OPERA GAZET
![]()
In het jaar 2001 werd het overlijden herdacht van Giuseppe Verdi. Hij is één van de grootste Italiaanse componisten om niet te zeggen de belangrijkste Italiaanse operaschrijver aller tijden.
Hij
werd geboren in Le Roncole bij Busseto op 10 oktober 1813.
Hij was de zoon van een herbergier en zijn eerste muzieklessen kreeg hij
van de plaatselijke organist. Zijn
muzikale capaciteiten werden vroeg ontdekt en hij kwam onder de bescherming van
Antonio Barezzi, een rijke handelaar te Busseto.
Hij werd als een zoon behandeld en weldra nam hij zijn intrek in de
gastvrije handelaarwoning.
In juni 1832 ging Verdi naar Milaan en legde het toelatingsexamen af voor het
conservatorium. Hij werd geweigerd.
De componist werd toen privé leerling van Vincenzo Lavigna en verbleef
drie jaar te Milaan. De voorbije
jaren had hij al heel wat gecomponeerd.
In oktober 1835 werd Verdi benoemd tot “maestro di musica” van de
gemeente Busseto. Aldus had hij een
vast inkomen en trad hij een jaar later in het huwelijk met de dochter van zijn
weldoener, Margherita Barezzi.
Verdi had vooral aandacht voor het operaleven te Milaan en zijn eerste opera die
in 1839 werd opgevoerd was “Oberto, Conte di San Bonifacio”.
Hij dankte deze uitvoering aan de zangeres Giuseppina Strepponi, een
vrouw die later in het leven van Verdi een grote rol zou spelen.
“Oberto” had zo’n succes dat de
directeur van de Scala hem een contract aanbood voor drie andere opera's waarvan
alleen “Un Giorno di Regno” in 1840 werd opgevoerd.
Het werd een volledige mislukking.
In deze periode van zijn leven werd Verdi erg beproefd door de dood van
zijn twee kinderen en zijn echtgenote.
Hij verbrak zijn contract en sloot zich af van de wereld.
Intussen beleefde “Oberto” nieuwe successen te Milaan en te Genua en hierdoor
werd Verdi verplicht een nieuwe opera te componeren.
Het werd “Nabucco” in 1842 en de jonge toondichter werd beroemd in heel
Italië. De volgende opera’s waren
“I Lombardi” (Milaan 1843) en “Ernani” (Venetië 1844).
Het gevolg van dit succes was dat Verdi overstelpt werd met nieuwe opdrachten,
die hij snel moest vervullen zonder behoorlijke libretto’s.
Hij woonde toen in Milaan en zijn hele toenmalige levensloop kan
geresumeerd worden in de titels en de creatiedata van zijn werken.
Deze opera’s waren: “I due Foscari” (Rome 1844), “Giovanna d’ Arco”
(Milaan 1845), “Alzira” (Napels 1845) en “Attila” (Venetië 1846).
Deze opera’s oogstten toen veel succes en de voornaamste aria’s werden in
heel Italië gezongen. Verdi zelf
voelde zich zeer ongelukkig, hij was veel ziek en hij verafschuwde zijn beroep.
Anderzijds gaf hij wel blijk van veel commerciële aanleg en ontving voor
die tijd fantastische bedragen aan honoraria.
Een groot artistiek succes behaalde hij met “Macbeth” dat in 1847 te Florence
gecreëerd werd. Hierin getuigt de
componist voor de eerste keer van zijn geniale begaafdheid.
Hij breekt met de gewoonten en luidt in de Italiaanse operageschiedenis
een nieuw tijdperk in. Het
dramatische gehalte van zijn muziek staat in dienst van de tekst.
De zangspelen die nadien volgden waren terug bandwerk.
Verdi noemde het zijn galeijaren. Wij bedoelen “I Masnadieri” dat in 1847
gecreëerd werd te Londen met Jenny Lind in de hoofdrol.
De opera “I Lombardi” werd in datzelfde jaar voor Parijs herwerkt.
Deze Franse opera kreeg de titel van “Jérusalem”.
Het is van deze tijd dat de relatie dateert tussen Verdi en de Milanese
uitgeverij Ricordi. Voor de
concurrentie schreef hij in 1848 de opera “Il Corsaro” dat in hetzelfde jaar
zonder succes te Triëst werd gespeeld.
Verdi nam in Italië met hart en ziel deel aan de opstand tegen
Oostenrijk. Hij componeerde
“La Battaglia di Legnano”.
De Oostenrijkers kwamen als winnaars uit dit revolutiejaar en
Verdi vluchtte terug naar Parijs.
Uiteindelijk werd deze opera, onder leiding van de componist, te Rome gecreëerd
in 1849. De geestdrift was
onbeschrijfelijk en de vierde akte moest bij elke opvoering in zijn geheel
herhaald worden.
Giuseppe Verdi verbleef de volgende jaren te Parijs, waar hij de zangeres
Giuseppina Strepponi had teruggevonden.
Vanaf dit ogenblik werd zij zijn onafscheidelijke levensgezel, alhoewel
het huwelijk pas tien jaar later zou plaatsvinden.
Zij had een positieve invloed op de maestro.
Zijn levensinstelling werd milder.
Hij kocht een huis en landerijen te Sant’Agata enkele kilometers van
Busseto. Het geheel werd herbouwd
en is bekend als “Villa Verdi”. Hij
ging ook verder met componeren.
In 1849 werd “Luisa Miller” gecreërd te Napels en een jaar later volgde “Stiffelio”.
In 1851 werd zijn eerste volkomen geslaagd meesterwerk “Rigoletto” te
Venetië voor het eerst opgevoerd.
