OPERA GAZET

RECENSIES

OPERAVOORSTELLINGEN IN HAMBURG

“DER RING DES NIBELUNGEN”

“DAS RHEINGOLD”

Staatsoper HamburgOpera van Richard Wagner (muziek en libretto). Gecreëerd te München op 22 september 1869. Première van deze reeks voorstellingen in de Staatsoper Hamburg op 16 maart 2008. Bijgewoonde voorstelling op 1 april 2011.

Das Rheingold - Wolfgang Koch (Alberich), Ha Young Lee (Woglinde) en Ann-Beth Solvang (Floßhilde) (Foto: Monika Rittershaus)De prelude van "Das Rheingold" startte met gesloten doek, volledig in het duister. Simone Young leidde met brede gebaren en liet de Hamburger Philharmoniker vanaf de inzet te luid spelen. Moest de klank bij ons thuis op een dergelijk volume uit de luidsprekers komen, wij zouden meteen naar de volumeknop van de versterker grijpen om deze enkele decibels lager te zetten! Dat schetste meteen het euvel dat de ganse voorstelling zou teisteren: alles klonk veel te hard!
Wij zagen ooit Rijndochters die aan een stuwdam speelden, Rijndochters als hoeren die in het eerste tafereel Wotan al een flinke beurt gaven, wij zagen het drietal ook al in hun blootje rondlopen of in kleine waterbakjes plonsen. Zelfs als drie meiden in een kuuroord, maar wij hadden ze nog nooit zo hyperkinetisch zien te keer gaan op een kingsize bed als hier te Hamburg in de enscenering van Claus Guth. Het licht van een al even grote bedlamp moest het Rijngoud voorstellen. Alberich is een onkruidverdelger die er na veel gestoei op het bed, met het licht vandoor gaat. De Rijndochters Ha Young Lee, Maria Markina en Ann-Beth Solvang moesten zich dermate op hun fysieke prestaties en hun tuimelingen concentreren dat de vocale samenzang al eens mank liep. Wolfgang Koch was een eersteklas Alberich met een krachtige baritonstem die hij soms met veel nuances wist te hanteren.

Het tweede tafereel werd gedomineerd door een smaakloze maquette van een rotslandschap met daarop het Walhalla, dat niet meer bleek dan een klein dakhuisje. Wotan was een uitgesproken bourgeois in een mooi geperst maatpak met aan zijn zijde een Fricka in een sober “tailleurke”. Het gezin werd vervolledigd door twee labiele individuen: een sullige Froh in korte broek en een pappige, hersenloze Donner die ons deed denken aan Prins Laurent.
Das Rheingold -Wolfgang Koch (Alberich), Falk Struckmann (Wotan), Peter Galliard (Loge) und Jan Buchwald (Donner) (Foto: Monika Rittershaus)De bariton Falk Struckmann klonk overweldigend als Wotan, maar veel te luid om ook nog bekoorlijk te zijn. Katja Piewick was meer subtiel als Fricka en liet een mooie, warme mezzosopraanstem horen. Freia was jeugdig uitgedost, met een fris wit kleedje, maar werd nogal kil gezongen door de sopraan Vida Mikneviciute. Loge was een kruising tussen Fred Astaire en een goochelaar. De danspasjes en de pirouettes die Jürgen Sacher hierbij maakte, gingen hem niet steeds goed af en de goocheltrucjes waren écht te simpel om verwondering te wekken. Vocaal was het een mooie, gedisciplineerde tenor, met iets te weinig volume voor de rol en met wel bijzonder weinig sarcasme en venijn in de stem.
De reuzen kwamen kennelijk van de onderste trap van de sociale ladder: twee ongure individuen, messentrekkers zonder hersenen. De rollen werden wel gezongen door twee mooie, sonore bassen: Tigran Martirossian als Fasolt en Alexander Tsymbalyuk als Fafner.

In het derde deel, Nibelheim, waar twee grote ketels het beeld domineerden, maakten wij kennis met Mime, een arbeider in overall die het vuile werk voor zijn broer Alberich moest opknappen. Het was het enige tafereel waar wat sfeer van uitging. Mime werd met een bijzonder volumineuze tenorstem gezongen door Peter Galliard, die in vorige voorstellingen de rol van Loge zong. Van de gedaantewisselingen van Alberich kwam niet veel terecht. Veel rook moest de gedaantewisselingen verbergen en de reuzenlang was niet meer dan een slangbuis die het onder de druk van de ketels met een hels lawaai begeven had.

