OPERA GAZET
![]()
DE OPERA IN DE TWINTIGSTE EEUW
In
Frankrijk vindt men in Jules Massenet een figuur die alle wisselende stijlen het
best weerspiegelt. In zijn jeugd schrijft hij ouderwetse Opéras Comiques,
en historische Grands Opéras met "Hérodiade" en "Le Roi de Lahore".
Hij vertegenwoordigt het lyrische genre met "Manon" en "Werther", en
schrijft een volkomen veristische Franse opera "La Navarraise".
Maeterlinck's invloed is merkbaar in zijn latere "Jongleur de Notre Dame"
en vooral "Griseldis". Gustave
Charpentier en Claude Debussy hebben met één opera elk een invloed gehad die
zich ver over de Franse grenzen uitstrekt: "Louise" en "Pelleas et Mélisande".
Bij de eerste zijn zelfs al surrealistische elementen te herkennen, hoe
naturalistisch zijn werk op het eerste gezicht ook lijkt.
Een nadeel van deze twee werken en hun grote invloed was dat in de Franse
opera het woord weer te veel gaat overheersen, en vooral de zangstem van minder
belang wordt. Muzikaal ligt het
zwaartepunt in het orkest. Waar de
zangers zich steeds aanpassen aan het repertoire (terwijl de oude componisten
schreven voor de zangers) was het resultaat dat de hoge Franse zangcultuur
gaandeweg een dieptepunt bereikte waaruit zij nog niet verlost is. Het is heden
ten dage haast onmogelijk een opera van Rossini of Meyerbeer geheel met Franse
krachten te bezetten, daar men de techniek en stijl hiervoor verloren schijnt te
hebben.
In Italië vertegenwoordigden Giacomo Puccini, Pietro Mascagni en Umberto Giordano de laatste grote generatie van operacomponisten. Na hen zijn er slechts weinig opera's geschreven die repertoire gehouden hebben. Men wacht vergeefs op een nieuwe krachtige figuur die de leiding zal nemen.
Een
dergelijke figuur trad wel in Duitsland op, hoewel hij van dezelfde generatie
was als Puccini en Mascagni.
Richard Strauss had reeds een grote reputatie als symfonisch componist toen hij
op zijn veertigste jaar de opera veroverde.
Hij is een der weinigen die evenals een Verdi, Donizetti, Rossini,
Massenet, Puccini (om slechts enkelen te noemen) een heel levenswerk aan
levensvatbare opera's naliet. Zijn
"Salome" en "Elektra" zijn een merkwaardige synthese van verisme en der nieuwe
legendarische stroming. Zijn "Der
Rosenkavalier" was zelf het begin van een nieuwe richting, en werd de meest
opgevoerde opera der twintigste eeuw.
Naast hem stonden slechts kleinere figuren, die echter allen wel één of
meer werken schreven die zich staande hielden: Eugen d'Albert, Max von
Schillings, Hans Pfitzner, Erich Wolfgang Korngold.
Evenals in Italië bleek ook hier deze generatie voorlopig de laatste productieve
geweest te zijn. Nadien zijn Alban Berg's "Wozzeck" en "Lulu"
vrijwel de enigen die repertoire gehouden hebben.
Schönberg's en Hindemith's experimentele opera's trokken kortstondig de
aandacht. Carl Orff poogde een
nieuwe richting in te slaan door het ritme belangrijker te maken dan het woord
en de zang, en gaat daarin even dogmatisch te werk als Wagner met zijn
theorieën.
De laatste jaren worden ook de opera's van Franz Schreker en Alexander von
Zemlinsky terug opgevoerd.
Opera's van Hans Werner Henze, Giselher Klebe, Volker David Kirchner e.a. worden
geregeld in Duitsland opgevoerd, maar kregen geen toegang tot het vaste
internationale operarepertoire.
In
Rusland was de opera -als overal elders- eerst Italiaanse import geweest.
De eerste opera in de Russische taal werd door een Italiaan gecomponeerd:
"Cephalos en Procris", 1755. Hoewel
Michail Glinka algemeen beschouwd wordt als de stichter van de Russische
nationale school, bezat Rusland al een nationale operatraditie die tachtig jaar
oud was, toen in 1836 diens "Leven voor de Tsaar" werd opgevoerd.
