OPERA GAZET

EDUCATIEF

DE OPERA IN DE NEGENTIENDE EEUW

DE OPERA IN ITALIË IN DE NEGENTIENDE EEUW

Mozart's Italiaanse opera's zijn pas laat in Italië gewaardeerd geworden.  In zijn tijd werd hij daar verre overvleugeld door figuren als Giovanni Paisiello en Domenico Cimarosa.  Luigi Cherubini en Gasparo Spontini volgden het voorbeeld van Lully en Gluck en togen naar Parijs.  Hun werken waren weer een reactie op de luchtigheid van Paisiello en Cimarosa.  Reeds door hun stof herinneren zij sterk aan de opera seria ("Medea", "Anacreon", `"La Vestale", enz.) maar de starre regels van dat genre zijn nu afdoende doorbroken en in de dramatische opera is voor het secco-recitatief geen plaats meer.  In de opera buffa houdt het langer stand, waarbij aangetekend moet worden dat deze recitatieven iets karakteristiek Italiaans zijn.  In Frankrijk en Duitsland werden zij vervangen door gesproken dialogen, hetgeen men reeds bij Mozart kan opmerken (recitatieven in zijn Italiaanse werken, dialogen in zijn Duitse).
Gioacchino Rossini De eerste grote figuur der negentiende eeuw was Gioacchino Rossini.  Hij begon als meester van de korte komische opera, die reeds direct belangrijke innovaties aanbracht.  In het orkest was hij de emancipator van de hoorn, terwijl van de zangers vooral de basso profondo reden tot dankbaarheid jegens hem bezit.  Gaandeweg toonde hij zich een even groot meester in het dramatische genre, vooral in de jaren waarin hij in Parijs werkzaam was.  Parijs was gedurende de gehele achttiende en negentiende eeuw het culturele centrum van de wereld.  Alle grote kunstenaars werden er magnetisch heen getrokken en velen van hen droegen er toe bij de Franse opera te verrijken.  Zo ook Rossini, die eerst enkele van zijn Italiaanse werken aan de Franse smaak aanpaste, maar ten slotte twee werken schreef die voor het latere verloop van de Franse opera van groot belang geweest zijn.  Zijn "Le Comte Ory" is de regelrechte voorloper van Offenbach, en zijn "Guillaume Tell" de eerste grote romantische historische opera, nadat Spontini en Cherubini deze klassiek hadden voorbereid.  Helaas eindigt zijn operacarrière met dit werk, hoewel hij toen pas op de helft van zijn leven stond.
Gaetano Donizetti Zijn opvolger was de Siciliaan Vincenzo Bellini, wellicht de grootste melodicus der hele operaliteratuur, die slechts 34 jaar geworden is, maar de Italiaanse opera zijn speciale romantische karakter gaf.  Gaetano Donizetti liet een enorm oeuvre achter, waarvan tot voor kort slechts enkele werken op het repertoire voorkwamen.  De laatste tijd echter worden meer en meer vergeten opera's van hem ontdekt, waarbij blijkt dat zijn status als een dramatisch componist veel hoger is dan men gedacht had.  Nog terwijl hij op zijn hoogtepunt stond kwam Giuseppe Verdi's ster op.
Verdi beheerste de tweede helft der negentiende eeuw zo volkomen, dat vrijwel niemand zich naast hem heeft kunnen handhaven.  Des te opvallender zijn uitzonderingen als Arrigo Boito's geniale "Mefistofele" en Amilcare Ponchielli's "La Gioconda", terwijl ook de Braziliaan Gomes niet over het hoofd gezien mag worden.  Verdi begon zijn loopbaan met werken in de stijl van Donizetti en zelfs Rossini ("Un Giorno di Regno"), maar vond zijn eigen stijl reeds in "Nabucco".  Van dat ogenblik af heeft hij zich zelf nooit herhaald, tot zijn scheppen culmineerde in de ongeëvenaarde meesterwerken "Otello" en "Falstaff".

