OPERA GAZET
![]()

Fundamenteel
zijn er evenveel soorten menselijke stemmen als er strijkinstrumenten bestaan.
Daar kent men de viool, de altviool, de violoncel en de bas.
De eerste kan men vergelijken met de sopraan, de tweede met de alt (ze
hebben zelfs de namen gemeen), de derde met de tenor, en de vierde (ook al weer
een naamgenoot) met de bas.
De menselijke stem is echter het meest persoonlijke aller instrumenten, omdat de
bespeler zelf zijn eigen instrument is.
Geen mens is gelijk aan een ander en dus bestaan er ook geen twee stemmen
die precies identiek zijn. Mensen
kunnen wel in groepen ingedeeld worden: naar nationaliteit, naar ras, naar
karakter. Zo deelde men ook de
stemmen in, gelukkig nooit naar de eerste twee mogelijkheden, maar wel naar
omvang en karakter.
De omvang is namelijk niet het enige wat een stem tot een bepaalde categorie
doet behoren. Van belang is bovenal
de klankkleur, het timbre. In het
bepalen van de meer subtiele nuances kan ook de persoonlijkheid van de zanger
van invloed zijn. Een zanger kan
van nature het materiaal hebben voor een dramatische stemsoort: een heldentenor
bijvoorbeeld. Maar als hij een
uitgesproken passief karakter heeft zal hij zijn krachtig geluid toch
hoofdzakelijk in lyrische rollen produceren.
De vier fundamentele stemsoorten kennen ieder talloze varianten.
"Soprano
acuto sfogato".
Deze wordt vaak foutief als coloratuursopraan betiteld.
Foutief omdat "coloratuur" niets over de hoedanigheid der stem zegt, maar
alleen meedeelt dat de zangeres rollen met veel coloratuurpassages pleegt te
zingen. In de achttiende en het
begin der negentiende eeuw was echter iedere zangeres en ook iedere zanger een
coloratuurartiest. De zogenaamde
"coloratuursopraan" is de hoogste vrouwenstem, die in staat moet zijn de
drie-gestreepte F van Mozart's Koningin der Nacht te zingen.
Dit is de meest karakteristieke rol.
Anderen zijn o.a. de Koningin in "Les Huguenots", de Koningin in "Le Coq
d'Or", maar ook vele rollen die tevens door de "soprano leggiero" gezongen
worden, als Gilda in "Rigoletto", Lucia in "Lucia di Lammermoor", Philine
in "Mignon", Lakmé, Zerbinetta in "Ariadne aux Naxos", Amina in "La Sonnambula",
enz. De grenzen tussen de
onderverdeelde stemsoorten zijn vaag en lopen uitvloeiend in elkaar over.
Tot de karakteristieke zangeressen in deze groep behoorden Erna Sack en
Mado Robin.
Hedendaags: Natalie Dessay, Sumi Jo.
"Soprano
leggiero".
Ook haar noemt men in de wandeling
coloratuurzangeres, maar zij hoeft niet hoger te gaan dan de driegestreepte E en
is over het algemeen warmer van klank, charmanter van expressie dan haar koelere
en zeldzamere "grote zuster". Zij
is het die rollen zingt als Gilda, Lucia, Ophelie in "Hamlet" van Ambroise
Thomas, Lakmé, Amina in "La Sonnambula", Leila in "Les Pêcheurs de Perles", enz.
De meeste grote diva's behoorden tot deze groep: Amelita Galli-Curci,
Toti Dal Monte, Wilma Lipp, Erna Berger, Lily Pons, Clara Clairbert, Erna
Spoorenberg, Rita Streich, Mady Mesplé, Joan Sutherland.
Hedendaags: Edita Gruberova, June Anderson, Barbara Bonney, Elizabetth Vidal en
nogmaals Natalie Dessay en Sumi Jo.
"Soprano lirico leggiero".
In Duitsland noemt men deze de coloratuursoubrette.
Haar fundamentele rollen zijn Blondchen in "Die Entführung aus dem
Serail", Adèle in "Die Fledermaus" en feitelijk ook Strauss' Zerbinetta in "Ariadne
aux Naxos". Aan haar verwant is de
gewone soubrette, die rollen zingt als Mozart's Despina in "Cosi fan tutte",
Cherubino of Susanna in "Le Nozze di Figaro", Papagena in "Die Zauberflöte",
Beethoven's Marzellina in "Fidelio", verder Norina in "Don Pasquale", Adina in "L'Elisir
d'Amore", de meeste pagerollen als die in "Un Ballo in Maschera", "Les Huguenots",
enz. Typische soubrettes waren o.a.
