OPERA GAZET
![]()
Grand
opéra in vijf bedrijven van
Giuseppe Verdi
op een libretto van Eugène Scribe. De creatie vond plaats in de Opéra van
Parijs op 13 juni 1855. We woonden op 3 oktober 2010 een voorstelling bij in
Het Muziektheater te Amsterdam.
Om voet aan de grond te krijgen in Parijs moest Verdi zich plooien naar de
tradities van de Franse opera: zijn nieuwe opera moest vijf bedrijven
tellen, een ballet bevatten en het verhaal moest zich afspelen tegen een
historische achtergrond. Eugène Scribe stelde het libretto voor dat hij
schreef voor “Le duc d’Albe” van Donizetti, een opera die nooit voltooid
werd. Verdi stemde in, maar vroeg dat de actie die zich in de lage landen
afspeelde tijdens de tachtigjarige oorlog, verplaatst zou worden naar
“warmere oorden”. Uiteindelijk werd gekozen voor Sicilië aan het einde van de
dertiende eeuw, toen het land bezet werd door de Fransen.
Hoewel het thema, hoofdpersonages die verscheurd worden door de keuzes die
ze moeten maken tussen hun persoonlijk geluk en dat van hun volk, Verdi
zeker lag, is het resultaat niet
buitengewoon. Het ontbreekt de partituur toch wel wat aan de meeslepende
melodische rijkdom die het grootste deel van Verdi’s carrière zou kenmerken.
Tegelijkertijd is de vurige, patriottische inslag die zo herkenbaar was in
de vroege werken, verleden tijd. Het resultaat is een opera die de componist
niet onwaardig is, maar net dat sprankje van Verdi’s genius dat nodig is om
een “grote” opera te zijn, ontbreekt. Bovendien kende het genre van de “grand
opéra” zijn hoogtepunt in de jaren dertig van de negentiende eeuw en was dus
in 1855 al voorbijgestreefd. Vermoedelijk is dat ook de reden waarom “Les
vêpres siciliennes” al snel van het toneel verdween. Wat niet wegneemt dat,
naast de ouverture, de aria’s “Eh toi, Palerme” en “Merci, jeunes amies”
vaak uitgevoerd zijn in concert of op de plaat.
Verdi zelf zorgde nog voor een Italiaanse versie van de opera, maar mede
door de tussenkomst van de censuur haalde die nooit het verhoopte succes.
Nochtans is het deze vertaalde versie die vandaag als enige nog af en toe
opgevoerd wordt. Het pleit dus voor de ondernemingszin van De Nederlandse
Opera dat voor de Franse versie, inclusief het ballet geopteerd werd.
Henri maakt samen met Hélène, op wie hij verliefd is, en Jean Procida deel
uit van het Siciliaanse verzet tegen de Franse overheersing. Wat Henri pas
in het derde bedrijf te weten komt is dat hij in werkelijkheid de zoon is
van Guy de Montfort, de wrede onderkoning van Sicilië. Dit ontketent in
Henri een conflict tussen zijn liefde voor Hélène en Sicilië enerzijds en
de gevoelens voor zijn vader anderzijds. Nadat hij eerst zijn vader van de
dood en vervolgens zijn Siciliaanse vrienden van de executie gered heeft,
lijkt niets een huwelijk met Hélène in de weg te staan. Dit is echter
gerekend zonder de wraakzuchtige Procida, die tijdens het huwelijksfeest de
Franse bezetters laat uitmoorden.
