OPERA GAZET
![]()
Opera van
Gioacchino Rossini op een libretto van
Felice
Romani. Gecreëerd in het Teatro alla Scala te Milaan op 14 augustus
1814. Première van deze productie door “Rossini in Wildbad” in de Neue
Trinkhalle op 9 juli 2011. Bijgewoonde voorstelling op 15 juli 2011.
Wij woonden de laatste voorstelling bij van de belangrijkste productie van
het festival 2011.
De componist moeten we niet meer voorstellen. De inhoud willen wij even in
het kort vertellen. De handeling speelt zich af in Napels. Enerzijds is er
de “clash” tussen twee culturen (Turks en Italiaans), anderzijds is er de
tragikomische geschiedenis tussen de oude, brave, Don Geronio en zijn jonge
levenslustige vrouw Fiorilla. Beide verkennen ze hun grenzen en uiteindelijk
kan Don Geronio zijn dartel vrouwtje tot reden brengen. Een gemaskerd bal
lost alle verwikkelingen op. Geronio is een oude man met een aardig
karakter, die weet dat hij zijn vrouw niet veel meer te bieden heeft. Hij
ziet haar graag en daardoor verdraagt hij veel van haar caprices.
Prosdocimo is de dichter die het verloop van de actie bepaalt. Deze partij
werd gezongen door de bas Marco Bussi. Hij had de look van Salvador Dali en
deed even gechargeerd als deze schilder. Hij produceerde veel lawaai, dat
niet steeds even genietbaar was. Natuurlijk was de rol van Don Geronio in
handen van de bas Bruno Pratico, sinds decennia gespecialiseerd in buffo-bas
rollen. Elk jaar is hij van de partij in Wildbad en elke jaar krijgen we
dezelfde grappen en vocale prouesses te zien en te horen. Hij is hier
blijkbaar de lieveling van het publiek dat maar niet genoeg krijgt van deze
geboren komiek met de juiste ronde figuur en die zich bij Rossini thuis
voelt als een vis in het water. De basbariton Christian Eberl zong de rol
van de Turk Selim. Het is nog een jonge zanger, goed geschoold, maar niet
begenadigd met een groot en warm stemorgaan. Het was moeilijk om in zijn
personage te geloven. De sopraan Alina Furman was de ontgoocheling van de
avond. In de rol van Fiorilla schoot zij technisch tekort op vele punten :
zij bezat geen souplesse, zij klonk als een ijzeren draad en zij detoneerde
geregeld in de hoge regionen, wat verschrikkelijk was om aan te horen. Don
Narciso, een aanbidder van Fiorilla, werd gebracht door de tenor José Luis
Sola. Hij komt uit het land van de grote tenors (Spanje). Zijn voordracht
was maar mager, maar hij kon de hoge noten produceren die Rossini
liefhebbers tevreden stelt. De meest verzorgde voordracht van de avond kwam
van de mezzosopraan Elsa Giannoulidou in de rol van de zigeunerin Zaïda.
Massimiliano Silvestri klonk verdienstelijk in de kleine rol van de zigeuner
Albazar.
Wij kunnen niet nalaten te verwijzen naar de vorige festivals, jaren waar
wij de ene zangtechnische revelatie na de andere hoorden. Die tijd schijnt
tot het verleden te horen.
Jochen Schönleber zorgde voor de juiste personenregie en er werden geen
potten gebroken. De actie speelde zich af in het hier en nu. Het podium in
de Trinkhalle is niet groot en heeft bijzonder weinig technische
mogelijkheden. Er werd op twee niveaus gespeeld, zodat de toeschouwers in
het achterste gedeelte van de zaal ook konden meegenieten. In het midden van
de scène was een soort grote draaimolen gemonteerd die op zich een derde van
de geringe ruimte van de scène in beslag nam. Deze vondst was niet alleen
zinloos, maar ook storend voor het visuele beeld.
De Württembergische Philharmonie Reutlingen, het Camerata Bach Chor Posen en
de solisten werden geleid door de dirigent Antonino Fogliani. Het geheel
klonk veel te hard, alleszins naar onze smaak. Hoe opgewonden de actie ook
is, de muziek van Rossini hoort nog altijd thuis in de categorie van het
“Bel Canto”. Graag willen ook Achille Lampo vernoemen, die aan de fortepiano
zorgde voor de vlotte recitatieven.
Van op onze plaatsen, konden wij de
mimiek van de dirigent goed in het oog houden. Wij waren versteld van zijn
opgewektheid, hoe hij in de uitvoering bleef geloven en iedereen aanmoedigde
hetzelfde te doen.
Er werd bij het slot met veel enthousiasme geapplaudisseerd en bravo
geroepen, ook voor de individuele prestatie van Alina Furman, waardoor wij
ons toch wel afvragen of het publiek van het Rossini Festival te Wildbad
oren aan zijn hoofd heeft!
