OPERA GAZET
![]()
Moet
de formule van de “concerti di belcanto” niet herbekeken worden? Niet enkel
wekt de naam valse verwachtingen - we schreven dit al vaker in het verleden
– maar ook de interesse van het publiek lijkt jaar na jaar af te nemen.
Natuurlijk, het programma van deze recitals is meestal nog niet vrijgegeven
wanneer de reservatie aanvangt en soms is zelfs de naam van de solisten op
dat moment nog niet bekend. Maar waar in de wereld kan men solisten van dit
niveau horen voor 20 euro? Hoe dan ook, het aantal lege plaatsen neemt
stilaan zorgwekkende proporties aan.
We
woonden dit jaar in het Auditorio Pedrotti twee van de vier “Concerti di
belcanto” bij. De Italiaanse mezzosopraan
Marianna
Pizzolato beet op 13 augustus de spits af met een concert dat bijna
volledig gewijd was aan barokmuziek. We kennen deze fijne zangeres al enige
tijd, van bij haar debuut met de Accademia Rossiniana enkele jaren geleden.
Sinds die tijd hebben we de artieste gestadig zien groeien in rollen als
Tancredi, Isabella (“L’Italiana in Algieri”) en Angelina (“La Cenerentola”).
Ook in België is Pizzolato al lang geen onbekende meer met optredens in Luik
(we denken vooral aan haar prachtprestatie als Maffio Orsini in de
concertante uitvoering van “Lucrezia Borgia” enkele jaren geleden) en de
Vlaamse Opera.
Nu zijn we nooit erg geboeid geweest door barokmuziek en dit concert heeft
daar niets aan veranderd. Maar we moeten toegeven dat Pizzolato zich in dit
repertoire beweegt als een vis in het water. Een schitterend timbre, een
stem ondersteund door een vrijwel perfecte techniek en een onfeilbare
muzikaliteit maken van deze zangeres de ideale vertolkster voor deze muziek
van Händel, Pergolesi en Monteverdi. En toch, bij de bisnummers “Cruda
sorte” uit “L’Italiana in Algieri” en “Di tanti palpiti” uit “Tancredi” leek
het publiek te ontwaken uit een soort sluimerslaap waarin het tot dan
verkeerd had - uiteindelijk waren het dan ook vooral deze nummers die het
succes van het concert bepaalden.
Op
16 augustus was het dan de beurt aan de Russische tenor
Dmitry Korchak om
zijn opwachting te maken. Hij koos voor een gans ander programma. Het eerste
deel van zijn concert bestond uit romances van Rachmaninov die met een
voorbeeldig inlevingsvermogen gebracht werden. We konden, meer nog dan bij
de opvoering van “Mosè in Egitto”, genieten van een van de betere
tenorstemmen van het moment, geschroeid op een goeie techniek en egaal in
alle registers. Bovendien vonden we ook de stemkleur mooier dan tijdens die
opera, vermoedelijk omdat deze muziek minder coloraturen en hoge noten
bevat, waardoor de zanger meer ontspannen zijn ding kon doen.
Bij het tweede deel van het programma hadden we wat meer bedenkingen. De
liederen van Rossini vragen een andere, meer lichtvoetige benadering dan de
muziek van Rachmaninov. Zonder afbreuk te willen doen aan de vocale
capaciteiten van deze nog jonge zanger, vonden we zijn vertolking veel te
gechargeerd, wat eigenlijk in contrast stond met de meer luchtige
begeleiding van Alexander Pokidchenko. Het recital van Korchak zal ook de
geschiedenisboeken in gaan als één van de kortste in zijn soort. Na vijftig
minuten, inclusief één erg kort bisnummer, stonden we al weer op straat.
Waar is de tijd dat zangers als Désirée Rancatore ons vergastten op bijna
twee uur muzikaal genot?
H.D. (Gepubliceerd op 18/8/2011)
Foto's van boven naar onder:
1) Marianna Pizzolato als Angelina in "La Cenerentola" (2010) (Copyright
foto © ROF)
2) Dmitry Korchak.