Louise de Vries, Adèle Kern, Elisabeth Schumann, Erna Berger aan het begin van
haar carrière, Renate Holm, Anneliese Rothenberger.
Hedendaags: Leontina Vaduva, Danièle Perriers, Angela Gheorghiou.
"Soprano
lirico".
Dit is de "spil" der sopranen, de meest
veelzijdige, die desnoods ook lichtere rollen op haar repertoire kan nemen, maar
ook, als zij een dramatische inslag heeft, zwaardere rollen kan zingen.
De kern van haar repertoire vormen rollen als Mimi in "La Boheme", Madama
Butterfly, Desdemona in "Otello", Pamina in "Die Zauberflöte", Liu in "Turandot",
Suzel in "L'Amico Fritz", Suor Angelica, Agathe in "Der Freischütz", Elsa in "Lohengrin",
Marguerite in "Faust", Juliette in "Roméo et Juliette", Freia in "Das Rheingold",
Gutrune in "Götterdämmerung". Het
is opvallend hoe vrijwel al deze figuren passief van karakter zijn.
Puur lyrische sopranen (voor zover ook maar een stem in een bepaald hokje
geperst kan worden) waren o.a. Victoria de los Angeles, Rosanna Carteri, Grace
Moore, Rosetta Pampanini, Licia Albanese, Irmgard Seefried, Lisa della Casa,
Lucia Popp, Gundua Janowitz, Lucrezia Bori.
Hedendaags: Cheryl Studer, Kiri te Kanawa, Renée Fleming, Mirella Freni, Angela
Denoke en nogmaals Angela Gheorghiou.
"Soprano
lirico spinto" (in Duitsland Jugendlich-dramatische, in
Frankrijk demi-caractère). Deze
vormt de overgang van de lyrische sopraan naar de dramatische.
Feitelijk is zij een lyrische sopraan met een dramatische inslag en een
feller temperament. Haar meeste
rollen zijn in het moderner repertoire: dat der Italiaanse veristen (Tosca,
Santuzza in "Cavalleria Rusticana", Adriana Lecouvreur, Maddalena de Coigny in "Andrea
Chenier"), bij Wagner (Sieglinde in "Die Walküre", Elisabeth in Tannhäuser") en
latere Duitse meesters (Martha in "Tiefland", de Keizerin in "Die Frau ohne
Schatten", Chrysothemis in "Elektra", Mona Lisa, enz.).
Tot deze groep behoorden Gré Brouwenstijn, Renata Tebaldi, Elisabeth
Rethberg, Tiana Lemnitz, enz.
Hedendaags: Catherine Malfitano, Renata Scotto, Montserrat Caballé.
"Soprano drammatico".
Er is een nuance verschil tussen de Italiaanse
dramatische sopraan en de Duitse Hochdramatische.
De eerste is donkerder van klank, hoewel zij in staat moet zijn een
stralende hoge C te zingen. Tot
haar rollen behoren o.a. Aida, Norma, La Gioconda, de Verdi Leonora's, en
bepaalde rollen uit de vorige groep (Tosca, Santuzza).
De Duitse Hochdramatische is helderder en doordringender van klank.
Zij zingt o.a. de Brünnhildes in "Der Ring des Nibelungen", Isolde in "Tristan
und Isolde", Fidelio, Rezia in "Oberon", Kundry in "Parsifal", Elektra, Salome.
Italiaanse dramatische sopranen waren o.a. Maria Callas, Rosa Ponselle, Anita
Cerquetti, Leontyne Price.
Hedendaags: Michele Crider, Deborah Voight, Jessye Norman, Sharon Sweet
Duitse dramatische sopranen waren o.a. Kirsten Flagstad, Frida Leider, Martha
Mödl, Astrid Varnay, Birgit Nilsson, Gwyneth Jones.
Hedendaags: Deborah Polaski, Luana Devol, Gabriele Schnaut, Eva Marton.
De Franse dramatische sopraan heet Falcon, naar de zangeres Cornélie Falcon (1812-1897). Het is een Frans gebruik om stemsoorten te noemen naar de eerste karakteristieke exponent daarvan. Haar type houdt het midden tussen de soprano drammatico en de Hochdramatische. Tot haar karakteristieke rollen behoren Sélika in "L'Africaine", Rachel in "La Juive", enz. Beroemde zangeressen in deze groep waren o.a. Marjorie Lawrence, Huberte Vécray, Régine Crespin.
