OPERA GAZET

EDUCATIEF

WAT IS EEN OPERA?

Oscar Bie begon zijn standaardwerk over de opera met de zin "Die Oper ist ein unmögliches Kunstwerk".  Desondanks heeft "opera" vier eeuwen stand gehouden en heeft het zich bovendien constant verjongd.
Operazaal Laten wij eerst definiëren wat wij onder een "opera" verstaan.  Het woord zelf is al paradoxaal: een meervoud dat een enkelvoudig iets aanduidt, en dat in alle talen ter wereld . De juiste term is "Opera in Musica", een muzikaal werk dus.  Een benaming die theoretisch op ieder muziekwerk van toepassing zou kunnen zijn.  Dat het woord "opera" uit deze benaming een zelfstandig naamwoord werd is op zichzelf al onlogisch.
Wij verstaan er een toneelstuk onder waarin de tekst gezongen in plaats van gesproken wordt, begeleid door een orkest.  Het toneelelement is fundamenteel.  Indien dit ontbreekt wordt het werk een oratorium. Muzikaal is er weinig verschil tussen, bijvoorbeeld, de oratoria van Händel en diens opera's.  De zang is echter nog fundamenteler.  Indien de tekst gesproken zou worden, zelfs tegen een orkestrale achtergrond, dan zou het werk tot de toneelliteratuur gerekend worden.
De opera is een kunstvorm waaraan alle kunsten samengewerkt hebben: de muziek, de dichtkunst, de architectuur, de beeldhouwkunst, alle hebben er een onmisbare functie in.
Natuurlijk is er een oneindige verscheidenheid aan opera's.  Er zijn er met gesproken dialogen, met recitatieven en doorgecomponeerde. Er zijn er waarin de handeling slechts een excuus is tot virtuoze zangprestaties en er zijn er waarin het muzikale zwaartepunt in het orkest ligt.  Er zijn dramatische opera's en komische, en het is foutief de laatste "operettes" te noemen.  Die kunstvorm is een jongere dochter van de opera.

ONTSTAAN VAN DE OPERA

Claudio MonteverdiDe opera ontstond op het eind van de zestiende eeuw in Florence.  De Italiaanse bodem was er vruchtbaar voor.  Gedurende de middeleeuwen werden er kerkelijke spelen opgevoerd waarin de muziek reeds een grote rol speelde, maar waarin het solistische element (zo karakteristiek voor de opera) nog ontbrak.  Reeds in de eerste werkelijke opera die ooit gecomponeerd werd Jacopo Peri's "Dafne" was dit aanwezig.  En daarmee kreeg de hele vocale muziek een nieuwe vorm.  Voordien was zij voornamelijk polyfoon geweest.  Toen echter een aantal kunstenaars en geleerden, die zich de "Camerata" noemden, ging pogen tot een imitatie der Griekse toneelspelen te komen, ervoer men dat een andere stijl gevonden moest worden.  Men bezon zich dat Griekse wijsgeren als Plato en Aristoxenus schreven dat de spraak de grondslag der muziek moest zijn.  Een nieuwe -solistische- stijl van zingen ontstond, de "stilo rappresentativo" die wij nu het "recitatief" noemen.
De eerste opera's waren dan ook in deze stijl geschreven.  De muziek diende om het woord te verduidelijken en te ondersteunen.  In latere tijden is dat niet altijd het geval gebleven.  Periodes wisselden elkaar af waarin nu eens het woord, dan weer de muziek de boventoon voerde, terwijl te allen tijde de juiste uitbalancering als ideaal gegolden heeft.
L'Orfeo De eerste opera's waren feitelijk merkwaardige reconstructies van Griekse drama's.  Zo conservatief is het menselijk ras, dat men niet spoedig met een traditie kan breken.  Het zou bijna twee eeuwen duren voor men andere figuren dan oude Grieken en Romeinen op het operatoneel zou tegenkomen.  Het aantal onderwerpen was dan ook beperkt, en men greep steeds weer op dezelfde terug.  In dit verband is het merkwaardig dat de Orpheus legende, de triomf der kunst op de duistere machten der onderwereld, meer dan een eeuw voor het ontstaan van de operavorm, al diende tot onderwerp voor een "Favola di Orfeo", een werk van een zekere Angelo Poliziano, dat omstreeks 1475 in Mantua werd opgevoerd en waarvan alleen de tekst bewaard gebleven is.
De "Camerata" kwam bijeen ten huize van graaf Bardi in Florence.  Bij hun reconstructie van Griekse treurspelen ging men merkwaardig te werk.  In plaats van het werk te vertalen liet men een der leden een geheel nieuwe Italiaanse versie maken, die door een ander lid op muziek gezet werd.  Men was namelijk -overigens ten onrechte- de mening toegedaan dat de Grieken hun drama's niet gesproken maar gezongen hadden.
De eerste opera wordt geacht "Dafne" geweest te zijn, van de dichter Ottavio Rinuccini, en de componist Jacopo Peri, in 1594.  Dit werk is verloren gegaan.  Giulio Caccini componeerde later op dezelfde tekst.  De oudste componist wiens werken geregeld tot uitvoering komen is Claudio Monteverdi, wiens "Orfeo" uit 1608 wel de oudste opera in het huidige repertoire is.  Hoewel hij van 1567 tot 1643 leefde, is van zijn grote aantal opera's slechts een vijftal volledig bewaard gebleven.  In 1637 pas werd in Italië de eerste publieke operaschouwburg geopend. Voordien werden de werken alleen bij bijzondere gelegenheden in paleizen of in open lucht opgevoerd.
Jean-Baptiste LullyBuiten Italië was de nieuwe kunstvorm nog niet doorgedrongen.  Het had weinig gescheeld of Nederland had de eerste opera-satelliet-staat kunnen worden.  Constantijn Huygens leerde de opera in Venetië kennen, correspondeerde met Monteverdi, en had het plan een Nederlandse opera te schrijven.  De bodem hiervoor zou in Amsterdam bijzonder gunstig geweest zijn, kort na Sweelinck, en ten tijde van Vondel en Brederode... Het heeft niet zo mogen zijn.
Het eerste land waar nu de opera wortel schoot na Italië was Frankrijk.  Hier stichtte Lodewijk XIV de "Academie de Musique et de Danse" in 1671, nadat kardinaal Mazarin al sinds 1645 gepoogd had de Italiaanse opera daar in te voeren.  Het was de Italiaan Jean-Baptiste Lully die de grondvester van de Franse opera werd, welke direct een geheel eigen stijl en karakter kreeg.  Door de persoonlijke voorliefde van de koning kreeg het element van de dans hier een veel grotere rol dan in Italië het geval geweest was.  De specifiek Franse opera seria werd voortgezet door Jean-Philippe Rameau, waarna de Duitser Christoph Willibald Gluck er zijn sterk persoonlijke stempel op zette.
Waar de opera toch een zo paradoxale kunst is, hoeft de paradox niet te verwonderen dat het traditie werd dat ook later de Franse opera door buitenlanders werd beheerst (Cherubini, Spontini, Rossini, Meyerbeer, de operette door Offenbach) en dat zij toch een zo uitgesproken nationaal karakter kreeg.

