OPERA GAZET
![]()
Grand
opéra in vijf bedrijven van
Jacques Fromental Halévy op een libretto van Henry Vernoy de
Saint-Georges naar een middeleeuwse vertelling. De creatie vond plaats in
het Théâtre impérial de l’Opéra te Parijs in maart 1858. Op 11 juni 2011
waren we in de Opéra Berlioz te Montpellier aanwezig bij een concertante
uitvoering in het kader van het Festival de Radio France et Montpellier
Langudoc-Roussillon
Staan
we aan het begin van een heropleving van de grand opéra? Wanneer we deze zin
neerpenden beseften we al te goed dat deze gedachte "wishfull thinking"is. Nochtans hebben we op een maand tijd voorstellingen kunnen
bijwonen van “Les Huguenots” van Meyerbeer in Brussel, “La juive” van Halévy
in Stuttgart en nu dus deze “La magicienne” in Montpellier. Tel daarbij nog
de plannen voor het seizoen 2011/12 met “Françoise de Rimini” van Thomas in
Metz en “Robert le Diable” in Erfurt of, dichter bij huis, “Le duc d’Albe”
bij de Vlaamse Opera en u ziet de heropleving van dit genre dat we in Opera Gazet steeds
met vuur verdedigd hebben
Hoewel Halévy vandaag enkel nog vernoemd wordt in verband met zijn opera “La
juive” – en dan vooral nog om de grote tenoraria die er in voorkomt – mogen
we zijn invloed op het Franse muziekleven van rond 1850 en later (hij was de
leermeester van oa Gounod, Bizet en Saint-Saëns) niet onderschatten. Samen
met Giacomo Meyerbeer domineerde hij het Parijse operaleven gedurende twee
decennia, hoewel hij zijn succes met “La juive” nooit meer kon herhalen. “La
magicienne” dateert uit de laatste jaren van Halévy’s carriere als componist
en heeft de tand des tijds niet doorstaan.
Op
het eerste zicht lijkt het wat bizar dat “La magicienne” geboekstaafd staat
als grand opéra. Het werk heeft inderdaad vijf bedrijven maar duurt
uiteindelijk slechts twee uur en een half, zowat de standaardlengte van een
“gewone” opera. Ook de typische thematiek, een persoonlijk conflict tegen
een historische achtergrond, ontbreekt. Wanneer we de situatie echter iets
grondiger bestuderen vallen deze “afwijkingen” logisch te verklaren. Het
regime van Napoleon III was namelijk helemaal niet te vinden voor
historische opera’s uit vrees dat daarin verborgen kritiek op de heersende
klasse werd opgenomen. Het historische element in de grand opéra werd in de
jaren vijftig van de negentiende eeuw dan ook overgenomen door het
bovennatuurlijk - niet alleen bij Halévy maar ook bij bvb Massenet met “Le
mage” of “L’enfant prodigue” van Auber. Op die manier kon zowel in de muziek
als op het toneel voor het nodige spektakel met tovenaars, geesten en
hellemonsters gezorgd worden. Ook de introductie van een ballet in het
tweede bedrijf (helaas niet gespeeld in Montpellier) is een onmiskenbare
eigenschap van een grand opéra.
Muzikaal gezien kunnen we enigszins begrijpen dat “La magicienne” niet echt
geestdriftig ontvangen werd bij de creatie. Hoewel Halévy bekend stond als
een vernieuwer en iemand die experimenteerde met stijlen, lijkt deze opera
wel twee decennia te laat gecomponeerd. De muziek doet nog erg "Donizettiaans"
aan en zelfs invloeden van Mozart zijn af en toe hoorbaar. Dat laatste
bedoelen we eigenlijk als een compliment, maar muziekhistorisch is de waarde
van “La magicienne” dan ook niet erg groot en waarschijnlijk werd het werk
bij de creatie door het publiek als niet echt modern ervaren. De klemtoon
van de partituur ligt bij het personage van Mélusine, een soort Armida of
Kundry, en een rol die niet alleen dramatisch maar ook muzikaal erg hoge
eisen stelt.