P.T. (Gepubliceerd op 19/7/2011)
Foto's van boven naar onder:
1) Bruno Pratico als Don Geronio en Alina Furman als Fiorilla.
2) Elsa Giannoulidou als Zaida, Massimiliano Silvestri als Albazar en Alina
Furman als Fiorilla.
3) Marco Bussi als Prosdocimo en en Bruno Pratico als Don Geronio
Copyright foto's © Patrick Pfeiffer.
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()
Opera van
Giuseppe Balducci op een onbekend
libretto. Gecreëerd te Napels in het voorjaar van 1837. Première van deze
productie door “Rossini in Wildbad” in het Königliches Kurtheater op 8 juli
2011. Bijgewoonde voorstelling op 16 juli 2011.
Sedert honderden jaren wordt de zuid Italiaanse stad Benevento, zowat 65
kilometers van Napels, in verband gebracht met heksen. De notenboom van
Benevento is een deel van de Italiaanse traditie en cultuur. Een
tentoonstelling over de stad en haar omgeving in 1635, toont een boom met
een slang om de stam gewikkeld en daarnaast dansende heksen. Hier is er
sprake van een heksenboom. Uiteraard zijn er geen bewijzen voor deze
overlevering maar er heeft een aartsbisschop bestaan die een processie
leidde om de slang te verdrijven en verdere duivelse samenkomsten te
verhinderen.
Giuseppe Balducci schreef deze opera in de winter van 1836/37. Het ging om
een privé-opvoering bij Capece Minutolo te Napels. Het was de derde
salonopera die hij schreef voor deze familie. De rollen werden gespeeld door
de drie dochters en hun vriendinnen. De begeleiding was voor twee piano’s.
De librettist is tot op heden onbekend gebleven. Harmonisch gezien is deze
opera kleurrijker dan bijvoorbeeld “I gelosi”, dat opgevoerd werd in Wildbad
in 2006. In de sfeervolle gedeelten
zitten verwijzigingen naar de muziek van Schubert, Mendelssohn en von Weber.
Het is een opera buffa met gesproken dialogen.
Inhoudelijk gaat het werk over drie jonge vrouwen die hopen op de gunst van
één man. Alle middelen worden gebruikt, maar de liefde tussen Clodina en
Alberto zegeviert. In de ensembles: duo’s, trio’s, kwartetten en sextetten
hoorden wij een geslaagde vermenging van de verschillende soorten stemmen.
De uitvoering klonk bij aanvang gedoseerd. Naargelang de evolutie van de
plot werd de stijl meer gechargeerd en dat was goed te horen aan de
verschillende protagonisten. De zangers klonken niet steeds even briljant.
We denken aan de sopraan Isabel Rodriguez Garcia als Lauretta. Vooral in de
hogere tessituur liet zij de nodige steken (noten) vallen. De sopraan Dusica
Bijelic als Clodina wist zich beter te handhaven, maar haar strakke ijzeren
stem miste de nodige warmte om te bekoren. De mezzosopranen kwamen het meest
genietbaar over. Diana Haller zong de rol van Alberto en zij deed dit met de
nodige kwaliteiten, alhoewel de hoge noten ons toch iets te geforceerd
klonken. Silvia Beltrami heeft een mezzosopraanstem als een klok. Zij had
als Geltrude, de moeder van Clodina, een rol te zingen die deed denken aan
Azucena uit “Il trovatore”. Acteren zit haar in het bloed. De rol van
Margherita, de tante van Giulia en Lauretta, was in handen van Svetlana
Smolentseva, ook zij wist te bekoren met een lichtere mezzo stem. De Japanse
Noriko Kaneko zong de rol van Giulia. Zij is begenadigd met een zeer donker
mezzogeluid, en heeft waarschijnlijk de mogelijkheden om een contra-alt te
worden. Van deze stemsoort bestaan er niet zoveel, dus haar toekomst is
verzekerd. Ook acteren schijnt geen probleem te zijn.
Toen we het programma inkeken en zagen dat de begeleiding met twee piano’s
was, hielden we ons hart vast. Piano’s kunnen klinken als een percussie
instrument zoals de componist Bohuslav Martinu ooit verklaarde. Uiteindelijk
wisten de pianisten ons het meest te bekoren. Eliseo Castrignano had de
leiding en was zeer duidelijk in de richtlijnen voor de zangers en zijn twee
collega’s Achille Lampo en Marco Alibrando. Hun begeleiding liet de muziek
maximaal tot haar recht komen en dit op een fenomenale gedoseerde wijze. De
sobere, maar pittige regie was van Nicola Berloffa.
De zaal was bijzonder opgetogen met deze voorstelling en alle vertolkers
kregen een staande ovatie. De finale werd zelfs gebisseerd!
Wij woonden de laatste voorstelling bij.