DE OPERA IN FRANKRIJK IN DE NEGENTIENDE EEUW

Giacomo MeyerbeerHet succes van Rossini's historische opera "Guillaume Tell", dat parallel liep met de voorliefde voor de historische roman die in die tijd door sir Walter Scott in zwang gekomen was, werd gevolgd door Meyerbeer, die het genre tot in de uiterste consequenties doorvoerde.  Ook Halévy was een meester op dit terrein.  Zo groot was hun invloed dat zelfs Verdi voor Parijs opera's van deze dimensie en in deze stijl geschreven heeft ("Don Carlos", "Les Vêpres Siciliennes").  Zelfs puur Italiaanse werken als "Aida" hebben sterk de Parijse Meyerbeer-invloed ondergaan.  In Duitsland schreef Richard Wagner zijn "Rienzi" eveneens als "Grand Opéra".
Op het terrein van de Opera Comique maakten figuren als Daniel François Esprit Auber (die ook een grote historische opera schreef: "La Muette de Portici"), François Adrien Boiëldieu en Adolphe Adam zich verdienstelijk, tot het genre omstreeks het midden der eeuw twee andere richtingen uitging: naar de operette van Jacques Offenbach, en naar de doorgecomponeerde karakteropera van Georges Bizet en Jules Massenet.
Daar de historische opera gaandeweg euvelen kreeg die aan de opera seria herinnerden, kon een reactie niet uitblijven.  Deze werd ingezet door Charles Gounod, wiens "Faust" weliswaar ook een Grand Opéra werd (hoewel aanvankelijk als Opera Comique geschreven) maar zich toch radicaal in sfeer van zijn voorgangers onderscheidde.  Zijn romantiek is zuiver lyrisch, en hij luidde het tijdperk in der "oeuvres lyriques", gevolgd door Bizet (die reeds elementen heeft van voorloper van het latere "verisme"), door Massenet, en door Gounods tijdgenoot Ambroise Thomas.  In de Opera Comique verdwijnt. het gesproken woord vrijwel geheel, of wordt van een muzikale achtergrond voorzien zoals in Massenet's "Manon" en Leo Delibes' "Lakmé".

DE OPERA IN DUITSLAND IN DE NEGENTIENDE EEUW

Richard WagnerHoewel Duitsland het eerste land was waar de opera wortel schoot, na Italië, is het aantal Duitse werken dat de eeuwen trotseerde tot Richard Wagner's komst opvallend beperkt.  Van Mozart's tijdgenoten wordt alleen een enkel werk van Karl Ditters von Dittersdorf nog wel eens opgevoerd.  Ludwig van Beethoven schreef slechts een enkele opera, die echter tot het standaardrepertoire behoort.  Carl Maria von Weber bracht met zijn "Freischütz" en "Euryanthe" de romantiek in de Duitse opera, maar hij stierf te vroeg om een groot repertoire te kunnen nalaten.  Nog tragischer voor de opera was de vroege dood van Franz Schubert, die slechts enkele minder belangrijke zangspelen naliet, die echter onmiskenbaar zijn dramatische talent aantonen.  Indien hij langer geleefd had zou hij ongetwijfeld in deze richting voortgegaan zijn, en het is niet uitgesloten dat zijn latere opera's zijn liederen geëvenaard zouden hebben.  Zulke gevallen zijn meer bekend.  Ook Richard Strauss was over de veertig toen hij zijn eerste operasucces boekte. Indien hij op Schuberts leeftijd gestorven was zou men hem uitsluitend als symfonicus en liederencomponist gekend hebben.
De enige andere belangrijke figuren in de Duitse opera voor Wagner zijn de beminnelijke Albert Lortzing, wiens komische opera's (met dialoog) nog steeds uitsluitend lokaal gewaardeerd worden in hun land van origine; de ook al te vroeg gestorven Otto Nicolai, die door een enkel werk bekend werd ("Die lustigen Weiber von Windsor") en die voordien vele nu volkomen vergeten Italiaanse werken gecomponeerd had; de kosmopolitische Friedrich von Flotow, wiens "Martha" zo weinig karakteristiek Duits is dat men het werk met evenveel recht tot het Italiaanse repertoire kan rekenen, terwijl het stilistisch het dichtst bij Franse werken van een Boiëldieu en Auber staat; en de momenteel ten onrechte vergeten Heinrich Marschner, die na Weber verreweg de belangrijkste figuur geweest is welke ook grote invloed op Wagner gehad heeft.
Richard Wagner begon min of meer in Marschner's trant te componeren, probeerde toen Meyerbeer te overvleugelen met zijn "Rienzi", maar begon in "Der Fliegende Holländer" zich zelf te vinden, hoewel dit werk (evenals "Tannhäuser" en "Lohengrin") ook nog sterk onder invloed van Weber en Marschner staat.  Zelfs probeerde ook hij Parijs te veroveren met een speciaal aangepaste versie van "Tannhäuser" (door het toevoegen van een ballet).  Zijn verdere werken echter zijn volkomen persoonlijk en werpen een even enorme schaduw op het werk van zijn tijdgenoten als met Verdi's opera's in Italië het geval was.  Van "Tristan und Isolde" af noemt hij zijn werken "Muziekdrama's", naar de idealen van Gluck.  Woord en muziek (hij is zijn eigen tekstdichter) zijn bij hem van evenveel belang.  Hij componeert zijn werken volgens een door hem minutieus uitgewerkt systeem, met "Leitmotiven" voor alle figuren, en zelfs gedachten.  Zijn werken krijgen een lengte die niet voor die van Meyerbeer onderdoet.  Voor zijn "Ring des Nibelungen" heeft hij ten slotte zelfs vier lange avonden nodig.  Daar deze zo revolutionaire werken niet direct in het normale operarepertoire ondergebracht konden worden, stichtte hij zijn eigen Festspieltheater in Bayreuth, waar sinds 1876 vrijwel iedere zomer zijn werken geheel volgens zijn aanwijzingen werden opgevoerd.  Tot zijn kleinzoons in 1951 zijn regievoorschriften radicaal negeerden, en een nieuwe stijl van uitvoering voor zijn werken poogden te vinden.  Wagner's invloed op het verdere verloop van de opera is in alle landen enorm geweest.  Vooreerst werd hij slaafs in zijn theorieën gevolgd, en het is niet verwonderlijk dat deze epigonenwerken na korte tijd geheel vergeten werden.  De enige Duitse componisten der vorige eeuw wier werken zich staande hielden zijn Peter Cornelius (door zijn exquise "Der Barbier von Bagdad" die in 't geheel niet Wagneriaans is), Engelbert Humperdinck (door zijn sprookjesopera's "Hänsel und Gretel" en "Königskinder"), Hugo Wolf (met zijn enige opera "Der Corregidor").

