OPERA GAZET
![]()
Opera
van
Jacques Fromental Halévy op een libretto van
Eugène
Scribe. De opera werd voor het eerst opgevoerd in de Opéra (Académie
Royale de Musique)
te Parijs op 23 februari 1835. Wij woonden een
voorstelling bij in de Staatsoper Stuttgart op 19 juni 2011.
Onvergetelijk. Dat was de idee waarmee we in mei 2008 het Staatstheater
Stuttgart verlieten na het bijwonen van de nieuwe productie van “La
Juive”. Onvergetelijk niet alleen door een zeer hoog muzikaal niveau en
een sterke dramatische zij het wat controversiële regie, maar ook door het
feit dat, waarschijnlijk voor het eerst sinds mensenheugenis, de quasi
volledige partituur uitgevoerd werd. Slechts enkele kleinere coupures (ca 90
maten) werden toegepast, die misschien niet steeds logisch te verklaren
zijn. Het volledige ballet zou waarschijnlijk te kostelijk worden en voegt
niets toe aan het drama. Een deel ervan werd uitgevoerd door kinderen.
Moeilijker te verklaren zijn het weglaten van een gedeelte van de
confrontatie tussen Eudoxie en Rachel in het vierde bedrijf en even later
het schrappen van een passage uit het duet tussen Eléazar en Brogni. Aan de
andere kant werd wel één strofe van het cabaletta van “Rachel, quand du
Seigneur” uitgevoerd - dramatisch noodzakelijk omdat daarin verklaard wordt
waarom Eléazar uiteindelijk beslist om Rachel mee te nemen in de dood.
Niemand had kunnen voorspellen dat de voorstellingen in Stuttgart zo’n
succes zouden worden. Er werden een tweetal extra voorstellingen ingelegd en
het was dan ook te verwachten dat de productie hernomen zou worden. We
geven hierna een deel van de recensie van mei 2008, aangevuld met onze
indrukken bij deze herneming.
De opera speelt zich af tegen de achtergrond van het Concilie van Konstanz
in 1414 en vertelt de lotgevallen van een aantal atypische personages: de
joodse Rachel, die een relatie heeft met een christen, een vergrijp waar de
doodstraf op staat; de jood Eléazar die, nadat zijn eigen kinderen
geëxecuteerd werden, een christen meisje adopteerde; kardinaal Brogni, die
in een eerder leven blijkbaar een gezin had; de getrouwde legerleider
Léopold, die een joods meisje verleidt. De confrontatie van al deze figuren
en hun emoties leidt uiteindelijk tot hun ondergang: Léopold wordt
verbannen, Eléazar en Rachel terechtgesteld en Brogni ziet zijn verloren
gewaande dochter voor zijn ogen sterven.
Bert
Neumann zorgde voor een geslaagd decor. Bij aanvang van de opera zagen we
een marktplein met links een kathedraal en rechts het huisje van de jood
Eléazar, wat al meteen de dualiteit van de toenmalige samenleving
weerspiegelde. Beide gebouwen waren gemonteerd op een draaiplatform,
waardoor hun achterzijde bruikbaar werd voor de meer intieme fragmenten: het
interieur van Eléazar’s huis en de vertrekken van prinses Euxodie. Helaas
werd deze goede lijn niet doorgetrokken in de regie van Jossi Wieler en
Sergio Morabito. Alle clichés van het genre werden boven gehaald om het
publiek te laten geloven dat het mee verantwoordelijk is voor de ondergang
van Eléazar, Rachel en, bij uitbreiding, de joodse medemens: gebruik van
hedendaagse kostuums, de zaal die verlicht wordt op dramatische momenten,
verkleding gevolgd door het afwerpen van de kostuums en zo de ware aard van
de mens toont. Bovendien waren bepaalde regievondsten nogal storend. Zo
kruipt kardinaal Brogni na het duet met Eléazar in het vierde bedrijf op
zijn buik van het podium. Rachel en Eléazar worden ook niet terechtgesteld:
Eléazar ontfrutselt Brogni zijn pistool (een kardinaal met een pistool?),
schiet Rachel dood en pleegt vervolgens zelfmoord. We willen niet zeggen dat
al deze feiten choquerend waren of onze avond verbrodden, maar naar ons
gevoel brachten ze alles behalve een meerwaarde aan de voorstelling.