P.T. (Gepubliceerd op 19/7/2011)
Foto's van boven naar onder:
1) Dirigent/Pianist Eliseo Castrignano en Diana Haller als Alberto.
2) Isabel Rodriguez Garcia als Lauretta, Svetlana Smolentseva als Margherita,
Noriko Kaneko als Giulia, Silvia Beltrami als Geltrude, Dusica Bijelic als
Clodina en Diana Haller als Alberto.
3) Noriko Kaneko als Giulia, Svetlana Smolentseva als Margherita en Isabel
Rodriguez Garcia als Lauretta.
Copyright foto's ©
Patrick Pfeiffer.
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()
Opera van
Stefano Pavesi op een libretto van Angelo Anelli Gecreëerd in het Teatro
alla Scala te Milaan op 26 september 1810. Première van deze productie door
“Rossini in Wildbad” in het Königliches Kurtheater op 7 juli 2011.
Bijgewoonde voorstelling op 17 juli 2011.
Toen
Donizetti in 1842 aan een nieuwe opera begon te denken voor een opdracht van
het Théâtre Italien te Parijs, dat “Don Pasquale” zou worden, scheen het hem
een goed idee om de oude stof te actualiseren van een werk dat een lang en
succesvol leven gekend had: “Ser Marcantonio”. Deze opera van de nu nagenoeg
vergeten componist Stefano Pavesi kende inderdaad bij zijn creatie het
gedenkwaardige succes van 54 voorstellingen voor het eerste speeljaar. De
volgende jaren telden niet minder dan een vijftigtal verschillende
producties, hoofdzakelijk tussen de jaren 1810 en 1831. Het was dan ook geen
slecht idee van de organisatoren van het Rossini Festival om deze opera
terug een nieuw leven in te blazen.
Opera’s die handelen over oude mannen die nog een jong ding aan de haak
willen slaan, zijn legio. De meeste zijn buffa-opera’s , waarvan “Don
Pasquale” de meest bekende is, maar ook Richard Strauss interesseerde er
zich nog voor met “Die schweigsame Frau”.
De
opvoering die wij bijwoonden was, zoals “Le noce di Benevento” de dag
ervoor, vooral merkwaardig voor de jonge mezzosopranen die er in optraden.
Silvia Beltrami en Svetlana Smolentseva, die wij de dag ervoor hoorden,
waren voortreffelijk in de kleinere rollen van de nicht Dorina en de meid
Lisetta. Nieuw was de Italiaanse Loriana Castellano in de rol van Bettina
(de Norina van Don Pasquale), in feite een alt, een warme, goed beheerste en
precies gevoerde stem die waarschijnlijk niet slecht zou klinken in “La
Cenerentola” of “L’Italiana in Algeri”.
Bij de mannen ging het helaas minder goed. De lichte tenor Timur Bekbosunov
verdiende geen schoonheidsprijs als Medoro, de uitverkorene van Bettina. Hij
heeft een droog, metalliek timbre en bovendien klonk hij in de hoogte alsof
hij werd gekeeld. De eveneens lichte tenor Massimiliano Silvestri klonk
beter als de knecht Pasquino, maar hij kon zich slechts laten gelden in de
ensembles. De Italiaanse bas Matteo D’Apolito nam de rol van Tobia voor zijn
rekening, de broer van Bettina en, zoals Figaro, de man die al de intriges
in elkaar steekt. Hij deed dat op een bijzonder vlotte manier en het was
jammer dat de stem de warmte en de soepelheid van het personage misten.
Bovendien wist hij zijn stem niet steeds te doseren. Het slachtoffer waar
alles om draait was natuurlijk Ser Marcantonio, hier vertolkt door Marco
Filippo Romano, een nogal droge bariton die vlot akteerde, maar warmte en
uitstraling miste.
Het Camerata Bach Chor Posen klonk kernachtig, maar te luid voor het kleine
Kurtheater. Hetzelfde gold voor het Südwestdeutsches Kammerorchester
Pforzheim dat onder de leiding van Massimo Spadano technisch zeer vaardig
overkwam, maar iets subtieler had mogen klinken.
Antonio
Petris zorgde voor een vlotte regie. Hij verzette de handeling naar onze
tijd, liet Bettina in verschillende modieuze kleedjes rondlopen en gaf Ser
Mercantonio een opblaasbare pop als huwelijksgeschenk. Er werd levendig
gespeeld in een decor dat, ondanks de technische beperkingen en de kleine
ruimte toch nog goed overkwam.
Wij woonden de laatste voorstelling bij.
G.M. (Gepubliceerd op 19/7/2011)
Foto's van boven naar onder:
1) Matteo D'Apolito als Tobia, Marco Filippo Romano als Ser Marcantonio en
Loriana Castellano als Bettina.
2) Matteo D'Apolito als Tobia en Loriana Castellano als Bettina.