Het laatste tafereel was lachwekkend door de onzinnige regie: goud was niet aanwezig om Freia te verbergen. Zij werd bedekt met een voile waarop bankbiljetten bevestigd werden, afkomstig uit zes valiesjes, zoals wij die kennen uit vele films en waarin de maffia haar cash geld vervoert… Jan Buchwald zong met weinig pit de “Heda, heda” van Donner, terwijl de frisse tenorstem van Chris Lysack uitstekend was voor de korte interventie van Froh. De alt Deborah Humble gaf met weinig gezag, maar met een zuiver klankdebiet gestalte aan de figuur van Erda. Zij liep rond met een gieterke om een klein boompje water te geven, dat blijkbaar de Eschenstamm moest voorstellen.

Das Rheingold -Jan Buchwald (Donner), Peter Galliard (Loge), Ladislav Elgr (Froh), Hellen Kwon (Freia), Katja Pieweck (Fricka) und Falk Struckmann (Wotan) (Foto: Monika Rittershaus)Al bij al was dit een weinig boeiende voorstelling. In de eerste plaats door de zinloze regie van Claus Guth, een man die geen greintje gevoel voor esthetiek heeft. Wel moeten wij toegeven dat hij de zangers (te) intens liet acteren. Maar ook door de veel te luide zang en het al even te luid spelende orkest o.l.v. Simone Young. “Nur Lautstärke”, zoals de Duitsers het mooi kunnen formuleren. De Philharmoniker Hamburg is natuurlijk een orkest met een goede technische vaardigheid, vooral de blazers speelden correct en virtuoos, maar door het aanhoudend hoge klankvolume verdween de spanning uit de partituur. De orkestraal uitbundige finale waarbij het orkest alle registers mag opentrekken, bracht ons niet op het puntje van onze stoel omdat er bijna geen contrast meer was met wat wij de ganse avond al hoorden!

G.M. (Gepubliceerd op 3 april 2011)

Foto's van boven naar onder, gedeeltelijk met solisten van een alternerende bezetting:

1) Wolfgang Koch (Alberich), Ha Young Lee (Woglinde) en Ann-Beth Solvang (Floßhilde)
2) Wolfgang Koch (Alberich), Falk Struckmann (Wotan), Peter Galliard (Loge) und Jan Buchwald (Donner)
3)
Jan Buchwald (Donner), Peter Galliard (Loge), Ladislav Elgr (Froh), Hellen Kwon (Freia), Katja Pieweck (Fricka) und Falk Struckmann (Wotan)

Copyright foto's © Monika Rittershaus.

TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND

“DIE WALKÜRE”

Staatsoper HamburgOpera van Richard Wagner (muziek en libretto). Gecreëerd te München op 26 juni 1870. Première van deze productie in de Staatsoper Hamburg op 19 oktober 2008. Bijgewoonde voorstelling op 3 april 2011.

Die Walküre - Falk Struckmann (Wotan) en Jeanne Piland (Fricka) (Foto: Monika Rittershaus)De prelude tot “Die Walküre” klonk meer overtuigend dan die van “Das Rheingold” twee dagen ervoor. Simone Young en de Philharmoniker Hamburg bleken in topconditie en de onstuimige, ritmische akkoorden die de vlucht van Siegmund moeten verklanken, brachten ons meteen in de juiste sfeer. Onze euforie was echter van korte duur, want bij het openen van het doek kwam Siegmund de woning van Hunding niet binnengestormd, maar stond er rustig ter plaatse. Het was een vermoeide, pitloze man die zich in slow motion bewoog. De woning van Hunding was niet meer dan een sfeerloze keuken, ingericht met de goedkoopste IKEA meubels die je kunt indenken: een tafeltje, twee stoelen en twee witte kastjes gescheiden door een deur, die zich om de haverklap verplaatsten. Een boom was er niet en ook het heft van een zwaard was nergens te bespeuren. Dat zou tegen het einde van de eerste akte plots in de wand van een van de kastjes verschijnen… Waarom moet een moderne enscenering toch steeds lelijk, onlogisch en dwarsliggend zijn? Dat Claus Guth geen greintje gevoel voor esthetiek heeft, schreven wij al. Decorontwerper Christian Schmidt blijkt van dezelfde school te zijn.