Muzikaal was de voorstelling gelukkig een pak beter, meer nog, we hebben van
de eerste tot de laatste noot van deze “La Juive” genoten. De Staatsoper
Stuttgart was er immers in geslaagd een prachtbezetting bij elkaar te
brengen. De Russische sopraan Tatiana Pechnikova was een ware revelatie:
mooi timbre, technisch perfect en dramatisch erg geëngageerd zullen we haar
vertolking van Rachel niet gauw vergeten. We vonden wel dat deze jonge
zangeres soms wat veel hooi op haar vork nam, wat potentieel een ongetwijfeld
mooie carrière in gevaar zou kunnen brengen. Ook de Chinese bas Liang Li
wist ons te begeesteren met zijn mooie diepe, sonore basstem en zijn goede
uitspraak van het Frans. Catriona Smith was een sexy Euxodie met een mooie,
hoogtezekere stem, maar was af en toe wat slordig in de coloraturen. De
kleinere rollen werden excellent vertolkt door Karl-Friedrich Dürr
(Ruggiero) en Christoph Sökler (Albert).
Hoewel Rachel duidelijk de belangrijkste rol heeft, wordt “La Juive”
vandaag vooral uitgevoerd in functie van de beschikbare tenor. Bij de
première wist Chris Merritt ons tot tranen toe te ontroeren. Voor de
herneming werd een beroep gedaan op de Franse tenor Gilles Ragon die in een
vorig leven nog optrad als contratenor. Zijn vertolking mist het fanatieke
trekje dat Merritts interpretatie zo groots maakte. In plaats daarvan speelt
hij een wat onverschillig karakter die slechts naar het einde toe, wanneer
hij moet beslissen over het lot van Rachel, lijkt te beseffen wat er staat
te gebeuren. Ook muzikaal staat Ragon duidelijk een trapje lager dan
Merritt. Waar deze laatste zijn jarenlange ervaring in het belcantovak ten
dienste stelde van zijn zang, verwart zijn Franse collega Halévy nogal eens
met Mascagni. Hoewel dit de eerste drie bedrijven minder stoorde, maakte zijn
puur op kracht gebaseerde zang dat de grote aria “Rachel, quand du Seigneur”
van alle poëzie ontdaan was. Voorts werd zijn vertolking ontsierd door
intonatieproblemen in het hogere register.
Geen problemen in het hoge register voor de Oekraïense tenor Dmitry Trunov,
de tweede nieuwkomer sinds 2008, die als losbandig personage zeker
geloofwaardiger was dan zijn voorganger Ferdinand von Bothmer, maar het soms
moeilijk had om zich boven het orkest verstaanbaar te maken.
Het
koor en het Staatsorchester Stuttgart stonden onder de enthousiaste
leiding van de jonge Franse dirigent Sébastien Rouland die zowel de
spectaculaire als de meer intieme momenten van de partituur uitmuntend tot
hun recht wist te laten komen.
Ondanks de enkele geformuleerde kritische opmerkingen kunnen we deze
herneming opnieuw als “onvergetelijk” bestempelen. En we weten ons hierin
gesterkt door het publiek dat alle medewerkenden een grootse ovatie schonk.
“La Juive” wordt nog opgevoerd te Stuttgart op 23 en 26 juni 2011. Ook
tijdens het volgende seizoen zijn nog voorstellingen gepland in april en mei
2012. Een unieke kans om dit meesterwerk in zijn volle glorie te aanhoren !
H.D. (Gepubliceerd op 20 juni 2011)
Foto's van boven naar onder:
1) Tatiana Pechnikova als Rachel.
2) Catriona Smith als Euxodie en Tatiana Pechnikova als Rachel.
3) Liang Li als Kardinaal Brogni.
Copyright foto's © Martin Sigmund (2008)
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()
Opera
in drie scènes, een intermezzo en een epiloog van
Hans Thomalla. Gecreëerd
in het Staatstheater te Stuttgart op 2 juli 2011. Bijgewoonde voorstelling
op 13 juli 2011.