3) Timur Bekbosunov als Medoro, Silvia Beltrtami als Dorina en Matteo
D'Apolito als Tobia.
Copyright foto's ©
Patrick Pfeiffer.
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()
“STABAT MATER" & "GIOVANNA D’ARCO”
“Giovanna
d’Arco”: cantate (1832) van
Gioacchino Rossini, bewerkt door Marco Taralli (2009). Gecreëerd te
Parijs op 1 april 1859.
“Stabat
Mater” van Gioacchino Rossini in de Urfassung van 1832 met zeven delen
gecomponeerd door
Giovanni Tadolini, geïnstrumenteerd door
Antonino Fogliani. Gecreëerd in de Kapel San Felipe el Real te Madrid op
goede vrijdag, 5 april 1833.
Eenmalig concert in de Evangelische Stadtkirche op 17 juli 2011.
De
cantate “Giovanna d’Arco” werd opgedragen aan Olympe Pélissier met de
volgende bewoording: “Grande scena – Giovanna D’Arco. Cantata a voce sola
con accompagnamento di piano, espressamente composta per Madamigella Olimia
Pélissier da Rossini, Parigi 1832”. Na de dood van zijn vrouw Isabella
Colbran in 1845, werd Olympe Rossini’s tweede vrouw. De creatie van deze
cantate vond pas plaats op 1 april 1859 in Rossini’s salon te Parijs met
Marietta Alboni als soliste.
De cantate bestaat uit slechts twee aria’s, zonder koor en werd in 2009
georkestreerd door Marco Taralli. Het is deze versie die wij hoorden te
Wildbad. De stijl van de aria’s is deze die wij kennen van de oudere
Rossini.
Als soliste fungeerde de Siciliaanse mezzosopraan
Mariana
Pizzolata, een dame met een brede stem, een vol geluid met veel
dramatische expressie.
Het
“Stabat mater” is een beter gekend werk van Rossini, maar wie weet dat er
een vroegere versie van dit werk bestaat, waarvan een gedeelte geschreven
werd door een “ghostwriter”? Inderdaad, de versie van 1842, die gecreëerd
werd te Parijs in het Théâtre Italien, werd meer dan tien jaar voorafgegaan
door een versie die Rossini schreef voor Madrid. Een belofte die hij tijdens
een reis in Spanje gedaan had aan een zekere Manuel Fernandez Varela en
waarvoor hij slechts zes delen componeerde. Zeven andere delen, waarvan de
slotfuga, vertrouwde hij toe aan zijn medewerker Giovanni Tadolini, waarvan
de naam zelfs niet op het manuscript vermeld werd. Toen tien jaar later
Rossini “zijn” Stabat Mater vervolledigde, kwam het zelfs tot een proces
tussen de uitgevers van de twee versies. Van de delen die gecomponeerd
werden door Tadolini, zijn slechts klavierpartituren overgebleven. Voor de
uitvoering te Wildbad werd de orkestratie door Antonino Fogliani
vervolledigd, waarbij hij er zich op toelegde zoveel mogelijk de stijl van
Rossini en zijn tijdgenoten te respecteren.
Wie enigszins vertrouwd is met de latere versie van het “Stabat Mater”, zal
hier vooral de bekende tenoraria “Cujus animam” van Rossini zelf gemist
hebben. Verder is het aandeel van Tadolini qua stijl amper te onderscheiden
van Rossini.
Wel kregen wij nu dertien nummers te horen, terwijl de latere versie er
slechts tien telt.
Naast
de krachtige mezzosopraan van “Giovanna d’Arco”, kregen wij nu ook een
eersteklas sopraan te horen: Majella Cullagh, een mooie, lichte, heldere
stem die hier bijzonder welluidend en stijlvol klonk. Het duettino dat zij
samen zong met Marianna Pizzolata, leverde prachtig belcanto op. De tenor
José Luis Sola was niet van dezelfde klasse, maar gaf toch een genietbare
vertolking van het voor ons vreemd klinkende “Cujus animam” van Tadolini. De
stoere bas van Mirco Palazzi was voortreffelijk, met een strakke
toonvorming. In het “Fac ut ardeat” met a capella koor klonk hij bijzonder
fijnzinnig.
Niets dan lof voor Antonino Fogliani, de man aan wie wij deze herontdekking
te danken hebben. Hij dirigeerde met zwier de Württembergische Philharmonie
Reutlingen en de Camerata Bach Chor Posen.
Opvallend was de goede akoestiek van de kerk, waardoor het geheel toch wel
zeer luid overkwam.
G.M. (Gepubliceerd op 19/7/2011)
Foto's van boven naar onder:
1) Antonino Fogliani.
2) Majella Cullagh.
3) Marianna Pizzolato.
TERUG NAAR KEUZELIJST DUITSLAND
![]()