Christian Franz was Siegmund. Hij zong zeer beheerst, aanvankelijk amper hoorbaar en het was maar goed dat Simone Young haar orkest beter wist te temperen dan in “Das Rheingold”. Bij momenten ontplooide de stem zich nochtans gunstiger en konden wij horen dat de man een goed geschoolde tenorstem heeft die hij echter zeer wisselvallig gebruikte. Christian Franz is gepland om de volgende avonden de rol van Siegfried te zingen en wij vragen ons af wat hij van deze veel zwaardere partij gaat terecht brengen. Wij waren aangenaam verrast door Angela Denoke, een sopraan met meer lyrische dan dramatische kwaliteiten. Zij zette een bijzonder geloofwaardige, intens beleefde Sieglinde neer. De donkere bas Alexander Tsymmbalyuk, de Fafner uit “Das Rheingold”, was een onheilspellende Hunding. Na zijn bijtende, provocerende uitlatingen was hij, door de sobere inrichting van zijn woning, verplicht op de grond te slapen, naast de keukentafel. Wie durft beweren dat Claus Guth ons niet voor de gek houdt? Wij waren ook verbijsterd over het tekort aan vindingrijkheid bij het lentelied (Winterstürme): een grote schijnwerper die naar beneden komt en een oranje gloed over de scène laat schijnen.

Die Walküre - Deborah Polaski (Brünnhilde), Yvonne Naef (Sieglinde) en Walküren (Foto: Monika Rittershaus)Het scènebeeld van de tweede akte was meer overtuigend. Een enorme kamer moest het Walhalla voorstellen met aan een muur de maquette op een draaischijf zoals wij die in “Das Rheingold” zagen. Katarina Dalayman zong haar “Hojotoho” van op een ruime vensterbank, onzichtbaar voor het publiek uiterst rechts in de zaal. Zij bleef daar gekluisterd tot na de lange monoloog van Wotan en gaf de indruk dat zij daar niet afkon. Tot ze eindelijk op haar zitvlak naar een trapje schuifelde en zo naar beneden geraakte… Intussen had de overheersende en kille Fricka van Lilli Paasikivi haar partner al op de knieën gekregen. Falk Struckmann zong zijn partij bijzonder geëngageerd, zonder zich te sparen en met glanzende topnoten die wij maar zelden met zoveel bravoure te horen krijgen. Katarina Dalayman stak daar maar wat bleekjes tegen af. De dame heeft wel een mooie, dramatische sopraanstem met een aangenaam legato, maar de topnoten klonken onbeheerst en te luid.

Voor de ontmoeting tussen Siegmund en Brünnhilde kregen wij een nieuw scènebeeld: een besloten, zwarte ruimte, verlicht door sfeerloze neonlampen die meer de toeschouwers in de zaal verblindden dan het toneel oplichtten. Angela Denoke was haar zelfverzekerde zang van de eerste akte wat verloren, maar Franz en Dalayman klonken overtuigend en ontroerend.

Een zeer heldhaftige Walkürenrit opende het derde bedrijf. In een vervallen gebouw, bijna een ruïne met aan één zijde twee vuile lavabo’s, bevonden zich drie stapelbedden. Was dat de huisvesting van de Walküren? De dochters van de oppergod? Blijkbaar wel want de Walküren waren er thuis, sprongen van het ene bed op het andere, zongen en dansten in een bijzonder geslaagde en humorvolle choreografie. Ook vocaal was deze scène zeker geslaagd, met glanzende topnoten en een goede samenzang.

Die Walküre - Deborah Polaski (Brünnhilde), Falk Struckmann (Wotan) (Foto: Monika Rittershaus)Falk Struckmann kwam vocaal even in de problemen, toen hij de acht Walküren de kamer uitbrulde. Het verwonderde ons niet. Een Wotan die niet met zijn verstand zingt en zich niet weet te sparen in de eerste twee bedrijven, komt sowieso in de problemen in de zware derde akte. Toch wist hij zich te herpakken en het afscheid van Brünnhilde was zeer ontroerend. Ook Dalayman was hier goed op dreef.
Met het ego van een echte krachtpatser die even zijn korte uitschuiver wilde goedmaken, zong Struckmann zijn laatste zin: “Wer meines Speeres Spitze fürchtet, durchschreite dass Feuer nie!” met een nooit gehoorde kracht en een stralende topnoot, dubbel zolang aangehouden dan dat Wagner het geschreven heeft!
Wij werden in de slotscène niet enkel vocaal verwend: Brünnhilde werd omringd door echt vuur en bovendien zorgde de prachtige bronzen klank van het orkest voor sublieme slotakkoorden.