Door hem echter kreeg de Russische opera een markanter nationaal karakter
en een grotere allure. Alexander
Dargomisjky, Modest Moussorgsky, Alexander Borodin, Peter Tsjaikowski en Nikolai
Rimski-Korssakow zetten in de vorige eeuw deze traditie voort en maakten de
Russische opera tot een waardevol onderdeel van het internationale repertoire,
al moest het tot de twintigste eeuw duren voor hun werken buiten Rusland naar
waarde geschat werden. Van de
twintigste-eeuwers heeft Igor Strawinsky zijn werken op dit gebied buiten
Rusland geschreven, en zelfs ten dele in andere talen (Oedipus Rex: Latijn, The
Rake's Progress: Engels, Le Rossignol: Frans). Sergei Prokofjev volgde de lijn
van zijn voorgangers met meerdere waardevolle aanwinsten.
Het oeuvre van Dmitri Sjostakowitsj is op operagebied beperkt gebleven.
De Tsjechische nationale school begint pas met Bedrich Smetana, en komt,
evenals de Russische reeds onmiddellijk tot bloei.
Antonin Dvorák en Leos Janácek zijn de grootste meesters met en na
Smetana. Van de generaties na hen
zijn slechts weinig werken tot het internationale repertoire doorgedrongen.
De bijdrage van Polen tot het internationale repertoire beperkt zich vrijwel tot
Stanislaw Moniuszko's "Halka".
In Spanje -waar ook de Italiaanse opera een grote invloed had en heeft- kreeg de
opera buffa de overhand. Hier
ontwikkelde zich een eigen operettestijl, de Zarzuela, waarin een enorm
repertoire ontstond. Het genre
bleef echter tot Iberië beperkt, en is daarbuiten weinig bekend geworden.
Werkelijke Spaanse opera's zijn betrekkelijk zeldzaam. Tomas Breton's "La
Dolores" (1895) was een der eerste.
Isaac Albéniz, Enrique Granados en Manuel De Falla schreven elk slechts één of
twee werken in dit genre, en zij werden niet gevolgd door een figuur die de
Spaanse opera verder een markant aangezicht gegeven heeft.
Engeland kende met Henry Purcell en John Blow een vroege, maar helaas zeer korte
operabloei. Händel schreef veel opera's terwijl hij in Londen verbleef,
maar als een echte Engelsman kunnen wij hem moeilijk beschouwen. Arthur
Sullivan werd beroemd door de operetta's die hij in samenwerking met W.S.
Gilbert schreef, maar zijn opera's hebben nooit een doorbraak gekend.
Slechts met Benjamin Britten geraakte de Engelse opera terug buiten de
Angelsaksische grenzen. De opera's van Michael Tippett, Ralph Vaughan
Williams en William Walton worden in Engeland van tijd tot tijd wel eens
opgevoerd.
Hoewel Zweden ook een zeer oude operacultuur heeft, zijn toch opvallend weinig
Scandinavische werken van internationale bekendheid geworden.
de Noor Edvard Grieg, De Fin Jean Sibelius en de Deen Carl Nielsen hebben
weinig of geen opera's gecomponeerd.
Finland heeft zich geprofileerd met Joonas Kokkonen, Aulis Sallinen en
Einojuhani Rautavaara. De Zweedse,
Noorse en Deense werken zijn van strikt lokale betekenis gebleven.
Hetzelfde moet gezegd worden van Nederland, waar uit de negentiende eeuw geen
enkel werk zich heeft staande gehouden, en de twintigste ook opvallend weinig
van waarde heeft voortgebracht.
Ook België leverde niet veel bijdragen tot het universele repertoire.
Toch had Vlaanderen in ieder geval een representatieve en waardevolle
figuur in Jan Blockx, wiens werken ook in Frankrijk en zelfs in Amerika zijn
opgevoerd.
Amerika zelf leverde pas met Gershwin's volksopera "Porgy and Bess" een werk dat
in Europa opzien verwekte. Ook de
werken van Gian-Carlo Menotti (die echter een geboren Italiaan is, wiens eerdere
"Amelia al Ballo" nog op Italiaanse tekst gecomponeerd was) zijn internationaal
veelvuldig opgevoerd, ook in Nederland en België.
De werken van vroegere datum, van Charles Wakefield, Howard Hanson,
Walter Damrosch, Reginald De Koven, Deems Taylor, en anderen, bleven van strikt
lokale betekenis. Samuel Barber's "Vanessa"
en de opera's van Leonard Bernstein hebben de grenzen wel overschreden.
Deze bladzijden werden grotendeels ontleend aan "Elseviers Groot Operaboek" van Leo Riemens. (Uitgave van 1959)
TERUG NAAR KEUZELIJST EDUCATIEF
![]()