Toen we begonnen te lezen in het programmaboekje, dachten wij aan
politiekers die veel babbelen en niets inhoudelijk zeggen. Anderzijds hebben
we wel bewondering voor de literaire informatie en de kennis van het oude
Griekenland door de samenstellers van deze documentatie.
Hans Thomalla werd geboren in 1975 te Bonn en studeerde te Frankfurt. Van
1999 tot 2002 was hij een werknemer van de Staatsopera van Stuttgart als
productiedramaturg en muzikale raadgever (goede sinecures). Dan verbleef hij
met een stipendium in Amerika. Nadien kreeg hij verschillende prijzen voor
zijn composities, die op verschillende festivals uitgevoerd werden.
De
raadselachtige inhoud van "Fremd" gaat over de Argonauten (Griekse
zeehelden) die aan de oostkust van de Zwarte Zee Medea ontmoeten. De
onbegrijpelijke magische wereld van deze tovenares vormt een grote
tegenstelling met de rationele wereld van de Argonauten. Er is een conflict
tussen beide werelden, ze zijn vreemd voor elkaar. Er is ook een
tegenstrijdigheid tussen de hedendaagse klankwereld en de gekende opera
klanken. Die zijn ook vreemd voor elkaar.
De regie, decor en kostuums waren in handen van Anna Viebrock. We bevonden
ons op een groot schip met heel wat volk aan boord. De kledij was
hedendaags, er was veel beweging aan boord, wat tot een gechargeerde
personenregie leidde. Wij maakten kennis met Medea die aanvankelijk
traditioneel, bijna folkloristisch gekleed was en slechts zinloze klanken
van één lettergreep uitstootte. In het tweede deel was zij uitgegroeid tot
een dame van de wereld, blijkbaar een beroemde sopraan, die aan haar
luxueuze witte vleugelpiano een Italiaanse opera instudeerde. Zij deed ons
denken aan Callas. Zij doodde haar twee kinderen door hun een giftige drank
te geven terwijl zij TV kijken.
De rol van Medea werd vertolkt door Annette Seiltgen. Deze zangeres begon
haar loopbaan als mezzo, maar sinds enkele jaren is ze overgestapt naar het
sopraanvak. Probleemloos zong zij haar aandeel in dit werk dat aanvankelijk
slechts bestond uit vocalises en vanaf het tweede deel ook uit Duitse zinnen
en quoteringen uit Italiaanse opera’s.
De bas Stephan Storck is lid van het koor van de opera. Hij heeft ook
compositie gestudeerd. Hij componeerde “Melophonie - Musik für zwölf
Instrumentalisten” dat voor de eerste keer werd uitgevoerd door het
kamerorkest van het Staatsorkest van Stuttgart. Als Jason klonk hij
overtuigend en bracht zijn opdracht van woorden en vocalises tot een goed
einde.
De
twee kinderen van Medea en Jason werden gezongen door de zeer jonge Duitse
sopraan Julia Spaeth en de Mexicaanse tenor Carlos Zapien. Een oordeel geven
over hun vocale prestaties is niet eenvoudig aangezien zij amper iets te
zingen hadden.
De groep Argonauten was samengesteld uit 8 altstemmen, 12 tenoren en 17
bassen. Ze kregen elk een expliciete rol toebedeeld en het programmaboekje
specificeerde zelfs hun juiste stemsoort met een bijzonder humorvolle
nauwgezetheid. Zo waren er bij de dames dramatische alten, kinderlijke
alten, een burgerlijke alt, een coloratuur alt en een melancholische contra
alt. Bij de heren was het onderscheid zeer vermakelijk. Er was een operette
tenor, een helden tenor, een Russische tenor, een fantastische tenor, een
ensemble tenor en een coloratuur tenor. Voor de bassen klonk het nog
grappiger. Er waren twee helden bassen, drie coloratuur bassen, twee
ensemble bassen, twee oratorium bassen, een multifunctionele bas, een
epische bas, eerste bassen en tweede bassen en ook een sub bas (wat is
dat?). In het eerste deel hadden al deze leden van het Staatsoperakoor in
hun korte solistische rollen zo goed als geen tekst te zingen maar moesten
slechts vocalises op de a-klank ten beste geven. In het tweede deel zongen
zij samen als een gewoon koor, ook a-capella en dat klonk bijzonder
overweldigend. Deze momenten waren muzikaal de mooiste van de avond.