G.M. (Gepubliceerd op 4 april 2011)

Foto's van boven naar onder, gedeeltelijk met solisten van een alternerende bezetting:

1) Falk Struckmann (Wotan) en Jeanne Piland (Fricka)
2) Deborah Polaski (Brünnhilde), Yvonne Naef (Sieglinde) en Walküren.
3) Deborah Polaski (Brünnhilde) en Falk Struckmann (Wotan)

Copyright foto's © Monika Rittershaus.

TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND

“SIEGFRIED”

Staatsoper HamburgOpera van Richard Wagner (muziek en libretto). Gecreëerd in het Festspielhaus te Bayreuth op 16 augustus 1876. Première van deze productie in de Staatsoper Hamburg op 18 oktober 2009. Bijgewoonde voorstelling op 6 april 2011.

Siegfried - Christian Franz (Siegfried) en Peter Galliard (Mime) (Foto: Monika Rittershaus)Moderne operaregisseurs dragen wij niet hoog in het vaandel, maar wij moeten toegeven dat zij soms goede ideeën hebben. Zelfs bij een enscenering waar wij ons dood aan ergeren, duikt er soms plots een zinnige ingeving op die wij nog nooit in het werk gezien hadden. Zo begon deze “Siegfried” bij morgendauw, terwijl Mime en Siegfried elk nog in hun bed liggen te slapen. De onrustige akkoorden in het orkest verklanken een nachtmerrie van Mime en zijn eerste monoloog is de bijna neurotische vertelling ervan. Siegfried wordt wakker van Mime’s opgefokt relaas en straft hem meteen door hem als beer vermomd te laten opschrikken. De kamer is meer een atelier dan een woonruimte en absoluut geen voorbeeld van orde. Siegfried is een hyperkinetische viespeuk, zoals hij al meer afgeschilderd wordt. Christian Franz, die ons in “Die Walküre” getroffen had door zijn ingetogen Siegmund, bleek hier een verjongingskuur te hebben ondergaan. Hij zong uit volle borst, aanvankelijk te luid naar onze smaak, maar eenmaal zijn smedenwerk begonnen, mocht die bravoure er wel zijn. Dat smedenwerk was een hoofdstuk op zichzelf. Er werd een enorm gat in de vloer geslagen, waar een deel van het meubilair in gegooid werd. Dat werd in brand gestoken. Het vuur werd aangewakkerd door een compressor. De motor van een ontmantelde wasmachine, een lasapparaat en tenslotte de kast van de wasmachine zelf, waren de geïmproviseerde attributen die hem verder bij zijn werk hielpen. Peter Galliard was een krachtige Mime, rustig in vergelijking met Siegfried, vocaal iets te zwaar en met een hoogte die niet steeds trefzeker was.

Siegfried -Deborah Humble (Erda) en Falk Struckmann (Wanderer) (Foto: Monika Rittershaus)Het decor van het tweede bedrijf was al even verrassend en omvangrijk, maar het was volkomen irrationeel en het vloekte met wat in het orkest te horen was. Het woud was hier niet meer dan een enorm terrarium met een gebroken vitrine (in een zoo?). De ruimte was verder volledig afgewerkt met tegels. Alberich bevond zich ter plaatse, rokend en omgeven door een hoop lege flessen. Hij was blijkbaar flink aangeschoten. Wolfgang Koch was nog even goed bij stem als in “Das Rheingold” en hield moeiteloos gelijke tred met de sonore Wanderer van Falk Struckman. Fafner’s stem, nog steeds de welluidende bas Alexander Tsymbalyuk, klonk vanuit het terrarium. Siegfried springt door de vitrine om hem daar, onzichtbaar voor het publiek, te doden. Hier had regisseur Claus Guth weer een goede ingeving. Siegfried is voor hem niet enkel een leeghoofdige bullebak. In zijn dialoog met Fafner toont de jonge held zich berouwvol over zijn daad en ook na de dood van Mime toont hij een spijtig gevoel door hem nog even over het hoofd te strelen en hem de ogen te sluiten. Het woudvogeltje was even het spiegelbeeld van Siegfried, maar dat werd niet verder uitgewerkt. Gabriele Rossmanith klonk trouwens niet optimaal in deze nochtans korte partij. Haar sopraanstem had wat van de vroegere lichtheid verloren, miste de vereiste glans en soepelheid.

