OPERA GAZET

EDUCATIEF

HET ORKEST EN DE DIRIGENT

Het orkest is steeds een der fundamentele onderdelen van de opera geweest, hoewel zijn omvang in de loop der tijden sterk wijzigde.  Bij Peri's "Euridice" (1600) bestond het uit een clavichord, een chitarrone (lange luit met dubbele nek), en lira grande (viola da gamba) en een theorbe (grote luit), terwijl drie fluiten slechts voor het ritornello van een enkele aria gebruikt werden.  Voor een modeluitvoering van Wagner"s "Der Ring des Nibelungen" is een orkest van ongeveer 110 man nodig.  De klank van dit enorme orkest was zo luid, dat Wagner het in Bayreuth afdempte door het onder het toneel te plaatsen.
In de achttiende eeuw zat het orkest gelijkvloers met het publiek.  Pas in de loop van de negentiende eeuw begon het te zakken, en ontstond de orkestbak.
Festspielhaus Bayreuth Ook de functie van de dirigent wisselde in de loop der eeuwen.  Lully sloeg, of liever stompte de maat met een zware stok.  Deze werd zelfs de oorzaak van zijn dood, daar hij er zich mee verwondde tijdens een uitvoering van een Te Deum en waarschijnlijk aan bloedvergiftiging overleed.
Tijdens de achttiende eeuw was het gebruikelijk dat de dirigent (doorgaans tevens de componist van het werk) de uitvoering leidde van achter het klavecimbel.  Hij speelde zelf de begeleiding der secco-recitatieven en het continuo.  Waar nodig sloeg hij hoorbaar de maat met zijn stok tegen zijn lessenaar.  In het begin van de negentiende eeuw kwam de moderne dirigeerstok in zwang, hoewel ook toen nog gedirigeerd werd van achter de piano.  Dat deze noviteit niet overal onmiddellijk ingang vond blijkt uit het feit dat Ludwig Spohr de dirigeerstok pas in 1820 in Engeland introduceerde tot grote ontsteltenis van de critici.  Beethoven en Weber hebben hem reeds gebruikt, maar Mendelssohn was een der eersten die staande en zonder piano dirigeerde.
Gedurende de negentiende eeuw was de functie van de operadirigent een ondergeschikte.  Hij begeleidde meer dan hij leidde, en zijn naam kwam doorgaans niet eens op de programma's voor.  Hoelang dit gewoonte bleef bewijst de affiche van de première van "Der Rosenkavalier", Dresden 1911.  De kleinste rollen staan hierop vermeld, ook de regisseur.  Maar de naam van de dirigent, de grote Ernest von Schuch, zoekt men er vergeefs op.
Arturo Toscanini De emancipatie van de dirigent als de leider der uitvoering begint in de tweede helft van de vorige eeuw.  Wagner's leiding in München en Bayreuth  -en de dirigenten uit zijn school: Hans von Bülow, Hans Richter, Hermann Levi - bewerkten gaandeweg deze revolutie.  Met Gustav Mahler wordt de dirigent tevens operadirecteur, en sindsdien is het in Duitsland en Oostenrijk gebruikelijk geworden dat de functie van artistiek directeur aan de eerste dirigent gegeven wordt.
In Italië waren Luigi Mancinelli, Giovanni Bottesini, Cleofonte Campanini en Arturo Toscanini de eerste dirigenten die het merk van hun persoonlijkheid op de uitvoering zetten.  Frankrijk was in dit opzicht conservatiever.  De grote dirigenten Colonne en Lamoureux dirigeerden zelden opera's.  Nog ver in deze eeuw werden voorstellingen in de grootste Franse theaters gedirigeerd door typisch negentiende-eeuwse figuren van wie weinig uitging.  Pierre Monteux, Philippe Gaubert en Albert Wolff werden in deze eeuw de eerste grote persoonlijkheden in deze sector.
Wagner's voorbeeld werd door enkele dirigenten gevolgd, die niet alleen de muzikale verantwoordelijkheid van de uitvoering op zich namen, maar tevens de regie wilden voeren.  Bruno Walter en Herbert von Karajan zijn twee figuren die deze dubbele functie hebben uitgeoefend.