Het orkest bestond uit 73 leden. Alle onderdelen van een klassiek orkest
waren aanwezig maar zij werden aangevuld door extra percussie en een
uitvoerige elektronische apparatuur. Het was werkelijk een “surround klank”,
want op de eerste balkon waren verschillende loges vol gestouwd met
percussie instrumenten. De Koninklijke loge was voorbehouden aan het
computer gestuurde onderdeel van dit spektakel.
De muzikale leiding was in handen van Johannes Kalitzke. Hij studeerde
aanvankelijk kerk- en klaviermuziek. Ook kreeg hij het nodige onderricht
voor dirigent en compositie.
Maar
op een zeker ogenblik ontdekte de man zijn ware roeping, namelijk het leiden
van hedendaagse muzikale werken. Zo hield hij al heel wat werken boven de
doopvont, zoals bv. twee jaar geleden de opera “Pnima.. ins innere” van
Chaya Czernowin.
We waren weinig enthousiast over deze honderd minuten durende nieuwe opera,
maar ja, dankzij deze voorstelling bleven we “up to date” met een werk
waarvan de toekomst waarschijnlijk slechts een vermelding in boeken over
muziekgeschiedenis zal zijn.
P.T. (Gepubliceerd op 18 juli 2011)
Foto's van boven naar onder:
1 Leden van het operakoor.
2) Stephan Storck als Jason en Annette Seiltgen als Medea.
3) Annette Seiltgen als Medea.
Copyright foto's © A.T. Schaefer.
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()
“IL TRIONFO DEL TEMPO E DEL DISINGANNO”
Oratorium
van
Georg Friedrich Händel op een libretto van
Cardinaal Benedetto Pamphili. Gecreëerd te Rome in 1707. Première van
deze scenische productie in het Staatstheater te Stuttgart op 28 mei 2011.
Bijgewoonde voorstelling op 14 juli 2011.
De
titel van dit eerste oratorium van Händel zouden wij kunnen vertalen als “De
triomf van de tijd en de ontnuchtering”. Het werk werd waarschijnlijk maar
één keer uitgevoerd in private adellijke kringen, want openbare
voorstellingen in Rome waren sinds 1698 door een pauselijke banvloek
verboden.
Dit oratorium moet Händel nauw aan het hart gelegen hebben, want dertig jaar
later, in 1737, zorgde hij voor een revisie onder de titel “Il trionfo del
tempo e della verità”. Nog eens twintig jaar later, in 1757, nam de nu
blinde en oude componist de partituur nogmaals ter hand en gaf het de titel:
“The triumph of time and truth”. In zijn oude dag moet de inhoud hem
zeker aangesproken hebben, want het is een allegorische reflectie over de
vergankelijkheid van de schoonheid en het tijdelijke van ons bestaan.
Veel dramatische actie brengen deze teksten niet, het zijn amper
opeenvolgingen van moraliserende spreuken of gezegden die slechts naar het
einde toe een religieus tintje krijgen. Korte verzen zoals: “Als bedrog mijn
enige voedsel is, hoe kan ik dan leven in de waarheid?” en “Laat die doornen
en pluk de roos. Je zoekt het lijden zelf.”
Het was ons een raadsel waarom het Staatstheater van Stuttgart dit oratorium
scenisch bracht en dan nog op de koop toe toevertrouwde aan een regisseur
als Calixto Bieito.
Wij zijn geen fan van Calixto Bieito, die zowat de huisregisseur is van het
Staatstheater Stuttgart en die wij altijd aanzien hebben als een man zonder
visie die er slechts op uit is om het publiek te choqueren. Hij behoort tot
de omvangrijke categorie van regisseurs die het niet verdienen om aan een
theater “verbonden” te zijn, maar wel “gebonden” zouden moeten worden (of in
een dwangbuis gestoken) in een gekkenhuis.