Het eerste tafereel van het derde bedrijf was een enorme bibliotheek: een mooi decor dat absoluut niets met het gegeven te maken had en zeker geen meerwaarde aan de dialoog tussen Erda en Wotan bracht. Integendeel, Erda greep stuntelig het ene na het andere boek vast alsof ze haar oerwijsheid daar nog in te zoeken had. Vocaal was de vleiende altstem van Deborah Humble nochtans juist geschikt voor de rol.
De slotscène was ongeveer de desolate kamer waar Brünnhilde op het einde van “Die Walküre” door Wotan in “fester Schlaf” gelegd werd. Deze slaap bleek helemaal niet zo vast, want Brünnhilde lag al flink te wemelen alvorens Siegfried haar kuste. Christian Franz was nog steeds in optma forma, maar Katarina Dalayman had al vlug te kampen met een geforceerde voordracht en gemiste hoge noten. Jammer! Deze voorstelling met een zeer homogene en goede bezetting van de zangers, miste hierdoor het glorieuze einde dat wij verwacht, of alleszins toch gehoopt hadden. De regisseur kwam er nog een schepje bovenop doen door het koppel boeken uiteen te laten rukken en te verscheuren, in plaats van in elkaars armen te vallen…
Siegfried -Catherine Foster (Brünnhilde), Christian Franz (Siegfried), Ha Young Lee (Stimme eines Waldvogels) (Foto: Monika Rittershaus)Jammer ook voor Simone Young en de Philharmoniker Hamburg die voor een zeer zorgzame begeleiding zorgde. Opvallend waren de feilloze hoornsolo in de tweede acte en de glanzende strijkers in de finale.

G.M. (Gepubliceerd op 8 april 2011)

Foto's van boven naar onder, gedeeltelijk met solisten van een alternerende bezetting:

1) Christian Franz (Siegfried) en Peter Galliard (Mime)
2) Deborah Humble (Erda) en Falk Struckmann (Wanderer
3) Catherine Foster (Brünnhilde), Christian Franz (Siegfried), Ha Young Lee (Stimme eines Waldvogels)

Copyright foto's © Monika Rittershaus.

TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND

“GÖTTERDÄMMERUNG”

Staatsoper HamburgOpera van Richard Wagner (muziek en libretto). Gecreëerd in het Festspielhaus te Bayreuth op 17 augustus 1876. Première van deze productie in de Staatsoper Hamburg op 17 oktober 2010. Bijgewoonde voorstelling op 10 april 2011.

Götterdämmerung - Christian Franz (Siegfried) en Robert Bork (Gunther) (Foto: Monika Rittershaus)Na de vocaal genietbare “Siegfried” was “Götterdämmerung” een regelrechte tegenvaller. In de eerste plaats was Katarina Dalayman absoluut niet opgewassen tegen de rol van Brünnhilde. Haar inzet was nochtans mooi en ook de ingetogen momenten klonken aangenaam, maar zodra er “forte” en hoog gezongen moest worden, liep het mis. Haar hoge noten werden in feite niet gezongen, het waren gewoonweg kreten. Ongeacht het woord en op welke klinker de klemtoon gelegd moest worden, de kreet klonk steeds als een “a”. Zo zong zij bv. niet “Bei des Speeres Spitze” (met de nijdige i-klank die het puntige van de speer benadrukt), maar “Bei des Speeres Spatze”, met een ronde doffe “a”. Wij waren door haar lage prestaties niet enkel ontgoocheld, maar ook verrast omdat zij amper enkele maanden geleden in het Concertgebouw te Amsterdam een schitterende Kundry zong in een concertante uitvoering van "Parsifal".
Christian Franz had het als Siegfried natuurlijk niet gemakkelijk naast zo een schreeuwende Brünnhilde. Zoals in de vorige avonden zong hij stijlvol, iets minder heroïsch dan in "Siegfried". Naar het einde toe zondigde hij enkele keren tegen de goede smaak door te roepen.