DE OPERADIRECTEUR

De oudste opera's werden alleen bij feestelijke gelegenheden opgevoerd.  Gaandeweg ontstonden de speciale operatheaters, omstreeks het midden der zeventiende eeuw.  In Italië ontwikkelde zich de zgn. "Stagione", die nog steeds in zwang is, waardoor het operaleven daar sterk afwijkt van dat in Duitsland, Oostenrijk, Scandinavië, Nederland en België.
Giulio Gatti-Casazza Het theater wordt namelijk voor een bepaalde tijd gehuurd door een impresario die een troep samenstelt en een aantal opera's opvoert.  De impresario is tegenwoordig in vele gevallen vervangen door een syndicaat, maar het principe blijft hetzelfde.  In de loop der tijden kreeg iedere stad zijn traditionele operaperiode, zoals bij ons iedere stad zijn eigen kermistijd had.  De overeenkomst gaat inderdaad op, daar doorgaans de "stagione" in de tijd van de "fiera" viel.  Zo valt het operaseizoen van Bologna nog heden ten dage in oktober.  De grootste Italiaanse operatheaters spelen doorgaans van december tot Pasen.  De rest van het jaar staat het theater leeg, tenzij - in de kleinere plaatsen - een andere impresario er een extra "stagione" organiseert.  In het begin van de negentiende eeuw waren deze "stagioni" tot een industrie uitgegroeid.  Ieder theater wilde als hoofdwerk voor de "stagione" een nieuwe opera van een vooraanstaand componist opvoeren.  Dit verklaart het enorme aantal werken dat Italië in de vorige eeuw geproduceerd heeft.  De meest beroemde (of beruchte) impresario was Domenico Barbaja (1778-1841) die het klaarspeelde tegelijkertijd de directie te voeren over de San Carlo van Napels, de Scala van Milaan en de beide Weense operatheaters, het Kärntnerthor en dat An der Wien.  Hij was de mentor van Rossini, Bellini en Donizetti.  Opmerkelijk is het hoe de meest succesvolle operadirecteurs zelden uitoefenende kunstenaars geweest zijn.  Barbaja begon zijn loopbaan als kelner in de speelzalen van Napels.  De grootste operadirecteur van de vorige eeuw, Giulio Gatti-Casazza (1868-1940) daarentegen was een aristocraat, die door zijn vader in staat gesteld werd te experimenteren met de "stagione" van Ferrara, daarna in 1898 directeur van de Scala werd, en in 1908 tot 1935 van de Metropolitan Opera in New York.  Hij had het geluk aan beide theaters geruime tijd een dirigent als Arturo Toscanini onder zich te hebben.

DE REGISSEUR

De regisseur van de opera bleef eeuwenlang anoniem.  Nog tot het begin van deze eeuw werd het scenische element van de opera verzorgd door een vast aan het theater verbonden regisseur, die voornamelijk de gevestigde tradities opvolgde.  In Frankrijk was dit bijzonder sterk.  Daar werd de regie bij de wereldpremière vastgesteld - in nauwe samenwerking met librettist en componist - en deze "mise-en-scène" werd samen met het notenmateriaal verhuurd.  De Franse uitvoeringen waren in alle steden zo volkomen identiek, dat een zanger overal met hetzelfde kostuum terecht kon, en zich op ieder toneel thuis voelde.  In de opera's der achttiende eeuw komen weinig of geen regie aanwijzingen voor.  Dit wordt anders omstreeks het midden der vorige eeuw, niet slechts in Frankrijk, maar ook in Duitsland en Italië.  Wagner schreef minutieus ieder detail van zijn regie in de partituur en in Italië deden librettisten als Giacosa & Illica, Forzano & Adami hetzelfde.
Moderne enscenering van de eerste akte van Siegfried. Pas na de eerste wereldoorlog is de regisseur in de opera een figuur van betekenis geworden, die momenteel zelfs een te grote betekenis gekregen heeft.  De moderne tendens is alle aanwijzingen van componist en librettist te negeren, en van iedere uitvoering een geheel nieuwe te maken.  Daar de opera slechts een kleine marge van afwijkingen in de uitvoering toelaat, kunnen excessen zo niet uitblijven.  De regisseurs zijn niet tevreden om een uitvoering te verzorgen zoals deze werd voorgeschreven, zij willen allen hun "eigen visie" van het werk geven.  Aanvankelijk was deze reactie op een ongetwijfelde verstarring nuttig, maar het heeft er alle schijn van dat deze in een ander uiterste van verstarring is uitgelopen.  Iedere nieuwe enscenering poogt "anders" te zijn en het werk en de bedoeling van de auteurs komen niet meer aan bod door de persoonlijke eerzucht van de regisseur.  Ook het teruglopen van werkelijke persoonlijkheden onder de zangers is te wijten aan het feit dat hun iedere beweging wordt voorgeschreven, en hun eigen initiatief gedood wordt.  Het is paradoxaal dat juist in de tijd toen de regie volkomen conventioneel was, de zanger-acteur veel meer mogelijkheden had zijn persoonlijkheid te ontplooien.  Feodor Chaliapine en Maria Callas zijn hiervoor twee uitstekende voorbeelden.
Het toneelbeeld vertoont dezelfde ontwikkeling.  Ook hier doet zich een merkwaardige paradox voor.  Toen de aankleding van een opera nog conventioneel en volgens de voorschriften van de auteurs was, met historisch accurate kostuums en decors,  kon men onmiddellijk zien uit welke tijd het gegeven dateerde.  De tegenwoordige aankleding die vaak dwars tegen alle logica ingaat - om te zwijgen van de bedoeling der auteurs - veroudert echter snel, zodat het nu noodzakelijk is de enscenering van een opera iedere drie jaar radicaal te vernieuwen.  De beste enscenering is ontegensprekelijk diegene die volkomen in overeenstemming is met de gegeven voorschriften in het libretto en die welke het dichtst de geest van dat werk benadert.  Verre van de opera aan te passen aan de nieuwe tijd, dient die nieuwe tijd zich aan te passen aan het werk dat het beleven wil.

Deze bladzijden werden grotendeels ontleend aan "Elseviers Groot Operaboek" van Leo Riemens. (Uitgave van 1959).
Volgende bladzijdeVorige bladzijde

TERUG NAAR KEUZELIJST EDUCATIEF