We kennen Christoph Loy al van een aantal producties die we ook in Opera
Gazet bespraken. Het recept is bekend: Loy ontdoet het verhaal en het
toneelbeeld van alle franje om zich te concentreren op de relatie tussen de
personages. We hebben daar al min of meer geslaagde pogingen van gezien,
maar bij “Les vêpres siciliennes” stelt zich al meteen een probleem: een
grootschalige,
ambitieuze en rijkelijke enscenering is er een onlosmakelijk deel van, zelfs
in die mate dat de regieaanwijzingen integraal deel uitmaakten van de
partituur. Wanneer Loy deze dimensie en spektakel reduceert tot een grote
kale open ruimte met enkel een tafel en stoelen als rekwisieten en
personages gekleed in maatpak (de Fransen, maar ook om onduidelijke redenen
Hélène) of vrijetijdskledij (de Sicilianen), gaat hij daarmee lijnrecht in
tegen de geest van het werk. Helaas stopt de regisseur hier niet met zijn
ingrepen: behalve het toepassen van een aantal coupures, plaatst hij om ons
onbekende redenen de ouverture niet voor, maar na het eerste bedrijf. Verder
wordt de voorstelling gevuld met “vondsten” die geen toegevoegde waarde
bieden. We geven enkele voorbeelden: midden in de aria “Merci, jeunes amies”
wordt Hélène plots hoogzwanger en aan het einde van de aria gaat ze in de
coulissen snel bevallen. Procida wordt aan het einde van het vierde bedrijf
toch geëxecuteerd en keert in het laatste bedrijf terug als geest. Soms
wordt het zelfs (gewild ?) lachwekkend. Zo is de finale van het derde
bedrijf een soort “cancan” in de traditie van Offenbach. Wanneer Henri in het
laatste bedrijf een wandeling maakt met de kinderwagen gaat hij aan de luier
van het kind snuffelen terwijl hij zingt over een fris briesje dat hem
tegemoet waait. De voorstelling zat afgeladen vol met dergelijke
malversaties die op het publiek losgelaten werden. En dan hebben we nog niet
over het ballet dat volgens een nieuw geschreven “libretto” op smakeloze
manier de jeugd van Henri en Hélène uitbeeldde.
Het kan voor de musici niet gemakkelijk zijn om in dergelijke omstandigheden
een goede prestatie neer te zetten. Nochtans bereikten de meeste solisten
een meer dan behoorlijk niveau. Hierbij maken we wel de bedenking dat de
Franse versie van de opera andere stemmen en een andere zangstijl vraagt dan
de Italiaanse.
Vooral de Duitse tenor
Burkhardt Fritz
gaf wat dat betreft een glansprestatie: de stem is robuust, maar toch in
staat tot de mooiste piano’s en diminuendi. Bovendien weet de zanger erg
veel
interpretatie te leggen in zijn tekst. We zouden hem graag vaker horen in
dit genre. Ook de Zwitserse bariton Alejandro Marco-Buhrmeister wist te
overtuigen als
Guy de Montfort, de slechterik in het verhaal . Zijn stem
heeft net dat nijdige kantje en de autoriteit om zijn personage vocaal
perfect te typeren. We vonden ook vele kwaliteiten in de vertolking van
Barbara Haveman, het duet met Henri in het vierde bedrijf was wat ons
betreft het hoogtepunt van de avond, maar helaas liet de Nederlandse sopraan
net iets te veel steken vallen in haar aria in het laatste bedrijf, waar het
orkest en de zangeres elkaar voortdurend uit het oog verloren. We waren
minder te spreken over de Hongaarse bas Balint Szabo die toch wat licht
lijkt om Procida te zingen op een scène zoals die van Het Muziektheater.
Uitstekend bezet dan weer de kleinere partijen die niet alleen vocaal maar
ook acterend mooi presteerden.
Misschien wel het belangrijkste onderdeel van de voorstelling vormde het
uitgebreide koor van De Nederlandse Opera. Wat een prestatie van koorleider
Martin Wright en dirigent Paolo Carignani om al deze fijne zangers in de
grote scènes bijeen te houden en tot een glansprestatie te voeren. Carignani
wist bovendien in het orkestspel een begeestering te leggen die ons af en
toe kon laten vergeten wat zich op het toneel afspeelde. Hij liet zijn
orkest bovendien steeds spelen op een geluidsniveau dat de zangers
ondersteunde.
Al bij al een voorstelling die zeker de moeite waard was voor het
“onbekende” karakter van de gekozen versie, maar die ons betreft totaal de
mist in ging wat de regie betreft. We zagen de laatste voorstelling uit een
reeks van acht.
Foto's van boven naar onder:
1) Alejandro Marco-Buhrmester als Guy de Montfort en Burkhardt Fritz als Henri.
2) Barbara Haveman als Hélène en Balint Szabo als Jean Procida.
3) Het ballet.
Copyright foto's © Monika Rittershausen.
H.D. (Gepubliceerd op 5/10/2010)
TERUG NAAR KEUZELIJST NEDERLAND
![]()