OPERA GAZET

EDUCATIEF

ZANGERS EN HUN STEMMEN

DE TENOR.

Ook de tenoren zijn in vele nuances onderverdeeld.

Andreas Scholl"Countertenor".  Deze zingt alles in falset, met een nagebootste vrouwenstem. Tot in de jaren zestig van de vorige eeuw kwam hij zo goed als niet voor (de astroloog in Rimski-Korssakov's "Le Coq d'Or" was een van zijn weinige partijen).  Daarna kwam de stem in de mode.  Eerst met Oberon in "A Midsummer Night's Dream" van Benjamin Britten en meer recent "Tri Sestri" van Peter Eötvös waar niet minder dan vier countertenors in komen.  Men gebruikt hem nu ook om castraatsopraanpartijen te zingen, maar zijn timbre wijkt ongetwijfeld radicaal af van een achttiende-eeuwse castraat-stem. Amper vijftig jaar geleden kenden wij enkel Alfred Deller in Engeland en Russell Oberlin in Amerika.
Nu zijn countertenors niet meer te tellen: René Jacobs, James Bowman, Paul Esswood, Andreas Scholl, Jochen Kowalski, Dominique Visse.

Chris Merritt"Tenore leggiero".  Een zeer lichte stem, die soms de kracht mist om de hoogste tonen te zingen, tenzij het in falset kan. Rollen voor hem zijn o.a. Nemorino in "L'Elisir d'Amore", Nadir in "Les Pêcheurs de Perles", Rossini's Almaviva in "Il Barbiere di Siviglia" en Lindoro in "L'Italiana in Algeri", vele tenorpartijen bij Rossini, Donizetti, Bellini en Mozart.  Zangers in dit vak waren o.a. Luigi Fort, Cesare Valletti, Tito Schipa, Nicola Monti, Cristy Solari, Luigi Alva, Nicolai Gedda.
Hedendaags: Bruce Ford, William Matteuzzi, Raul Gimenez, Rockwell Blake, Chris Merritt alhoewel deze naar het zwaardere repertoire geëvolueerd is.

"Lyrische tenor".  Hij komt overeen met de lyrische sopraan, en heeft dezelfde grote mogelijkheden. Doorgaans zingt hij ook het repertoire van de tenore leggiero en heeft hij de mogelijkheid op latere leeftijd ook rollen met een meer dramatisch accent te zingen.  Zijn repertoire is het omvangrijkste: Duca di Mantova in "Rigoletto", Alfredo in "La Traviata", Faust, Cavaradossi in "Tosca", Rodolfo in "La Boheme" , Tamino in "Die Zauberflöte", feitelijk ook al Lohengrin en Walther von Stoltzing in "Die Meistersinger von Nürnberg", e.a.  Tot dit genre behoorden Beniamino Gigli, Jussi Björling en de jonge Luciano Pavarotti..
Hedendaags: Roberto Alagna.

Placido Domingo"Tenore lirico-spinto" of "demi-caractère".  De overgang naar de dramatische tenor.  In zijn repertoire zijn rollen als Don José in "Carmen", Calaf in "Turandot", Andrea Chenier, Max in "Der Freischütz", Canio in "Pagliacci".  Mario Del Monaco, Fernand Ansseau, Franco Corelli, Enrico Caruso, Martinelli waren  enkele der meest karakteristieke exponenten.
Hedendaags: José Cura, José Carreras, Placido Domingo, Luciano Pavarotti.