Het succes was overweldigend en dit werk wordt tot op heden nog in de
voornaamste schouwburgen van de wereld gespeeld.
Dramatisch veel zwakker, maar met een even rijke en meeslepende vloed aan
zangerige melodieën werd twee jaar later de opera “Il Trovatore” te Rome voor
het eerst gespeeld. In datzelfde
jaar volgde “La Traviata” te Venetië.
Ook dit werk wordt tot op heden nog steeds bewonderd door het
operapubliek over de gehele wereld.
In 1855 werd voor de Franse hoofdstad “Les Vèpres siciliennes” gecomponeerd.
Twee jaar later volgde “Simon Boccanegra” te Venetië en “Aroldo” te
Rimini. In 1858 werd te Rome de
opera “Un Ballo in Maschera” voor het eerst opgevoerd nadat Verdi
censuurproblemen had gekregen met de opera van Napels.
Rond deze tijd werd de naam van Verdi
(Vittorio Emmanuele Re D’Italia”) als verzamelkreet door de Italiaanse
patriotten gebruikt. Een jaar later
werd Italië onafhankelijk. Er werd
een regering gevormd en Verdi werd gekozen tot vertegenwoordiger van Busseto in
het parlement. Hij oefende zijn
mandaat uit van 1860 tot 1865.
Alles scheen erop te wijzen dat zijn artistieke carrière ten einde was.
Verdi had centen nodig voor
de verbouwingen aan zijn villa.
Daarom aanvaardde hij de opera “La Forza del Destino” te componeren waarvan de
première plaats vond te Sint Petersburg in 1862.
Vijf jaar later werd de opera “Don Carlos” gecreëerd te Parijs.
In 1869 hield hij zich actief bezig met een grondige hervorming van de
Scala te Milaan. Voor de opera van
Caïro werd in 1871 “Aïda” geschreven.
Deze opera werd triomfantelijk onthaald en wordt tot op heden met
evenveel succes overal opgevoerd.
Bij de dood van de grote letterkundige Alessandro Manzoni schreef Verdi in 1873
zijn Requiemmis.
Al waren de betrekkingen met zijn librettist Arrigo Boito erg gespannen,
vrienden zorgden ervoor dat de opera “Otello” tot stand kwam.
Dit nieuwe meesterwerk werd voor het eerst opgevoerd in de Scala te
Milaan op 5 februari1887. Gezien
het grote succes werd nog een werk
op stapel gezet. Het werd “Falstaff”
en dit experiment betekende een totale vernieuwing in de muzikale
uitdrukkingswijze van Verdi. De
laatste gepubliceerde werken waren de vier “Pezzi Sacri”.
In 1897 overleed Giuseppina na een jarenlange ziekte en twee jaar later
volgde de meester haar.
WERK EN BETEKENIS.
De evolutie van het muziekdramatische genie Verdi is het best te vergelijken met
een ruwe en waardevolle edelsteen die door de ervaring en het leven geslepen
wordt tot een juweel van ongekende volmaaktheid.
In het begin zijn de invloeden van Rossini, Donizetti en Bellini aanwezig, maar
de mannelijke kracht en de oprechte intensiteit zijn typisch Verdi.
De personages krijgen een grote menselijkheid mee.
Zijn muziek krijgt meer en meer sfeer, de personages worden juist
gekarakteriseerd en gedramatiseerd.
Op termijn verfijnt zijn muziek zich en staat volledig in dienst van de
dramatische vereisten. Er komt meer
kleur in de muziek die erin slaagt alle onwaarschijnlijke gebeurtenissen te
overwinnen. Vanaf “Rigoletto” is
Verdi’s grote periode aangebroken.
De opera “Il Trovatore” is een typische zangopera, die haar succes dankt aan de
fysieke uitwerking van de menselijke stem.
“La Traviata” laat een nieuwe verworven fijnheid in de orkestratie horen.
De motieven kennen een grotere complexiteit.
De invloed van Meyerbeer blijkt intussen meer bezonken en geassimileerd.
In “Un Ballo in Maschera” horen wij een nieuwe inventiviteit zowel in de
melodie als in de orkestratie. De
opera “Don Carlos” zet de reeks van de laatste meesterwerken in.
Wij denken aan de ophefmakende ensembles.
De complexiteit van de personages zijn overduidelijk weergegeven in de
muziek. Het werk “Aïda” is een
opera in de zuiverste Italiaanse stijl.
De personages zijn scherp getekend en de couleur locale is fijntjes
getypeerd. De orkestratie is zeer
subtiel en de melodische inventies worden geculmineerd in de aangrijpende
sterfscène. Het “Requiem” getuigt
van een onloochenbaar groeiproces zowel in de innerlijke beleving als in de
technische uitwerking van koor, orkest en solisten.
Met “Otello” toonde Verdi aan hoe het mogelijk was het gezongen toneel
tot een artistiek hoogtepunt op te voeren binnen de gevestigde Italiaanse
traditie. Ook in “Falstaff” vinden
wij een aalvlugge conversatietoon verwerkt in de muziek.
Het werk doorzindert van menselijkheid.
De vindingskracht is onaangetast gebleven en de technische bekwaamheid is
onovertroffen. De vormen zijn
vrijer geworden en de melodische rijkdom dwingt andermaal bewondering af.
Tot op het einde blijft de inspiratie hevig en zijn vier godsdienstige
werken vormden een mooi besluit van zijn oeuvre.
Verdi werd in het jaar 2001 wereldwijd door bijna alle operahuizen herdacht.
P.T.
TERUG NAAR KEUZELIJST EDUCATIEF
![]()