TERUG NAAR KEUZELIJST ITALIË
![]()
Farse
comica in één bedrijf van
Gioacchino Rossini op een tekst van Giuseppe Foppa. Het werk kende zijn
première op 9 mei 1812 in het Teatro “San Mosè” te Venetië. Op 18 augustus
2011 woonden we een uitvoering bij in het Teatro Rossini te Pesaro.
Naast
twee nieuwe producties van “Adelaide di Borgogna” en “Mosè in Egitto” stond
ook een herneming op het programma van het Rossini Opera Festival. De
productie van “La
scala di seta” uit 2009 werd opnieuw opgevoerd met een overwegend andere
bezetting. Enkel Paolo Bordogna werd weerhouden, de logica zelve want het
regieconcept is voor een groot deel rond hem gebouwd.
Opnieuw
vonden we de productie erg levendig en geslaagd, hoewel het “nieuwe” er
ondertussen wat af was, temeer omdat we ondertussen nog werk van Michieletto
zagen
waarbij hij dezelfde techniek gebruikt. Op de grond van de bühne was de
plattegrond getekend van een appartement. Door een grote, schuin opgestelde
spiegel was deze plattegrond ook voor het parterrepubliek zichtbaar.
We
vonden deze uitbeelding zeer goed: op die manier werd het toneel voor de
personages ingedeeld in verschillende ruimten en waren ze voor elkaar,
ondanks de afwezigheid van muren, toch onzichtbaar. Het enige dat door
overmatig gebruik wat stoorde, was het voortdurend openen en sluiten van
fictieve deuren. De plattegrond werd dan aangevuld met moderne meubels. De
sterke personenregie werd erg traditioneel gevoerd en de aanwezige gags
werden met mate en meestal met goede smaak gebracht.
Het grote verschil met twee jaar geleden zit in de levendige, geëngageerde
vertolking van het Orchestra Sinfonico G. Rossini onder de leiding van de
jonge dirigent José Miguel Pérez-Sierra. Hij laat de muziek sprankelen en
leidt zijn orkest en de solisten met vaste hand. Een groter contrast met de
apathische Claudio Scimone in 2009 is niet denkbaar.
Dergelijk
enthousiasme stimuleert natuurlijk ook de solisten zodat we ook daar een
globaal gezien betere indruk kregen dan vorige keer. Meest opvallend daarbij
was de jonge Argentijnse tenor
Juan Francisco Gatell die niet alleen een sexy, maar ook een vocaal goed
gestoffeerde en hoogtezekere Dorvil neerzette. Hij vormde een ideaal koppel
met de Giulia van de Israelische sopraan
Hila Baggio die,
ondanks wat minder zuivere hoge noten, zeker niet moest onderdoen voor haar
collega uit 2009.
Simone
Alberghini heeft niet het volume van Carlo Lepore maar bracht zijn rol,
aangevuld met de aria “Alle voce dell’amore”, met aplomb. José Maria Lo
Monaco was een pikante Lucilla en maakte van deze kleine rol wat ze kon.
Centrale figuur gedurende de ganse voorstelling was echter de dolkomische
Germano van de Italiaanse bariton
Paolo Bordogna.
Het is steeds een plezier deze rol, die vaak gezongen wordt door zangers die
over hun hoogtepunt heen zijn, te horen vertolken door een zanger die op de
top van zijn kunnen is. Zonder te zeggen dat zijn stem van uitzonderlijke
kwaliteit is. De zanger heeft een bijzonder gevoel voor timing en humor, al
vonden we dat zijn “acts” in deze “La scala di seta” soms van het goede iets
te veel waren. De aandacht van het publiek met een soort slapstickoptreden
afleiden van de collega’s die zingen, lijkt ook niet zo collegiaal.
In elk geval een mooie voorstelling die wat ons betreft muzikaal het niveau
van de eerste reeks overtrof.
H.D. (Gepubliceerd op 21 augustus 2011)
Foto's van boven naar onder:
1) Paolo Bordogna als Germano en Hila Baggio als Giulia.
2) Juan Francisco Gatell als Dorvil, Hila Baggio als Giulia, Simone
Alberghini als Blansac en Paolo Bordogna als Germano.
3) José Maria Lo Monaco als Lucilla en Simone Alberghini als Blansac.
Copyright foto's © Rossini Opera Festival.
TERUG NAAR KEUZELIJST ITALIË
![]()