"Heldentenor" of "tenore drammatico".  Ook hier is hetzelfde verschil als bij de dramatische sopranen, alleen omgekeerd evenredig.  Hier is de typische Italiaanse tenore drammatico de ridder der hoge C, met rollen als Manrico in "Il Trovatore", Radames in "Aida", en het Franse "fort tenor" vak met de Meyerbeer- en Halévy-helden, en Arnold in "Guillaume Tell".  Hij heeft doorgaans een metalliek geluid als van een trompet of trombone.  De typisch Duitse heldentenor daarentegen grenst dicht aan de bariton.  Hij heeft een donkere stem die bijzonder expressief is.  In vele gevallen heeft hij zijn carrière als bariton aangevangen (Lauritz Melchior, Set Svanholm, Ramon Vinay, Zanelli).  Hij is de ideale Wagnerheld als Tristan, Tannhäuser, Siegmund, Siegfried, terwijl in het Italiaanse repertoire Otello zijn specialiteit is. Voorbeelden van de Italiaanse heldentenor zijn o.a. Lauri-Volpi, Zenatello, Tamagno, Lazaro, De Muro.
Marcel Vercammen als Siegfried (Vlaamse Opera Antwerpen 1966) Voorbeelden (behalve de vier reeds genoemde ex-baritons) voor de Duitse heldentenor zijn vrijwel alle Wagnertenoren: Jacques Urlus, Max Lorenz, Ludwig Suthaus, Gunther Treptow, Marcel Vercammen.

Hedendaags: Siegfried Jerusalem, Gary Lakes, Wolfgang Schmidt, Ben Heppner, Torsten Kerl.

"Tenore-buffo".  Merkwaardig is het dat men geen uitgesproken vrouwelijke buffo-stemmen kent, of men zou ze moeten zoeken onder de soubrettes en onder de karakteralten.  Alle mannelijke stemsoorten hebben echter een speciale komische onderafdeling.  De buffo-tenor is verwant aan de tenore leggiero.  Hij heeft een lichte buigzame maar doordringend, heldere stem en moet een goed ontwikkeld falsetregister hebben.  Buffo-tenorrollen zijn o.a. Mime in "Der Ring des Nibelungen", David in "Die Meistersinger von Nürnberg, Don Basilio in Mozart's "Le Nozze di Figaro", Jacquino in "Fidelio', Dr. Cajus in "Falstaff", Goro in "Madama Butterfly".  Men onderscheidt nog lyrische van karakter-buffo's.  Daar hun repertoire niet bijzonder groot is, zingen vele buffo-tenoren tevens zgn. comprimario-rollen.  Beroemde buffo-tenoren zijn en waren Giuseppe Nessi, Gino Del Signore, Julius Lieban, Erich Zimmermann, Waldemar Henke, René Hérent, Angelo Bada, Graham 
De Franse titel voor deze stemsoort is "trial".
Voorbeelden: Graham Clark, Heinz Zednik, Helmut Pampuch en de jonge Koen Crucke.

DE BARITON EN DE BAS.

De benaming "bariton" is nog geen eeuw oud.  Feitelijk zijn baritons hoge bassen.

Thomas Hampson als Don Giovanni"Baryton-Martin".  Deze is de "mezzosopraan" onder de mannen en zou feitelijk mezzotenor kunnen heten.  Men treft hem vrijwel uitsluitend in het Franse repertoire aan.  Hij heeft het klankkarakter van een donker getinte tenor, maar mist diens hoge tonen.  In Frankrijk worden traditioneel alle operettehelden door deze stemsoort gezongen.  In de opera zingt hij Pelléas, Henri Rabaud's "Marouf" (vandaar dat deze rollen afwisselend zowel door tenoren als baritons gezongen kunnen worden).  Beroemde barytons-Martin waren André Baugé, Armand Crabbé, Charles Panzéra, Pierre Bernac (die echter nooit opera zong), Jean Périer.

"Lyrische bariton".  Het equivalent der lyrische sopraan en tenor, en dus de meest voorkomende zanger met het grootste repertoire (Wolfram in Tannhäuser", Figaro, Valentin in "Faust", Malatesta in "Don Pasquale" e.a.). Exponenten waren Heinrich Schlusnus, Giuseppe De Luca, Gilbert Dubuc, Tito Gobbi, Paolo Gorin.
Hedendaags: Thomas Hampson, Bo Skovhus.