Een bijzonder zwak element in deze “Götterdämmerung” was de Hagen van John Tomlinson. Wij hebben nochtans goede herinneringen aan deze bas, o.a. als Wotan in Berlijn in de jaren negentig van de vorige eeuw. De stem bleek nu echter totaal versleten. Enkel de diepe noten klonken nog genietbaar. Zodra hij boven het lage medium moest zingen, werd de klank genepen en onstabiel. Natuurlijk wist hij zijn rol nog goed te verkopen en hij kon ook nog een goede dosis nijd in zijn voordracht leggen, wat hem tot een bijzonder sinistere Nibelungensohn maakte. Positief was ook zijn perfecte Duitse dictie! Lovenswaardig waren Markus Brück als Gunther en Anna Gabler als Gutrune. Geen grote stemmen, maar wel technisch en interpretatief voldoende geschikt om alle dimensies van hun partij tot hun recht te laten komen. Wolfgang Koch was uitstekend als Alberich, maar de Waltraute van Deborah Humble was dan weer niet om over naar huis te schrijven. Zij klonk beter als eerste Norn, naast Cristina Damian (tweede Norn) en Katja Piewech (derde Norn). Drie welluidende Rijndochters vervolledigden de bezetting: Ha Young Lee, Maria Markina en Ann-Beth Solvang.

Götterdämmerung - Anna Gabler (Gutrune), Christian Franz (Siegfried), Deborah Polaski (Brünnhilde) en Robert Bork (Gunther) (Foto: Monika Rittershaus)Wij hadden ook heel wat bedenkingen bij de enscenering. Het verblijf van Brünnhilde en Siegfried in de eerste akte, wordt verondersteld plaats te vinden op dezelfde plaats waar Brünnhilde insliep op het einde van “Die Walküre” en ook waar zij gewekt werd in “Siegfried”. De kamer had telkens een serieuze upgrade ondergaan. Van de ruïne die het was in “Die Walküre” en de wat verwaarloosde kamer met gebroken ruit in “Siegfried”, werd het nu een proper appartementje. Ook de volgende scènes vonden plaats in een appartementsgebouw, niets meer dan een kale, sfeerloze blokkendoos op een draaitoneel. Alle figuren van “De Ring” schenen er hun intrek in gevonden te hebben. Wotan woont er met zijn ganse familie en stapels boomstronken liggen klaar om de boel in brand te steken. Alberich zingt zijn duo met Hagen van op een lege kamer op het eerste verdiep, terwijl Hagen beneden een bord soep eet. “Schmeckt die Suppe, Hagen mein Sohn” had hier logischer geklonken dan “Schläfst du Hagen, mein Sohn”…
Ook de Gibichungen waren er gehuisvest in een bijzonder armzalige “Halle am Rhein”. Wij zouden zo bladzijden kunnen vullen met al de gekheden die Claus Guth ons hier voorschotelt, maar dat zou de pret bederven voor de lezers die van plan zijn één van de volgende Ring-producties in Hamburg bij te wonen.
Tot en met “Siegfried” hoorden wij alle tussenspelen en preludes met gesloten doek. Bravo, dachten wij. Eindelijk nog een dirigent die de regisseur wat kan intomen en de muziek even laat primeren boven het visuele. Maar in “Götterdämmerung” nam de regisseur blijkbaar terug de bovenhand…

Götterdämmerung - Deborah Polaski (Brünnhilde) en John Tomlinson (Hagen) (Foto: Monika Rittershaus)Jammer, want het grootste pluspunt van deze laatste avond waren de Philharmoniker Hamburg en het sonore, slagvaardige koor van de Staatsoper. Simone Young heeft een goede greep op het orkest en kan het als kamermuziek laten klinken als het erop aan komt de zangers niet te overstemmen. Haar tempi zijn echter soms tergend traag en dat verzwakt vaak de spanning en ontspanning die toch wel noodzakelijk is bij de werken van Wagner.
Al bij al kregen wij op deze laatste avond zeer wisselvallige prestaties te horen.

Volgend speeljaar zijn twee cyclussen gepland van “Der Ring des Nibelungen” op 28 januari, 5, 12 en 19 februari 2012 en 1, 4, 7 en 11 maart 2012.

G.M. (Gepubliceerd op 14 april 2011)

Foto's van boven naar onder, gedeeltelijk met solisten van een alternerende bezetting:

1)
Christian Franz (Siegfried) en Robert Bork (Gunther)
2) Anna Gabler (Gutrune), Christian Franz (Siegfried), Deborah Polaski (Brünnhilde) en Robert Bork (Gunther)
3) Deborah Polaski (Brünnhilde) en John Tomlinson (Hagen)

Copyright foto's © Monika Rittershaus.

TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND