OPERA GAZET
![]()
Opera
in vier bedrijven van
Giuseppe Verdi op een libretto van
Salvatore Cammarano naar de tragedie “El trovador” van Antonio Garcia
Gutièrrez. De creatie vond plaats op 19 januari 1853 in het Teatro Apollo te Rome.
We woonden op 18 september 2011 een opvoering bij door de Opéra Royal de
Wallonie in het Palais Opéra de Liège.
Niet
onverwacht speelt intendant Mazzonis di Pralafera op zeker met de
openingsproductie van het seizoen 2011-2012. Na “Rigoletto” in 1851 is “Il
trovatore” de tweede opera waarin Verdi’s genius volledig doorbreekt en,
samen met “La traviata” dat twee maanden later in Venetië in première ging,
behoort het tot de populairste werken van de componist. Dat "Il trovatore" iets
minder vaak op de affiche staat dan de andere twee komt ongetwijfeld door de
buitengewoon hoge eisen die Verdi aan de vier belangrijkste solisten stelt.
Vooral de tenorrol van Manrico blijkt heden ten dage moeilijk te bezetten,
maar ook sopraan, bariton en mezzosopraan moeten over uitzonderlijke
vocale kwaliteiten beschikken.
Dat
het voor de Luikse opera moeilijk zou zijn om een volledig bevredigende
bezetting samen te stellen voor deze productie van “Il trovatore” stond in
de sterren geschreven. Maar het uiteindelijke resultaat bleef helaas toch
nog erg beneden onze verwachtingen. Toen we enkele jaren geleden vernamen
dat het echtpaar Daniela Dessi - Fabio Armiliato eerst “Otello” en later “Il
trovatore” zouden zingen in Luik, waren we in de wolken. Beide solisten
hebben uitgebreid hun sporen verdiend in de grote operahuizen en staan er
nog geregeld op de planken. Na de eerder negatieve ervaring met hun
prestatie in “Otello” vorig seizoen (klik hier voor onze recensie) waren de
verwachtingen al een stuk minder gespannen.
Fabio Armiliato,
die we voor het eerst hoorden in de Vlaamse Opera als invaller voor Alberto
Cupido in “Don Carlo”, betaalt duidelijk de tol voor de veel te zware rollen
die hij de laatste jaren aannam. Af en toe, in de meer lyrische passages,
hoor je nog iets van de prachtige lyriek van de beginjaren. Vanaf mezzaforte
klinkt alles geforceerd om dan in de hogere regionen of bij forte te
veranderen in een soort gehuil. Het was dan ook geen verrassing dat
Armiliato bij zijn cabaletta in het derde bedrijf al volledig uitgezongen
was en compleet de mist in ging. Afgaande op wat we in Luik hoorden, denken
we dat de carrière van de man geen lang leven meer beschoren is.
Elke
zanger bereikt een moment dat zelfs een uitstekende zangtechniek,
stijlgevoel en ervaring niet meer volstaan om een verouderde stem onder
controle te houden.
Daniela Dessi, die ook mevrouw Armiliato is, heeft dit moment duidelijk
bereikt. De stem klinkt ondertussen onaangenaam scherp, de coloraturen
(nochtans niet zo talrijk aanwezig in deze opera) onprecies en de hoogte
onvast. De zangeres doet merkbaar haar best om iets van haar rol te maken,
maar met een stem als een ruïne is dit onmogelijk.
De andere rollen waren een stuk beter bezet.
Giovanni Meoni,
die vorig jaar Jago zong, is een ook vocaal geloofwaardige Graaf Luna en zijn
aria “Il balen” was, ondanks enkele problemen in de hoogte, het mooiste
moment van de voorstelling.
Ann McMahon Quintero was eveneens goed in de rol van Azucena, eigenlijk
de belangrijkste figuur in de opera. Luciano Montanaro was een
lovenswaardige Ferrando.
Zoals steeds
was het Orkest van de Opéra
Royal de Wallonie goed op dreef onder de
leiding van haar chef dirigent Paolo Arrivabeni, die het maximum aan
klankschoonheid en dramatiek uit deze schitterende partituur wist te halen.
Ook uitstekend was het koor van de Waalse Opera. De regie van Stefano
Vizioli beperkte zich tot het scheppen van de juiste sfeer - wat in het
geval van "Il trovatore" voldoende is, Verdi's muziek doet de rest.
We kunnen niet anders dan onze teleurstelling uitdrukken na het zien van
deze “Il trovatore”.
