
benadrukt), maar “Bei des Speeres Spatze”, met een ronde doffe “a”. Wij
waren door haar lage prestaties niet enkel ontgoocheld, maar ook verrast
omdat zij amper enkele maanden geleden in het Concertgebouw te Amsterdam een
schitterende Kundry zong in een concertante uitvoering van "Parsifal".
Christian Franz had het als Siegfried natuurlijk niet gemakkelijk naast zo
een schreeuwende Brünnhilde. Zoals in de vorige avonden zong hij stijlvol,
iets minder heroïsch dan in "Siegfried".
Naar het einde toe
zondigde hij enkele keren tegen de goede
smaak door te roepen.
Een bijzonder zwak element in deze “Götterdämmerung” was de Hagen van John
Tomlinson. Wij hebben nochtans goede herinneringen aan deze bas, o.a. als
Wotan in Berlijn in de jaren negentig van de vorige eeuw. De stem bleek nu
echter totaal versleten. Enkel de diepe noten klonken nog genietbaar. Zodra
hij boven het lage medium moest zingen, werd de klank genepen en onstabiel.
Natuurlijk wist hij zijn rol nog goed te verkopen en hij kon ook nog een
goede dosis nijd in zijn voordracht leggen, wat hem tot een bijzonder
sinistere Nibelungensohn maakte. Positief was ook zijn perfecte Duitse
dictie! Lovenswaardig waren Markus Brück als Gunther en Anna Gabler als
Gutrune. Geen grote stemmen, maar wel technisch en interpretatief voldoende
geschikt om alle dimensies van hun partij tot hun recht te laten komen.
Wolfgang Koch was uitstekend als Alberich, maar de Waltraute van Deborah
Humble was dan weer niet om over naar huis te schrijven. Zij klonk beter als
eerste Norn, naast Cristina Damian (tweede Norn) en Katja Piewech (derde
Norn). Drie welluidende Rijndochters vervolledigden de bezetting: Ha Young
Lee, Maria Markina en Ann-Beth Solvang.
Wij
hadden ook heel wat bedenkingen bij de enscenering. Het verblijf van
Brünnhilde en Siegfried in de eerste akte, wordt verondersteld plaats te
vinden op dezelfde plaats waar Brünnhilde insliep op het einde van “Die
Walküre” en ook waar zij gewekt werd in “Siegfried”. De kamer had telkens
een serieuze upgrade ondergaan. Van de ruïne die het was in “Die Walküre” en
de wat verwaarloosde kamer met gebroken ruit in “Siegfried”, werd het nu een
proper appartementje. Ook de volgende scènes vonden plaats in een
appartementsgebouw, niets meer dan een kale, sfeerloze blokkendoos op een
draaitoneel. Alle figuren van “De Ring” schenen er hun intrek in gevonden te
hebben. Wotan woont er met zijn ganse familie en stapels boomstronken liggen
klaar om de boel in brand te steken. Alberich zingt zijn duo met Hagen van
op een lege kamer op het eerste verdiep, terwijl Hagen beneden een bord soep
eet. “Schmeckt die Suppe, Hagen mein Sohn” had hier logischer geklonken dan
“Schläfst du Hagen, mein Sohn”…
Ook de Gibichungen waren er gehuisvest in een bijzonder armzalige “Halle am
Rhein”. Wij zouden zo bladzijden kunnen vullen met al de gekheden die Claus
Guth ons hier voorschotelt, maar dat zou de pret bederven voor de lezers die
van plan zijn één van de volgende Ring-producties in Hamburg bij te wonen.
Tot en met “Siegfried” hoorden wij alle tussenspelen en preludes met
gesloten doek. Bravo, dachten wij. Eindelijk nog een dirigent die de
regisseur wat kan intomen en de muziek even laat primeren boven het visuele.
Maar in “Götterdämmerung” nam de regisseur blijkbaar terug de bovenhand…
Jammer,
want het grootste pluspunt van deze laatste avond waren de Philharmoniker
Hamburg en het sonore, slagvaardige koor van de Staatsoper. Simone Young
heeft een goede greep op het orkest en kan het als kamermuziek laten klinken
als het erop aan komt de zangers niet te overstemmen. Haar tempi zijn echter
soms tergend traag en dat verzwakt vaak de spanning en ontspanning die toch
wel noodzakelijk is bij de werken van Wagner.
Al bij al kregen wij op deze laatste avond zeer wisselvallige prestaties te
horen.
Volgend speeljaar zijn twee cyclussen gepland van “Der Ring des Nibelungen”
op 28 januari, 5, 12 en 19 februari 2012 en 1, 4, 7 en 11 maart 2012.
G.M. (Gepubliceerd op 14 april 2011)
Foto's van boven naar onder,
gedeeltelijk met solisten van een alternerende bezetting:
1) Christian Franz (Siegfried) en
Robert Bork (Gunther)
2) Anna Gabler (Gutrune), Christian Franz (Siegfried), Deborah Polaski
(Brünnhilde) en Robert Bork (Gunther)
3) Deborah Polaski (Brünnhilde) en John Tomlinson (Hagen)
Copyright foto's
©
Monika Rittershaus.
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()