Het een verrassing dat hij voor dit tijd- en inhoudloos oratorium juist wel
een visie had! Het podium werd bijna volledig in beslag genomen door een
enorme kermismolen, die kon gelden als een symbool voor de jeugd, maar ook
voor de tijd die meedogenloos blijft doordraaien. De drie vrouwelijke
hoofdpersonages werden modern getypeerd. Zo had Bellezza, de schoonheid,
onmiskenbaar de look van Marylin Monroe, terwijl Disinganno, de
ontnuchtering, door haar verloedering en de enorme gaten in haar zwarte
kousen aan Lady Gaga deed denken. Piacere, het genot, had het vulgaire,
provocerende dat wij kennen van de shows van Madonna. De enige mannelijke
figuur: Tempo, de tijd, was steeds aanwezig op het podium en domineerde het
geheel.
Er
kwam verder heel wat volk bij te pas om ons de verschillende fases van het
leven en van de steeds voortschrijdende tijd duidelijk te maken. Kinderen
met ballons bij het begin van de avond en naar het einde toe steeds meer
ouderlingen die star en bewegingloos op het podium kwamen staan. Niets werd
ons gespaard om de aftakeling van het “oud worden” duidelijk te maken:
korsetten, steunkousen, breukbanden, pampers… Elke vorm van actie stond in
het teken van leven en dood: Disinganno die zichzelf verminkte en zelfs de
as uit een urne over het decor uitsmeerde, Tempo die met de andere
personages Russische roulette speelde. Het einde was bijzonder suggestief en
pakkend: de schoonheid, ontdaan van haar pruik en van haar sexy, spannend
jurkje, in haar naakte kwetsbaarheid besmeurd met de as van de dood, werd
door de tijd omarmd en gekust. Op de prachtige, langoureuze muziek van
Händel had er geen mooier beeld van de vergankelijkheid voor onze ogen
getoverd kunnen worden. En dan plots, op de opgewekte tonen van de finale
schoten al die starre ouderlingen in gang, namen plaats op de stoeltjes van
de kermismolen en de opera eindigde in algemene opgewektheid en hilariteit.
Subliem!
Wij zeggen wel degelijk “opera”, want van “oratorium”, was hier natuurlijk
geen sprake meer. Ook muzikaal werd het werk meer als “opera” benaderd. Er
werd merkelijk luider en met meer speelsheid gezongen dan in een oratorium
gebruikelijk is. Dat brengt ons bij het vocale gedeelte van deze avond dat
in feite niet zo opmerkelijk was. Judith Gauthier, een ideale figuur voor
Belezza, is een sopraan met een bekoorlijk helder timbre, jeugdig van klank,
maar helaas met een weinig aantrekkelijke hoogte. Ezgi Kutlu kon de
onstuimigheid die paste bij de figuur van Piacere niet steeds vocaal
waarmaken, daarvoor ontbrak de nodige soepelheid en vooral de
coloratuurvaardigheid. Voor de meer ingetogen momenten miste de stem van
deze lichte mezzosopraan dan weer warmte. De aria “Lascia la spina” hebben
wij bv. al veel mooier gehoord. Charles Workman kennen wij natuurlijk als
Rossini-tenor. Hij profileerde zich afwisselend speels en autoritair in de
rol van Tempo, maar zong vaak luider dan noodzakelijk en niet écht in de
stijl die wij voor een werk van Händel verwachten.
De enige die honderd procent voldoening gaf, was Marina Prudenskaja in de
rol van Disinganno. Haar goed geschoolde altstem was een lust om naar te
luisteren.
Wij hebben ook niets dan lof voor het Staatsorchester Stuttgart dat zich
onder leiding van Sébastien Rouland liet horen als een uitstekend
barokensemble.
Bij
het slot ging het publiek letterlijk uit de bol voor dit spektakel dat
vooral visueel boeiend was.
Warm aanbevolen voor wie openstaat voor een moderne visie op het
“oratorium”.
Er zijn nog voorstellingen op 24 en 27 juli 2011.
G.M. (Gepubliceerd op 18 juli 2011)
Foto's van boven naar onder:
1) Ezgi Kutlu als Piacere, Marina Prudenskaja als Disinganno, Camilla de
Falleiro (alternerende bezetting) als Bellezza en Charles Workman als Tempo.
2) Ezgi Kutlu als Piacere en Charles Workman als Tempo.
3) Charles Workman als Tempo en figuranten.
Copyright foto's © Sebastian Hoppe.
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()