OPERA SERIA EN OPERA BUFFA

Venetië ten teide van MonteverdiIn Italië was de opera inmiddels tot hoge ontwikkeling gekomen.  Reeds bij Monteverdi was de muziek gaandeweg het doel van de opera geworden, terwijl deze aanvankelijk slechts een ondersteuning van het woord beoogde te zijn.  Het was in 1637 dat het eerste publieke operatheater geopend werd, het Teatro San Cassiano in Venetië.  In de daarop volgende zestig jaar werden alleen in Venetië al zestien verdere operatheaters geopend.  Het publiek veranderde van karakter, en de muziek richtte zich daarnaar.  De recitatiefstijl ontwikkelde zich onder Monteverdi's opvolgers Francesco Cavalli en Pietro Antonio Cesti tot de ariavorm.  De handeling (en de recitatieven) werden slechts het doel om tot deze vocale hoogtepunten te geraken.  Deze stijl bereikte zijn hoogtepunt bij Alessandro Scarlatti en Georg Friedrich Händel.
Georg Friedrich Händel Gedurende de gehele zeventiende en het grootste deel van de achttiende eeuw bleef de opera een volkomen klassiek gelaat bewaren.  De onderwerpen waren beperkt tot de Romeinse en Griekse mythologie en geschiedenis, en daardoor gebeurde het dat soms zelfs woordelijk dezelfde teksten (o.a. van Metastasio) steeds weer opnieuw getoonzet werden.  Daarbij verstikte de "opera seria" gaandeweg in zijn eigen strenge regels.  De klassieke handeling moest absoluut een gelukkig einde hebben (vandaar het merkwaardige slot van Glucks reform-opera "Orphée", in volkomen tegenstelling met de legende).  Het aantal solozangers was voorgeschreven, en ieder van hen had een bepaald aantal aria's te zingen.  Ook het karakter van die aria's was nauwgezet voorgeschreven: een liefdesaria, een haataria, enz.  Alleen op het einde van een akte kwam een duet voor, en op het eind van een opera een trio.  De mannelijke hoofdrollen werden onveranderlijk vervuld door castraten (hetzij sopranen of alten), die het doorgaans beneden hun waardigheid vonden te acteren.  De tenoren zongen de rollen van veldheren en tirannen.  De bassen hadden een zeer ondergeschikte rol, doorgaans van hogepriesters (hetgeen nog zeer lang een specialiteit van deze stemsoort zou blijven.)
Een reactie op deze verstarring kon niet uitblijven.  In Napels ontstond de "opera buffa", waarvan Nicola Logroscino (omstreeks 1700 - 1763) de eerste meester was, gevolgd door de jong gestorven Giovanni Battista Pergolesi.  Ook deze werken bestonden uit recitatieven waarin de handeling doorliep, en aria's als muzikale hoogtepunten.  Maar hun inhoud was gebaseerd op kluchten die in de toen moderne tijd speelden.  In plaats van halfgoden en antieke helden kreeg het publiek eindelijk mensen van vlees en bloed, een afspiegeling van zichzelf ten tonele voorgezet.  En de muziek der oude Napolitaanse opera buffa grensde dicht aan het volks- en zelfs aan het straatlied.  De nieuwe kunstvorm werd na Napels het eerst populair in Venetië, en veroverde daarna heel Italië.  Het was aanvankelijk de gewoonte dat deze komische werkjes als intermezzi tussen de bedrijven van een grote opera seria door werden opgevoerd.  Pergolesi's "La Serva Padrona" is een ideaal voorbeeld van zo'n dubbele pauzevulling.  Gaandeweg echter gaf het publiek zijn voorkeur aan de lichtere muze, en werden avondvullende opera buffa's geschreven.
In 1752 veroverde de opera buffa Parijs, waar overigens Rameau drie jaar eerder al een komische opera ("Platée") in opera-seria-vorm had geschreven.  Rousseau adopteerde de nieuwe stijl naar Franse leest, en uiteindelijk zou de operette een aftakking hiervan worden.
De opera seria werd in de volgende decaden door Gluck hervormd.  Hij schafte o.a. het recitativo secco (recitatief alleen door een klavecimbel begeleid) af en verving het door het recitativo accompagnato.