Ook
het verhaal van de opera is vrij stereotiep. De heks Mélusine heeft een pact
gesloten met de duivel. Hij heeft haar schoonheid gegeven en in ruil
daarvoor heeft zij haar ziel aan hem verpand. Met haar schoonheid lokt ze
jonge mannen in de val die ze eerst verleidt en vervolgens doodt. Dezelfde
bedoeling heeft ze met René de Thouars die op het punt staat te huwen met
Blanche, dochter van de graaf van Poitou. Door tovenarij kan ze hem er
probleemloos van overtuigen dat Blanche hem ontrouw is, maar dan gebeurt het
onvoorziene: Mélusine wordt verliefd op René. Wanneer ze de duivel vraagt om
haar los te laten weigert deze. Mélusine keert zich echter opnieuw tot God,
bekent aan Blanche en René wie ze is en wat ze gedaan heeft en redt zo haar
ziel alvorens te sterven.
We moeten onze waardering uitspreken voor artiesten die bereid gevonden
werden om complexe partituren zoals deze in te studeren, wetende dat ze hun
rol waarschijnlijk slechts bij één enkele voorstelling zullen zingen.
Gelukkig wordt in Montpellier alles vastgelegd voor het nageslacht en
vervolgens meestal uitgebracht op CD. We kunnen alleen maar hopen dat dit
laatste ook met “La magicienne” het geval zal zijn.
Wie
had kunnen denken dat de voorstelling van een grand opéra gedragen zou
worden door een zangeres die pas haar diploma behaalde ? De piepjonge
mezzosopraan
Marianne Crebassa creëerde een sensatie in de rol van Mélusine. Niet
alleen heeft zij een stem met een timbre van fluweel en een techniek die de
vaak aartsmoeilijke loopjes en thrillers meesterlijk beheersen. Ondanks haar
jonge leeftijd heeft de knappe zangeres ook voldoende uithoudingsvermogen om
tot in de finale op hoog niveau te blijven presteren. Natuurlijk is er nog
ruimte voor verbetering, vooral in het lagere register en ook de
interpretatie, maar wat ons betreft alvast een naam om in de gaten te
houden. Laten we vooral hopen dat ze haar carrière op een intelligente
manier plant en niet meteen ingaat op uitnodigingen voor rollen die niet bij
haar huidige vocale mogelijkheden passen. De andere solisten zijn minder
onbekend. Nicolas Cavallier, vaak te gast in Luik, imponeert met zijn
bas-bariton in de rol van de graaf van Poitou. De rol van Blanche, zijn
dochter, werd met gezag en een schitterende hoogte vertolkt door de Franse
sopraan
Norah Amsellem. Haar landgenoot
Marc Barrard was
een perfecte Stello de Nici. Enkel
Florian Laconi
viel met zijn uitsluitend op kracht gebaseerde haast veristische zang wat
uit de toon in dit voor het overige erg homogene gezelschap.
Lawrence Foster stond aan het hoofd van het Orchestre National de
Montpellier et Langudoc-Roussillon, een vaste waarde op het festival. Hoewel
hij zijn troepen met het nodige enthousiasme aanvoerde, hadden we toch de
indruk dat een genuanceerdere interpretatie mogelijk was. Ook wat meer
variatie in de tempi had de voorstelling wat extra leven kunnen inblazen.
Indrukwekkend waren ook de tussenkomsten van het Choeur de Radio France uitstekend
voorbereid door Matthias Brauer.
De voorstelling was voor alle medewerkenden een triomf bij het publiek, wat
onze theorie dat grand opéra de moeite van het opvoeren meer dan waard is,
ondersteunt. Helaas was er, zoals gebruikelijk in Montpellier, slechts één
opvoering.
H.D. (Gepubliceerd op 12 juli 2011)
Foto's van boven naar onder:
1) Jacques Fromental Halévy.
2) Marianne Crebassa.
3) Norah Amsellem.
4) Florian Laconi.
TERUG NAAR KEUZELIJST FRANKRIJK
![]()
Lyrische
tragedie in drie bedrijven van
Charles-Simon Catel op een tekst van Philippe Desriaux naar de tragedie
van Voltaire.
Het werk kende zijn eerste uitvoering op 4 mei 1802 in de Parijse Opéra. Op
25 juni 2011 waren we in de Opéra Berlioz te Montpellier aanwezig bij een
concertante uitvoering in het kader van het Festival de Radio France et
Montpellier Langudoc-Roussillon.