Er zijn nog voorstellingen op 23, 27 september en 1 oktober 2011 in het Palais Opéra
Liège.
H.D. (Gepubliceerd op 20 september 2011)
Foto's van boven naar onder:
1) Ann McMahon Quintero als Azucena en Fabio Armiliato als Manrico.
2) Daniela Dessi als Leonora en Fabio Armiliato als Manrico.
3) Luciano Montanaro als Ferrando, Ann McMahon Quintero als Azucena en
Giovanni Meoni als Luna.
Copyright foto's © Jacques Croisier.
TERUG NAAR KEUZELIJST BELGIË
![]()
Van
20 tot en met 23 oktober 2011 had in Luik het eerste “Festival
du Voorire” plaats. In niet minder dan veertien zalen vonden allerlei
humoristische toneelstukken, concerten en andere activiteiten plaats. De
Opéra Royal de Wallonie leverde haar bijdrage met een concert door de
Italiaanse basbariton Bruno Pratico dat op 22 oktober doorging in het
“Palais Opéra”.
Bruno Pratico heeft zich doorheen de jaren geprofileerd als één van de
belangrijkste buffo bassen. Hij trad in zowat alle grote theaters op in
opera’s van vooral Rossini en Donizetti. Hij is ook een graag geziene gast
op het jaarlijkse Rossini Opera Festival in Pesaro waar hij al jaren één van
de vaste waarden is. Hij onderscheidt zich daarbij niet alleen door zijn
komisch talent, maar ook door vocale mogelijkheden die duidelijk het niveau
heeft van de baritons-op-leeftijd die vaak in dergelijke rollen gecast worden.
Onder de titel “Vizi d’arte” geeft hij ook komische muzikale conférences.
Welke componist is beter geschikt voor een humorvol programma dan
Gioacchino Rossini? Hoewel hij in zijn tijd vooral gekend was voor zijn
ernstige composities, herinnert het moderne publiek zich vooral zijn komische
meesterwerken zoals “Il barbiere di Siviglia” “La cenerentola” en
“L’Italiana in Algeri”. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat het Luikse
programma volledig gevuld werd met muziek van de Italiaan. Tijdens het
eerste deel hoorden we aria’s uit de eerste twee vermelde opera’s en uit “La
gazzetta”. Na de pauze was het dan de beurt aan een aantal “Péchés
de Vieillesse”, korte liederen die Rossini aan het einde van zijn
carrière schreef voor de Parijse salons.
Bruno Pratico, die zich verplaatste met behulp van krukken, verkeerde vocaal
in een goede dag. Hij had geen probleem om het grote auditorium van het
Palais Opéra te vullen zonder dat dit ten koste ging van de nodige nuancen.
Dit maakte dat we het concert vanuit muzikaal oogpunt (ook mooie begeleiding
van pianist Babic Dragan) zeker geslaagd vonden. Maar tegelijk bleven we, wat
het komische aspect betreft, wat op onze honger zitten. De aria’s in het
eerste deel passen schitterend in de humoristische setting van een
voorstelling, maar hebben op zichzelf staand heel wat minder te zeggen, zeker wanneer
ze uitgevoerd worden zonder boventiteling en voor een zaal die voor een
groot deel gevuld is met mensen die je normaal niet in een operatheater
terugvindt. Na de pauze leek de voorstelling dan eindelijk van de grond te
komen: Pratico wisselde een paar keer van vermomming en kon met zijn bekende
bekkentrekken en komische danspasjes het publiek op de hand krijgen. Vooral
zijn interpretatie van “le chant du bébé” was onvergetelijk. Net toen we er
zin in begonnen te krijgen bleek het concert al voorbij. Het deel na de
pauze had dan zowaar… vijftien minuten geduurd ! Ook de twee korte
bisnummers konden er niets aan veranderen dat we toch vonden dat Pratico
zich net iets te gemakkelijk van de zaak afmaakte. Zeker omdat het eerste
deel ook maar vijfentwintig minuten geduurd had.
Al bij al een muzikaal zeker bevredigende avond, maar veel te kort om ons
geestdriftig te maken.
H.D. (Gepubliceerd op 24 oktober 2011)
TERUG NAAR KEUZELIJST BELGIË
![]()
Opera
van
Richard Wagner (muziek en libretto). Gecreëerd te Dresden op 2 januari
1843. Bijgewoonde voorstelling door de Opéra Royal de Wallonie in het Palais
Opéra de Liège op 27 november 2011.