DE OPERA IN DUITSLAND EN OOSTENRIJK

W.A. MozartIn Duitsland kwam de opera pas veel later tot bloei, hoewel de keurvorst van Saksen al in 1627 aan Heinrich Schütz de opdracht gaf een vertaling van Rinuccini's "Dafne" te componeren.  Hierdoor deed zich het merkwaardige toeval voor dat de eerste opera en de eerste niet-Italiaanse opera hetzelfde libretto hadden.  Het eerste operahuis in Duitsland was dat van Hamburg, waar Reinhard Keiser meer dan honderd werken voor schreef.  In tegenstelling met Frankrijk bleef de zuiver Italiaanse opera in Duitsland en Oostenrijk naast de nationale werken haar terrein behouden.  Gluck schreef zijn werken Italiaans en Frans, Haydn zijn opera's uitsluitend Italiaans, terwijl Mozart zowel Italiaanse als Duitse werken schreef.  Waar in de achttiende (en een groot deel van de negentiende) eeuw de componisten hun opera's voor bepaalde theaters en gezelschappen schreven, vinden wij de theatertoestanden van hun tijd in hun werken weerspiegeld.  Toen keizer Joseph II een korte tijd aan zijn hoftheater experimenteerde met een Duits gezelschap, schreef Mozart zijn Duitse "Entführung aus dem Serail" (1782).  Dit is de oudste Duitse opera die repertoire gehouden heeft, en tevens direct een van de grootste meesterwerken van alle tijden.  Toen later hetzelfde theater weer door een Italiaans gezelschap bespeeld werd, schreef Mozart er in die taal zijn "Le Nozze di Figaro" voor.  Mozart beleefde nog juist de laatste jaren van de opera seria.  Behalve enkele in Italië geschreven jeugdwerken, componeerde hij twee volwaardige opera seria, waarvan "La Clemenza di Tito" zelfs zijn laatste operacompositie was.  Hier kwamen zelfs nog castraatrollen in voor, maar het is karakteristiek dat hij één daarvan in een latere versie voor tenor omwerkte.  Bij Mozart krijgen de muzikale ensembles een grotere betekenis.  In "Idomeneo" schreef hij zelfs een kwartet midden in een akte, dwars tegen de strenge seria regels in!  Het aantal duetten, trio's en kwartetten wordt aanzienlijk groter, de handeling loopt nu ook in de muzikale nummers door, en niet alleen in het secco-recitatief, en de basstem begint zich te emanciperen.  Hoofdrollen als Don Giovanni en Figaro werden daarvoor geschreven, iets wat bij Händel ondenkbaar geweest zou zijn.  De elementen van de opera seria en de opera buffa beginnen zich te vermengen.  "Don Giovanni" wordt door Mozart een "Dramma giocosa" genoemd.  Figuren als Donna Anna, Don Ottavio en de Commendatore stammen regelrecht van de opera seria af, Zerlina, Masetto en Leporello van de opera buffa.  Samen scheppen zij een geheel nieuwe wereld.

Deze bladzijden werden grotendeels ontleend aan "Elseviers Groot Operaboek" van Leo Riemens. (Uitgave van 1959).
Volgende bladzijde

TERUG NAAR KEUZELIJST EDUCATIEF