Wie “Semiramide” zegt denkt natuurlijk spontaan aan de bekende opera van
Rossini. De opera van Catel is ondertussen al lang vergeten. Beide
componisten hadden ongeveer dezelfde leeftijd toen ze hun opera schreven,
maar daar eindigt ook elke vergelijking. Voor Rossini was “Semiramide”
eigenlijk een synthese van zijn Italiaanse oeuvre, geschreven als een
afscheid aan de Italiaanse opera en slechts enkele jaren voor zijn
definitieve vaarwel aan de scène. Voor Catel, die zich tot dan toe vooral
had bezig gehouden met het componeren van hymnen en marsen ten tijde van de
Franse revolutie en gevolgd door vooral kamermuziek in de periode erna, was
het de eerste opera. Deze evolutie is ook logisch: Catel speelde er handig
mee in op de veranderende smaak van het publiek.
Het
werk werd niet meteen een succes. Catel had zich al te duidelijk
geprofileerd als een voorstander van de
harmonie
ten nadele van de meer Italiaans geïnspireerde
melodie,
wat hem a priori de vijandigheid van een groot deel van het publiek
opleverde. Met zijn terugkeer naar de tragedie van Voltaire, typisch voor
het
neoclassicisme, kon hij ook al niet op veel begrip rekenen. De
aanhangers van deze kunststroming verweten Catel een gebrek aan dramatiek en
waren ontevreden over het gebrekkige libretto. Bovendien beschikte de
toenmalige Opéra niet over een degelijke troep zangers - de nieuwe
declamerende stijl van Cherubini en anderen had de volgens de oude school
opgeleide stemmen snel doen verslijten. De meest lovende kritieken betroffen
dan ook eerder de somptueuze enscenering waarvoor kosten noch moeite
gespaard werden dan de muziek van Catel.
Muzikaal
vonden we de opera niet echt de moeite waard. Catel laat de partituur te
veel domineren door begeleide recitatieven en, noch wat betreft melodie noch
wat betreft dramatiek, weet de muziek de hedendaagse toeschouwer te boeien.
Dit gevoel werd nog versterkt door de lokatie: omdat de Opéra Comédie, waar
dit soort werken meer op zijn plaats is, momenteel gerestaureerd wordt, vond
de concertante uitvoering plaats in de Opéra Berlioz, een gigantische
moderne zaal. Het
Orchestre du Concert Spirituel onder de geestdriftige leiding van Hervé
Niquet had het met zijn authentieke instrumenten dan ook niet gemakkelijk om zich door te zetten. Nochtans
waren we prettig verrast door dit technisch voortreffelijke en erg geëngageerde
collectief, versterkt met een eigen koor.
Het solistensextet werd duidelijk gedomineerd door de Zwitserse
mezzosopraan
Maria
Riccarda Wesseling in de titelrol. Deze zangeres, thuis in zowat alle
muziek gaande van barok tot hedendaags, wist voldoende vocaal gewicht te
leggen in haar rol om zelfs in een concertante uitvoering geloofwaardig te
zijn. Ook de lichte sopraan Gabrielle Philiponet was goed opgewassen tegen
de wat virtuozere rol van Azema, een personage dat bij Rossini onbelangrijk
is maar bij Catel een hoofdrol vervult. De Franse tenor
Mathias Vidal
viel wat licht uit voor de rol van Arzace - hij verving José Ferrero, een
zanger die onder andere Siegmund op zijn repertoire heeft staan. Mooi
contrasterend waren de stemmen van de twee bassen, de Fransman
Nicolas Courjal als Assur en de Engelsman
Andrew Foster-Williams als Oroe.
Niet alleen de opera maar ook het succes van de uitvoering waren in geen
geval te vergelijken met de reactie na afloop van “La magicienne” van Halévy
een tweetal weken eerder. Maar interessant was de uitvoering alleszins. Al
mag dit werk wat ons betreft probleemloos terug begraven worden onder het
stof van waar het na meer dan 200 jaar bovengehaald werd.
H.D. (Gepubliceerd op 27 juli 2011)
Foto's van boven naar onder:
1) Hervé Niquet.
3) Maria Riccarda Wesseling.
3)
Mathias Vidal.
TERUG NAAR KEUZELIJST FRANKRIJK
![]()