Ten slotte is er nog een soort sopraan die men speciaal in Duitsland een "Zwischenfach
Sängerin" noemt. Zij heeft helemaal
geen bepaald stemtype, maar een omvangrijke stem die een groot
aanpassingsvermogen heeft. Meestal
is zij een bijzonder goede actrice, zodat zij zich specialiseert in die rollen
welke een meer dan normaal speeltalent vereisen, in welk stemvak dan ook.
Zij zingen zowel Salome als Carmen, Octavian in "Der Rosenkavalier" als
Tosca. Voorbeelden waren o.a.
Carmen Melis, Maria Jeritza, Marie Gutheil-Schoder, Inge Borkh, Maria Labia.
Tussen al deze soorten sopraanstemmen heerst een levendig verkeer. Ten eerste bestaat altijd de mogelijkheid dat een stem in de loop der jaren zwaarder of lichter wordt en van karakter verandert. De zwaardramatische sopraan Kirsten Flagstad begon haar carrière als een soubrette, zong daarna lyrische rollen, en kwam pas na haar veertigste jaar via de lirico-spinto partijen in het Duitse hoogdramatische vak terecht. Er zijn ook geen vaste grenzen tussen de rollen en/of de vakken. Zo kan een coloratuursopraan soms bepaalde lyrische rollen zingen (Frieda Hempel zong zelfs Elsa in "Lohengrin" en Evchen in "Die Meistersinger von Nürnberg"). Bepaalde lyrische stemmen kunnen bepaalde dramatische rollen zingen, enz. Iedere stem is individueel en heeft weer andere specifieke mogelijkheden.
Zo
is ook de overgang naar de alten een graduele.
Het is typerend dat men de hoge (overigens ten onrechte) mezzosopranen
noemt.
"Dugazon". Dit is de lichtste
altsoort. In feite is het een iets
donker gekleurde soubrette, en in vele landen rekent men haar tot de sopranen.
Voorbeeld: Cecilia Bartoli en Anne Sofie von Otter.
Hierop volgt de "Galli-Marié",
genoemd naar de creatrice van Carmen en Mignon, die iets zwaarder is.
Het verschil is echter slechts een nuance.
Toch zal de uitgesproken Dugazon onmogelijk een Carmen of Charlotte in "Werther"
kunnen zingen, wel weer een Mignon.
Cora Canne Meyer was een uitgesproken lichte Galli-Marié, feitelijk een Dugazon
(Carmen behoorde tot haar mogelijkheden, Charlotte viel er juist buiten).
De "lyrische coloratuuralt".
Dit vak was bijna een eeuw lang in onbruik geraakt, daar er geen nieuwe
rollen voor geschreven werden. De altrollen in Rossini's opera's vallen er
onder, maar het vak is nu vermengd met de Galli-Marié en de mezzosopraan.
Hedendaags: nogmaals Cecilia Bartoli, Jennifer Larmore, Marilyn Horne.
"Mezzosopraan".
Dit is de lichtere alt, die minder donker gekleurd is, en desnoods ook
bepaalde dramatische sopraanrollen kan zingen.
Een typisch voorbeeld was Ebe Stignani, terwijl ook Giulietta Simionato
meer mezzosopraan dan een volle alt was.
Hedendaags: Susan Graham, Waltraud Meier, Dolora Zajick.
"Alt".
Dit is de zangeres die rollen als Azucena in "Il Trovatore", Ulrica in "Un
Ballo in Maschera", Dalila in "Samson et Dalila", enz. zingt, donkerder gekleurd
dan de mezzosopraan, maar toch met een behoorlijk ontwikkelde hoogte (Verdi
schrijft voor Azucena zelfs een twee gestreepte C voor).
Voorbeelden: Rita Gorr, Helen Watts.
"Contralto".
Zeer zeldzaam, en in de opera weinig voorkomend.
Dame Clara Butt was een uitgesproken contralto.
Zij hebben een kortere stemomvang dan hun altcollega's, en een beperkt
repertoire: Erda in "Der Ring des Nibelungen", bepaalde castraatrollen bij
Händel en Gluck.
Voorbeelden: Kathleen Ferrier, Huguette Tourangeau, Daniela Barcellona en
nogmaals Marilyn Horne.
Deze bladzijden werden grotendeels ontleend aan "Elseviers Groot Operaboek" van Leo Riemens. (Uitgave van 1959).
TERUG NAAR KEUZELIJST EDUCATIEF
![]()