Hans Hotter als Wotan (Bayreuther Festspiele 1966) (Foto Siegfried Lauterwasser)"Baritono brillante" of "Spielbariton".  De buffo onder de baritons.  Rollen zijn Papageno in "Die Zauberflöte", Beckmesser in "Die Meistersinger von Nürnberg, Fra Melitone in "La Forza del Destino", Dandini in "La Cenerentola", Gianni Schicchi, e.a.  Vele van hun rollen worden ten onrechte ook door buffo-bassen gezongen.  De typische baritono brillante heeft echter een lichte heldere en doordringende stem (net als zijn tenorale collega), van een geheel ander gehalte dan de buffo-bas.  De koster in "Tosca" is eveneens een baritono brillante.
Exponenten: Ernesto Badini, Saturno Meletti, Hermann Wiedemann, Erich Kunz, Hermann Prey.  In vele gevallen zingen zij tevens een deel van het lyrische repertoire, vooral in hun jongere jaren.
Hedendaags: Dale Duesing.

Samuel Ramey als Mefistofele (San Francisco Opera 1990)"Heldenbariton".  Een zware brede stem, meestal donker gekleurd.  Hij zingt de Wagnerrollen als Hans Sachs, Wotan, Kurwenal, Holländer, verder Scarpia in "Tosca", Amonasro in "Aida", Rigoletto (die men echter ook lyrisch kan bezetten), de Hogepriester in "Samson et Dalila".
Exponenten: Friedrich Schorr, Benvenuto Franci, Ettore Bastianini, Giangiacomo Guelfi, Luigi Rossi Morelli, Rudolf Bockelmann, Caspar Broecheler, Piero Cappuccilli.
Hedendaags: Renato Bruson, Leo Nucci, Bernd Weikl.

"Basbariton".  De overgang naar de bas.  Hun rollen kunnen zowel door hogere bassen als door heldenbaritons gezongen worden: Escamillo in "Carmen", Mephistopheles in "Faust" van Charles Gounod, Capulet in "Roméo et Juliette", St. Bris in "Les Huguenots", Nilakantha in "Lakmé", wederom Wotan, Hans Sachs.  De Fransen rekent men al tot de bassen als "basse chantante".  Exponenten: in Nederland was Siemen jongsma een typische basbariton.  Verder: Hans Hotter, Marcel Tournet, Delmas, Paul Cabanel, Michael Bohnen, André Pernet.
Hedendaags: Bryn Terfel, John Tomlinson, Knut Skram, Falk Struckmann, James Morris, Marcel Vanaud, José van Dam.

Boris Christoff als Philips II in "Don Carlo" (Festival van Vlaanderen 1963)"Bas" of "basse noble".  De eigenlijke bas, met rollen als Ramfis in "Aida", Sparafucile in "Rigoletto", Koning Philips in "Don Carlo", Rocco in "Fidelio", Sarastro in "Die Zauberflöte", Hagen in "Götterdämmerung", Osmin in "Die Entführung aus dem Serail", Mefistofele, Marcel in "Les Huguenots", e.a.  Zangers in dit vak: Arnold van Mill, Ezio Pinza, Tancredi Pasero, Boris Christoff, Feodor Chaliapine, Giulio Neri, Germain Ghislain, Louis Hendrikx, Gotttlob Frick.
Hedendaags: Samuel Ramey, Matti Salminen, René Pape, Chris De Moor.

"Buffo-bas".  Feitelijk is dit een onderdeel van de vorige indeling.  Een Luigi Lablache zong beide vakken, evenals een Ezio Pinza en een Arnold van Mill.  Er wordt echter ook in gespecialiseerd.  Het repertoire omvat o.a. de beide Dr. Bartolo's in "Le Nozze di Figaro" en "Il Barbiere di Sivilglia", Dulcamara in "L'Elisir d'Amore", Don Pasquale, Leporello in "Don Giovanni", Van Bett in "Zar und Zimmermann", Don Alfonso in "Cosi fan tutte" enz.
Exponenten: Eduard Kandl, Salvatore Baccaloni, Fernando Corena, Carlo Badioli, August Griebel.
Hedendaags: Jozsef Gregor.

Deze bladzijden werden grotendeels ontleend aan "Elseviers Groot Operaboek" van Leo Riemens. (Uitgave van 1959).

Vorige bladzijde

TERUG NAAR KEUZELIJST EDUCATIEF