HET VERISME'

Pietro MascagniDe eerste opvoering van Pietro Mascagni's "Cavalleria Rusticana" in 1890 wordt algemeen als de geboorte van een nieuwe en verjongende stroming in de opera gehouden die het "verisme" genoemd wordt. Deze is in de opera de parallel van het realisme dat in de literatuur hoogtij vierde.  Elementen hiervan waren er al eerder geweest, in werken van Verdi en Ponchielli, en vooral ook in Frankrijk, waar de stijl en inhoud der opera's allang veel natuurlijker dan in Italië was, vooral die der opéras comiques.
Het verisme wilde korte en sterke stukken, waarvan de handeling zich min of meer aan de zelfkant van het leven en in de moderne tijd afspeelde.  Aan deze regels voldoen feitelijk alleen enkele der vroegste werken van Mascagni, Ruggiero Leoncavallo, Spinelli en anderen, hoewel Giacomo Puccini nog in 1918 een typisch veristisch opera, "Il Tabarro", geschreven heeft.  Het belang van de verjonging was dat wederom de handeling van de opera belangrijker werd.  Helaas niet direct de tekst.  Zo hevig was deze stroming, dat de reactie vrijwel onmiddellijk intrad.  Het irreële van de opera was moeilijk te combineren met een te felle en realistische handeling, zodat zelfs een Mascagni voor 1900 werken schreef die in volkomen tegenstelling met het "verisme" zijn.  Toch heeft deze richting zijn stempel gedrukt op het werk van alle Italianen tussen 1890 en 1920.  In Frankrijk werd het verisme minder fel dramatisch, maar nog realistischer.  Gustave Charpentier's "Louise" vertegenwoordigt hier deze stijl het meest representatief.  Hoewel men in Duitsland bevangen was door een koorts die men Mascagnitis noemde, heeft het verisme daar nooit vast wortel geschoten.  Slechts Eugen d'Albert's "Tiefland" wist de stijl aan de Duitse opera aan te passen, en het is opvallend hoe dit werk buiten Duitsland nooit populair geworden is.  De volgende richting in Italië was een volkomen tegenovergestelde reactie op de vorige: hoogst poëtische onderwerpen die liefst in een zo romantisch mogelijk, zeer ver verleden speelden. Italo Montemezzi's "Amore dei tre Re", Riccardo Zandonai's "Francesca da Rimini", Mascagni's "Isabeau", Puccini's "Turandot" zijn hier representatief voor.  Uitgangspunt van deze reeks was echter een Frans werk, Claude Debussy's "Pelleas et Mélisande", en Maeterlinck's invloed op de literatuur.

Deze bladzijden werden grotendeels ontleend aan "Elseviers Groot Operaboek" van Leo Riemens. (Uitgave van 1959).
Volgende bladzijdeVorige bladzijde

TERUG NAAR KEUZELIJST EDUCATIEF