Ooit
kregen wij in opvoeringen van “Der
fliegende Holländer” Senta pas te zien in de tweede akte. Welke
regisseur voor het eerst op het idee kwam om het verhaal te laten afspelen
als een droom van de geestelijk gestoorde Senta en haar al in beeld te
brengen in de ouverture, kunnen wij niet met zekerheid achterhalen, maar wij
vermoeden dat het Harry Kupfer is, voor de Bayreuther productie van 1978.
Het is in elk geval al decennia geleden en sindsdien hebben tientallen
regisseurs hetzelfde concept tot in den treuren herhaald. Zo ook Petrika
Ionesco bij deze opvoering te Luik. De man is afkomstig uit Roemenië, het
land waar ook de legende van Dracula vandaan komt. Wij waren dan ook niet
écht verbaasd dat wij tijdens de ouverture al een bijzonder macabere show
mochten bijwonen.
Na enkele maten van de ouverture opende het doek al voor een decor dat ons
onmiddellijk aan Tim Burton’s “The nightmare before Christmas” deed denken.
Een klein kerkhof, waar de lijken uit de graven kropen en waar Senta en
andere personages gejaagd en doelloos over de scène liepen. Het decor bleek
bijzonder ingenieus en efficiënt te zijn toen het bij het einde van de
ouverture tot een schip omgetoverd werd en de omliggende gebouwen in een
minimum van tijd verborgen werden achter panelen waarop een woeste zee
geprojecteerd werd.
Patrika Ionesko toverde daarna nog meer trucjes uit zijn mouw: het podium
zelf werd op verschillende momenten opgehesen om ons naar een duistere
onderwereld te verplaatsen, waar allerlei macabere taferelen uitgebeeld
werden die nog amper iets met de vliegende Hollander te maken hadden.
Marc
Rucker, die te Luik al zijn sporen verdiende als Nabucco en Macbeth, maakte
zijn debuut als de Hollander. Hij imponeerde door zijn kernachtige
voordracht en een sonore baritonstem die blijkbaar geen problemen kent in de
hoge regionen. Zijn timbre is iets te licht naar onze smaak, waardoor het
onheilspellende van het personage niet echt tot zijn recht kwam. Ook zijn
dictie is voor verbetering vatbaar!
Manuela Uhl wist ons als Senta meer te bekoren. Het is een lichte
dramatische sopraan met een trefzekere hoogte, mooie piano’s, een
instinctieve muzikaliteit en de juiste Duitse zangcultuur. Ook Alastair
Miles was genietbaar als Daland, al verkiezen wij in deze rol een bas met
meer kruim. De tenor Corby Welch moest heel wat kracht leveren om de
ondankbare partij van Erik wat leven in te blazen. Joëlle Charlier en Yuri
Gorodetski vervolledigden de bezetting als een norse Mary en de luisterrijke
stuurman.
Over de muzikale leiding van Paolo Arrivabeni hebben wij onze bedenkingen.
Hij zweepte het orkest en het versterkte koor op tot een enorme kracht in
het matrozenkoor van de derde akte, maar hij viel bijna stil op cruciale
momenten als de monoloog van de Hollander in de eerste akte en zijn duo met
Senta in de tweede akte. Wij kunnen ons niet herinneren dit prachtige duo op
een zo langzaam tempo, op een zo uitgekauwde, welhaast levenloze manier te
hebben horen uitvoeren. Bij momenten hadden wij wel willen roepen: “Tempo,
tempo Maestro!”
Deze
opvoering levert eens te meer het bewijs dat de juiste dirigent voor een
opera van Wagner primordiaal is. Zelfs voor een jeugdwerk als “Der fliegende
Holländer”. Ondanks de degelijke solisten, ondanks de regie die onze
aandacht steeds gespitst hield, bracht deze voorstelling ons niet op het
puntje van onze stoel.
Er zijn nog voorstellingen op 29 november, 1 en 3 december 2011.
G.M. (Gepubliceerd op 29/11/2011)
Foto’s van boven naar onder:
1) Marc Rucker als de Hollander en Manuela Uhl als Senta.
2) Het versterkte koor in de derde akte.
3) Vooraan: Manuela Uhl als Senta. Achteraan: Yuri Gorodetski als de
stuurman met matrozenkoor.
Copyright foto’s © Jacques Croisier.
TERUG NAAR KEUZELIJST BELGIË
![]()